zaterdag 27 juni 2026

Uit geweld geboren...




Peter Malcontents boek Splijtzwam in de polder gaat in de eerste plaats, de titel zegt het al, over hoe het Israëlisch-Palestijns conflict in Nederland uitgroeide tot een politieke splijtzwam, die tot op de dag van vandaag leidt tot scherpe tegenstellingen in de samenleving. Om te begrijpen hoe het zover is gekomen, dient men goed op de hoogte te zijn van de geschiedenis van het conflict, die teruggaat tot de opkomst van het zionisme in de negentiende eeuw. Daarom besteedt Malcontent daar in het eerste hoofdstuk ruim aandacht aan.

De Balfourverklaring tijdens de Eerste Wereldoorlog, de opdeling daarna van de Arabische delen van het Osmaanse Rijk in mandaatgebieden, waarbij de Britten het voor het zeggen kregen in Palestina, de Joodse immigratie naar Palestina na de Eerste en vooral Tweede Wereldoorlog en de schuldgevoelens in Europa vanwege de Holocaust spelen daarin allemaal een rol. De Zionistische terreur na de Tweede Wereldoorlog, men denke onder meer aan de aanslag op het King David hotel in Jerusalem, leidde uiteindelijk tot de oprichting van de staat Israël en het verdrijven van meer dan zevenhonderdduizend Palestijnen van huis en haard.

Nederland hield zich aanvankelijk zoveel mogelijk afzijdig. Daarbij speelden zowel de angst Nederlands-Indië, met zijn grote moslimbevolking, te verliezen als schuldgevoelens over de Holocaust een rol. Dat veranderde na de Zesdaagse Oorlog in 1967. Er volgden vele jaren van vrijwel kritiekloze steun aan Israël die gepaard ging met een opvallende onverschilligheid ten aanzien van de rechten van de Palestijnen. Die steun was in de Nederlandse samenleving weinig omstreden.

Gedetailleerd verhaalt Malcontent hoe langzaam, heel langzaam de steun voor Israël afbrokkelde, zonder dat de sympathie voor de Palestijnen aanvankelijk significant toenam. Soms moest Nederland als gezworen Israël-vriend toch iets buigen in Palestijnse richting onder druk van de toenemende samenwerking in de EU op buitenlands politiek terrein. Vaak ging dat niet van harte. Meestal was economische steun aan de Palestijnen (in het bijzonder aan de Palestijnse Autoriteit onder leiding van onbekwame en corrupte figuren als Yasser Arafat en Mahmoed Abbas), met name na de Oslo-akkoorden, waar uiteindelijk na eindeloos traineren door Israël weinig van terechtkwam, minder problematisch dan politieke. Nog steeds heeft Nederland Palestina niet als onafhankelijke staat erkend.

Ook aan de orde komt hoe in Nederland de sympathie voor Israël meer en meer afbrokkelde, tot het huidige dieptepunt. Zelfs de 'Atlantische connectie' (waardoor Nederland steeds weer de neiging heeft de VS, die wordt gezien als de enige die het conflict zou kunnen oplossen, niet voor de voeten te lopen), staat door het aantreden van Trump onder druk. Het buitenproportionele geweld waarmee Israël steevast reageert op aanslagen en geweld vanuit het Palestijnse verzet tegen de bezetting van de Westoever en de onderdrukking van de bevolking van Gaza speelt een belangrijke rol in de groeiende Nederlandse afkeer. Malcontent noemt het niet met zoveel woorden, maar al lezend vraag je je af wie eigenlijk de ware terroristische beweging is. Als je kijkt naar de voortdurende mensenrechtenschendingen, het geweld jegens Palestijnse burgers, de genocide in Gaza, het kolonistengeweld op de Westoever en de voortdurende bouw van illegale nederzettingen daar, ontkom je niet aan de conclusie dat dat de staat Israël zelf is.

Tenslotte stelt Malcontent de rol van de Holocaust aan de orde, die na de oorlog is gaan fungeren als een nieuw soort moreel kompas in onze maatschappij. De politieke en maatschappelijke verdeeldheid over het Israëlisch-Palestijns conflict verscherpt zich onder meer door de rol die extreem rechts (PVV, FvD) speelt. Daar heerst blinde steun voor Israël, hoe ernstig het land zich ook keer op keer misdraagt, evenals bij orthodox-christelijk Nederland. Dat van de aanvankelijke steun voor Israël op links, zoals bij de PvdA, niets meer over is verklaart Malcontent uit de verkiezingsnederlagen van de Israëlische Arbeiderspartij en de extreme verrechtsing van de Israëlische politiek, waar huidig premier Netanyahu uit politiek lijfsbehoud volledig afhankelijk is geworden van ultrarechtse partijen. Vooral extreem rechts, maar evenzeer de VVD, hebben de neiging het conflict ook te misbruiken voor electorale redenen.

In het nawoord noemt hij het zich almaar voortslepende conflict, dat steeds weer het Nabije Oosten destabiliseert, een evergreen. Ik vrees dat het dat nog lang zal blijven. Dat de EU de rol van de VS zou kunnen overnemen om Israël uiteindelijk te dwingen tot een oplossing van dit giftige conflict, lijkt me voorlopig een vorm van wensdenken.


Peter Malcontent, Splijtzwam in de polder. Nederland, Israël en Palestina. Amsterdam 2025. ISBN 9789024473892.


maandag 22 juni 2026

Stad van beeldende kunstenaars




Het boek De stad als atelier van Jan Willem Boezeman onderstreept op boeiende wijze mijn stelling dat Dordrecht vooral een stad van beeldende kunstenaars is. Over het waarom dat zo is, is al veel geschreven. Het heeft bijvoorbeeld te maken met Dordt als waterstad, met het bijzondere licht dat dat met zich meebrengt. Na de Tweede Wereldoorlog kwam een flink aantal kunstenaars uit Rotterdam naar Dordrecht, omdat daar meer atelierruimte beschikbaar was, zo lees ik in het boek. Onder hen mijn onvergetelijke leraar tekenen Lou ten Bosch.


Het moet een geweldige klus zijn geweest om alle woonadressen en de levensloop van 238 beeldende kunstenaars die vanaf de 16e eeuw in de stad woonden en werkten uit te zoeken, maar Boezeman en zijn vrijwilligers van het Augustijnenhof zijn niet voor een kleintje vervaard. Het boek beperkt zich tot overleden kunstenaars en dat geeft al een indrukwekkend resultaat. Gezien de vele beeldende kunstenaars die nog steeds in de stad actief zijn, mogen we in de toekomst met enige regelmaat een aanvullende druk verwachten, tenzij die het eeuwige leven hebben. Je weet maar nooit met al die nieuwlichterij zoals AI.


Op het voorplat van het prachtig verzorgde boek staat het huis Samson, getekend door Johannes van Lexmond. Dat was ooit het woonhuis van Jacob Gerritsz. Cuyp en zijn zoon Aelbert. De laatste heeft ook een tijd gewoond, zo leert mij het boek, op de plek waar nu de Boterbeurs staat, het gebouw waar in 1842 het Dordrechts Museum het licht zag. Later trok de Openbare Bibliotheek er in, waar toen de legendarische Nel Snouck Hurgronje als directrice de scepter zwaaide. Kees Buddingh', die zelf ook in het boek voorkomt vanwege zijn bekende 'kastjes', schrijft daarover in zijn dagboeken en ik herinner me nog uit mijn vroege jeugd dat ik er met mijn vader boeken ging lenen, maar dit alles terzijde.


Naast bekende schilders als de familie Cuyp, Samuel van Hoogstraten, Cornelis Bisschop, Ferdinand Bol, Arie Scheffer, Reinier Kennedy, Cor Noltee en vele anderen kwam ik ook kunstenaars tegen van wie ik nog nooit had gehoord, ondanks dat ik als bijvak aan de universiteit kunstgeschiedenis deed, en dat maakt het boek dubbel interessant. Het drukt je ook met je neus op het feit dat je kunt lezen en studeren zoveel je wil, maar dat je kennis altijd beperkt zal blijven.


De inhoudsopgave toont de kunstenaars in chronologische volgorde, dat is soms even zoeken, maar dat wordt weer vergemakkelijkt door een stratenindex achterin. Het boek, dat alles behalve een droge opsomming is, is een geweldige bron voor iedereen die belangstelling heeft voor Dordrecht, voor beeldende kunst en voor geschiedenis. De oplage is beperkt, dus wacht niet te lang om langs te gaan bij het Dordtse Augustijnenhof of je plaatselijke boekhandel.


Jan Willem Boezeman, De stad als atelier. Stichting Illustre Dordracum 2026. ISBN 9789403889290.

zondag 17 mei 2026

De 'tijdgeest' van de achttiende eeuw. Enkele overdenkingen.


    Jacob van Strij - Zomergezicht buiten Dordrecht. Dordrechts Museum.


Onderstaand artikel verscheen in het literaire tijdschrift Ballustrada, jaargang 38, nummer 3/4 in het najaar van 2024. Daarom ontbreekt het hier eerder besproken boek Verlicht en vilein van Marleen de Vries in de literatuuropgave.


Wanneer we spreken over de tijdgeest van de achttiende eeuw, doen we die eeuw tekort. Tussen pakweg 1700 en 1800 zijn verschillende 'tijdgeesten' te ontwaren, perioden waarin bepaalde opvattingen toonaangevend waren. Als we ons tenminste willen houden aan de definitie die Van Dale geeft van het begrip tijdgeest.

De achttiende eeuw stond in de geschiedenisboeken uit mijn lagere schooltijd bekend als een eeuw van saaiheid en gezapigheid. De eeuw die de zoetelijke, moralistische verzen van Hieronymus van Alphen voortbracht. Een eeuw van economische achteruitgang in de Republiek die tenslotte eindigde in de misere van de Franse tijd. Deze Jan Salie-geest zou kenmerkend zijn voor de achttiende eeuw, althans in Nederland. Of dat ook werkelijk zo was, valt te bezien.

Inderdaad, economisch werd de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden na pakweg 1700 overvleugeld door zijn grote Europese concurrenten, Engeland en Frankrijk en dan vooral door de eerste. Dat hield niet in dat de Republiek in snel tempo verarmde, dat gebeurde pas aan het einde van de eeuw, met name door de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784) en de Franse tijd (1795-1813). De Bataafse Republiek (1795-1806) was een zwakke vazalstaat van Frankrijk die door zijn grote broer werd meegesleept in de oorlogen van het revolutionaire bewind in Parijs en vervolgens in die van Napoleon. Het Continentaal Stelsel (1806-1814) was zo rampzalig voor de Nederlandse economie dat zelfs Napoleons broer, koning Lodewijk Napoleon, die van 1806 tot 1810 over het Koninkrijk Holland regeerde, probeerde er de hand mee te lichten, wat hem mede zijn troon kostte.

Tijdens de regering van Lodewijk Napoleon werd wel de bases gelegd voor het latere Rijksmuseum, de Koninklijke Bibliotheek en het Koninklijk Instituut van Wetenschappen. Waar ik als Dordtenaar minder gecharmeerd van ben is des konings besluit om de munt, sinds het laatste kwart van de veertiende eeuw gevestigd in mijn stad, te verplaatsen naar Utrecht. Ook werd onder zijn bewind een begin gemaakt met het scheppen van eenheid in de rechtspraak, een belangrijke, bindende factor in de maatschappij. Dat is formeel al niet meer in de achttiende eeuw, maar ontwikkelingen reiken nu eenmaal vaak over een eeuwwisseling heen.

Liever dan van een tijdgeest te spreken, heb ik het over een aantal opvallende kenmerken van de achttiende eeuw, een periode waarin veel werd gezaaid dat in later eeuwen werd geoogst. Enkele voorbeelden: de uitvinding van de stoommachine door Newcomen en Watt, die een sleutelrol speelde in het op gang komen van de Industriële Revolutie, de uitvinding van de luchtballon door de gebroeders Montgolfier, een bescheiden begin van de luchtvaart, de uitvinding van de bliksemafleider door Benjamin Franklin en de uitvinding van de koepokvaccinatie door Edward Jenner.

Een van de belangrijkste ontwikkelingen in deze eeuw is het steeds prominenter worden van de ideeën van de Verlichting, met filosofen als Jean Jacques Rousseau, Voltaire, David Hume, Adam Smith en anderen. De geletterdheid nam sterk toe, boeken werd steeds belangrijker en verschillende letterkundige stromingen, zoals de Romantiek, hebben hun wortels in de achttiende eeuw. Verlichte opvattingen, zoals die over volkssouvereiniteit, speelden een belangrijke rol bij de ondergang van het Ancient Regime in Frankrijk en het ontstaan van de Verenigde Staten en de Bataafse Republiek.

Het laatste kwart van de achttiende eeuw kenmerkt zich door revoluties. Allereerst de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog (1775-1783), een revolutie tegen het Britse, koloniale gezag. Deze leidde tot het ontstaan van de Verenigde Staten, de eerste (federale) staat die een grondwet kreeg op basis van de Trias Politica, de leer over de scheiding van de staatsmachten die werd uitgewerkt door de Verlichtingsfilosoof Montesquieu.

Ten tweede de Patriottenrevolutie in de Republiek der Verenigde Nederlanden (1780-1787), waarin de door Verlichtingsidealen geïnspireerde regenten en de gegoede burgerij zich keerden tegen het absolutisme van stadhouder Willem V. Hoewel de revolutie uiteindelijk de kop werd ingedrukt door de zwager van Willem V, de koning van Pruisen, keerden veel patriottische ideeën terug in de constitutie van de latere Bataafse Republiek. In deze periode richtten burgers in Holland milities op, exercitiegenootschappen, om zich zonodig tegen de stadhouder te weren. In mijn stad, Dordrecht, werd in 1783 het eerste opgericht onder de veelzeggende naam De Vrijheid.

Ten derde de Franse Revolutie, die begon met de bestorming van de Bastille in Parijs op 14 juli 1789, een dag die nog steeds met veel militair vertoon in Frankrijk wordt gevierd. De overbekende motto van de Franse Revolutie was Egalité, Liberté, Fraternité. Desondanks liep deze revolutie uit op een bloedbad, een schrikbewind onder Robespierre en zijn Comité de salut public, met als slotakkoord de Napoleontische oorlogen met alle ellende van dien, maar dan zitten we alweer in de negentiende eeuw. Nederland heeft er de terugkeer van de Oranjes aan te danken, alsmede de Tiendaagse Veldtocht, maar nu dreigen we ietwat uit de bocht te vliegen.

Tegenover de veronderstelde gezapigheid in de Republiek der Verenigde Nederlanden staat niet alleen het opstandige elan der Patriotten, maar zien we op cultureel gebied de opbloei van tal van genootschappen, al dan niet, in het voetspoor van de Verlichting, met als doel het opheffen van de gemene man. De Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, opgericht in Edam in 1784 is hier een schoolvoorbeeld van. In Dordrecht richtten de schilder Abraham van Strij en enkele andere kunstenaars het Teekengenootschap Pictura op, dat dit jaar zijn 250-jarig bestaan viert. Een ander icoon is de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, die in 1766 het levenslicht zag in Den Haag.

In mijn schooltijd gold onder veel Neerlandici de overtuiging dat het met de vaderlandse letteren in de achttiende eeuw niet veel zaaks was. Ik noemde Hieronymus van Alphen reeds, maar het was toch ook de eeuw van Betje Wolff en Aagje Deken, alsmede van Belle van Zuylen. Misschien gaat het iets te ver om hen als evenknieën te beschouwen van de Engelse schrijfster Mary Wollstonecraft, voorloper van de vrouwenemancipatie, maar hun ideeën zijn tot op heden actueel en misschien is het niet toevallig dat het hier in alle gevallen om dames gaat. Wat te denken ook van Sarah Ponsonby en lady Eleanor Butler, twee vrouwen uit de Anglo-Ierse adel die vluchtten naar Wales en er daar een gezamenlijke huishouding op na hielden in hun landhuis Plas Newydd bij Llangollen. Een huis dat als een magneet werkte op de Britse culturele elite.

Het lijkt me niet gedurfd om te beweren dat de wortels van de vrouwenemancipatie teruggaan tot de achttiende eeuw, zoals dat ook het geval is met het verzet tegen de slavernij, al was dat meer een zaak van de Engelsen dan van de Nederlanders, want wat het abolitionisme aangaat, sukkelde Nederland vooral mee in de achterhoede en duurde het tot ver in de negentiende eeuw voordat het lot van de slaven (en laten we in 's hemelsnaam die lelijke uitdrukking 'tot slaaf gemaakten' nooit meer gebruiken) op enige belangstelling kon rekenen. Dat gold mutatis mutandis wat de overheid betreft ook voor het wel en wee van het vaderlandse proletariaat, maar dit terzijde.

De veelzijdigheid van de achttiende eeuw, waarin de Franse culturele invloed dominant was, althans in continentaal Europa, toont zich ook in een beweging als het Libertinisme. Vooral onder invloed van een op seks beluste, zich in de luxe van Versailles vervelende adel, veranderde deze stroming steeds meer van een spirituele, op de vrije geest gerichte beweging, in eentje van een niets ontziende losbandigheid. Een belangrijke propagandist daarvan was de Markies de Sade, waarvan de boeken in mijn tienerjaren opnieuw in het Nederlands werden vertaald door Hans Warren en die wij, uiteraard, met rode oren lazen. Daar kon de overigens voortreffelijk schrijvende Jan Wolkers niet tegenop. Tegenover die losbandigheid stond dan weer de puriteinse maatschappij zoals die zich na de onafhankelijkheid in de Verenigde Staten ontwikkelde. Lees daar The Scarlett Letter van Daniël Hawthorne maar eens op na.

Kortom, de achttiende eeuw is een caleidoscoop vol veelzijdigheid, boeiende tegenstellingen en ontwikkelingen die doorwerken tot in onze tijd. Ik zou er een boek over kunnen schrijven, ware het niet dat dat recent al is gedaan. Ik noem enkele eigentijdse boeken die zeker het lezen waard zijn, terwijl natuurlijk ook de literatuur uit de periode zelf aanbevolen blijft. Ik heb bijvoorbeeld bij geruchte gehoord dat De historie van mejuffrouw Sara Burgerhart binnenkort wordt heruitgegeven. Mocht dat gerucht niet kloppen, dan is er nog altijd wel een bibliotheek die het boek koestert.

Recent las ik: De adembenemende achttiende eeuw van de Vlaamse historicus Francis Weyns (Gent 2022). Voor wie zijn taaie schrijfstijl aankan is Patriots and Liberators. Revolution in the Netherlands 1780-1813 van Simon Schama (New York 1977) aanbevolen, evenals The Ladies of Llangollen: A Study in Romantic Friendship van Elizabeth Mavor, in 2001 verschenen bij Penguin. Na lezing van dat boek wil je terstond een bezoek aan Plas Newydd, tegenwoordig museum, brengen. Dan ben je echt terug in die geweldige achttiende eeuw.

dinsdag 9 september 2025

Afscheid van 'Ons-Indië'




Kort na het aftreden van president Suharto reisde journalist Michel Maas naar Indonesië, waar hij achttien jaar verbleef als correspondent. In die tijd veranderde zijn beeld van het land. Toen hij er heenging was dat vooral het beeld dat je in Nederland tegenkomt. Nederland, het land dat zijn voormalige kolonie eigenlijk nog steeds niet kan loslaten en Indonesië nog altijd ziet door de bril van de koloniale herinneringen. Het land van Nina Bobo, 'Ons-Indië' en Slamat tidur, kleine blanda. Het land dat al tachtig jaar niet meer bestaat, maar in Nederland nog voorleeft. Tachtig jaar geleden, op 17 augustus 1945, verklaarde Indonesië zich onafhankelijk, een datum die Nederland nog steeds niet erkent. Tekenend, vindt Maas.

Bij ons staat 27 december 1949 in de boeken, toen koningin Juliana officieel de onafhankelijkheidsoverdracht ondertekende, aan het einde van een bloedige oorlog. Volgens Maas was dit een propagandatruc om gezichtsverlies te maskeren en het zo voor te stellen dat Nederland de kolonie welwillend de onafhankelijkheid gaf.

Kern van het boek is de totaal andere kijk die Indonesië en Nederland hebben op de geschiedenis van de voormalige kolonie. Voor Indonesië was dat een voorbijgaande, al bijna vergeten fase, voor Nederland een niet te verwerken verlies. Nog steeds kijken veel Nederlanders nostalgisch terug naar het Tempo Doeloe, de djongos, de baboe en wellicht ook de njaj. Met trots op wat Nederland allemaal voor de kolonie heeft gedaan. Ethische politiek, ziekenhuizen, wegen, spoorwegen, bruggen, vliegvelden, scholen. Volgens Maas heeft Nederland in de kolonie vooral nietsontziend zijn eigenbelang nagestreefd ten koste van de inheemse bevolking. In Indonesië klinkt de vraag: wat kwamen jullie hier eigenlijk doen en waarom kwamen jullie na de Japanse bezetting terug? Dat de bevolking in 1945 de Nederlanders volkomen zat was, stuitte bij de kolonisator op onbegrip en leidde tot ongebreidelde agressie.

Door de ervaringen tijdens zijn correspondentschap is Maas niet meer de Nederlander die in Indonesië de sporen van het koloniale verleden zoekt, die vertederd glimlacht als hier of daar een Nederlands woord klinkt, maar die zich nog altijd superieur voelt aan wat vroeger de inlander werd genoemd. Indonesiër is hij echter ook nooit geworden. Wel geeft hij voorbeelden van mensen die zo'n beetje tussen de Indonesische werkelijkheid en de koloniale droom leven. En passant komt hij ook met allerlei voorbeelden van het leven in hedendaags Indonesië, waar Nederland zo goed als vergeten is. Dat maakt het voor iedereen die belangstelling heeft voor het koloniale verleden een bijzonder boek. Na lezing ga je misschien toch wat anders aankijken naar 'het groots' dat wij daar hebben verricht.


Michel Maas - De gelogen kolonie. Naar Indonesië om Indië te vergeten. Atlas-Contact 2025.


woensdag 20 augustus 2025

De botheid bleef




Vaak denken mensen als het gaat over de achttiende-eeuw aan een periode van gezapigheid die wordt gekenmerkt door de brave versjes van Hieronymus van Alphen, auteur van het bekende gedicht De pruimeboom. Een eeuw waarin weliswaar allerlei Verlichtingsideeën doorbraken, maar die meer nog gekenmerkt werd door de traagheid van de trekschuit en het steeds meer door concurrenten overvleugeld worden van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Een eeuw waarin allerlei ontwikkelingen ontstonden die uiteindelijk zouden leiden tot onze huidige samenleving, maar daar moest dan nog wel verschrikkelijk veel tijd overheen gaan. Een eeuw die zich eigenlijk niet kon meten met de glorierijke zeventiende.


Wie zulke gedachten over Nederland in de achttiende eeuw koestert moet beslist het boek Verlicht en vilein lezen van Marleen de Vries. Dan kom je in de eerste plaats heel wat zaken tegen die je doen denken aan de dag van vandaag. "Achttiende-eeuwers hadden korte lontjes en waren minstens zo driftig, direct en grofgebekt als de hedendaagse Nederlanders die zich anoniem uitleven op de sociale media - botheid is een constante in de Nederlandse cultuur - maar uiteindelijk stond dat de vooruitgang niet in de weg," schrijft ze op pagina 20. Die vooruitgang hebben we volgens De Vries "te danken aan idealistische burgers die geloofden in verandering en die bleven vechten voor een rechtvaardiger en humanere maatschappij."


Er veranderde nogal wat tussen pakweg 1700 toen in de woorden van De Vries de Republiek nog het meest leek op een hedendaagse bananenrepubliek "met corrupte regenten die de macht onderling verdeelden" en 1800. Aan het eind van de eeuw waren er een grondwet, waren kerk en staat gescheiden, was er gelijkberechtiging van alle religies, kende het land vrijheid van meningsuiting en begon men op nationaal niveau aandacht te besteden aan het onderwijs, waarvan het belang meer en meer werd ingezien. Ideaal was het nog niet, vrouwen hadden nog lang geen stemrecht en stonden nog immer onder de voogdij van een man. De handelingsonbekwaamheid van een gehuwde vrouw werd pas in 1956 afgeschaft en toen ik in 1955 op de kleuterschool zat, raakten we onze geliefde juf halverwege het jaar kwijt omdat ze ging trouwen, wat haar gedwongen ontslag betekende.


De achttiende eeuw kende vele veranderingen en politieke spanningen, uitlopend op de revolutie van 1780-1787, die eindigde in een korte burgeroorlog en het ingrijpen van de Pruisen. Op cultureel gebied was het op allerlei terrein een bloeiperiode, met vooral de opvallende opkomst van de literatuur in de vorm van de roman. Denk bijvoorbeeld aan de namen Betje Wolff en Aagje Deken, Rhijnvis Feith en Belle van Zuylen. Het was, met name na 1750, de eeuw van de wetenschappelijke en kunstzinnige genootschappen, waarvan sommige nog steeds een rol spelen. Denk aan de Hollandse Maatschappij der Wetenschappen (Haarlem 1752), de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen (Edam 1784), de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (Leiden 1766) en in mijn eigen stad, Dordrecht, het oudste Teekengenootschap van Nederland, Pictura (1774).


De turbulente, allesbehalve gezapige achttiende-eeuw vertoont nogal wat parallellen met onze tijd. De eeuw "stierf van zwendelende aandeelhouders, leugenaars en bedriegers, venijnige dichtstukken en satirische prenten." De laatste twee werden verspreid door middel van pamfletten, de 'sociale' media van die tijd. In die pamfletten werden tegenstanders uitgescholden en soms, even anoniem als bij de computerhelden van nu, met de dood bedreigd. Ook tierden antisemitisme, seksisme en anti-papisme welig en werd van alles wat er misging, de economische crisis, de hopeloos verlopende oorlog met Engeland, de schuld aan 'de buitenlanders' gegeven. In de achttiende-eeuw waren dat vooral arbeidsmigranten en Duitse seizoenarbeiders. Het klinkt nogal modern. Desondanks kwam er tegen het einde van de eeuw ook zoiets op als een moderne publieke opinie, wat vooral te danken was aan de opkomst van de tijdschriften.


In vlot, verfrissend proza beschrijft Marleen de Vries het Nederland van de achttiende-eeuw, de eeuw die ook wel de pruikentijd wordt genoemd. Aan het einde ervan verdween in vooruitstrevende kringen de pruik langzamerhand en begon de samenleving traag te groeien naar een maatschappij zoals we die nu kennen. Daarmee verdwenen niet alle negatieve karaktereigenschappen van de Nederlander, zo leert ons een snelle blik op een internetriool als X.


Marleen de Vries, Verlicht en vilein. Een biografie van achttiende-eeuws Nederland. Amsterdam 2023.

vrijdag 30 mei 2025

Sjoelen met Johan de Witt




Vierhonderd jaar geleden werd Johan de Witt geboren. Het Dordrechts Museum wijdt er een tentoonstelling aan, vergezeld van een fraai uitgevoerde en informatieve catalogus. Deze zomer besteedt ook de Dordtse bibliotheek aandacht aan Johan de Witt. Iedereen die de vestiging in het centrum bezoekt gaat aan het standbeeld van Johan en zijn broer Cornelis voorbij en zet misschien wel de fiets daar neer, want beide broers, stammend uit een geslacht van kooplieden en ondernemers, drijven heden ten dage een fietsenstalling. Daar wordt door allerlei mensen over gemopperd, maar ik vind dat helemaal niet zo gek. Naast de strijd tegen het water, is de fiets een van de kenmerken van 'de' Nederlander, die mag daar van mij best in beeld.


In het weekblad Dordt Centraal van 28 mei lees ik dat veel jongeren niet bekend zijn met de naam De Witt. Dat klopt, vrees ik. Dat is het gevolg van de teloorgang van het geschiedenisonderwijs en van onnozelheid of desinteresse. Soms komt het later goed. Het valt mij bij lezingen steeds weer op dat allerlei mensen die geschiedenis niet in hun 'profiel' hadden of bij de geschiedenisles geen enkele belangstelling toonden, later juist wel die interesse in zekere mate hebben ontwikkeld. Dat er een wachtlijst is voor de cursus Dordtologie stemt mij wat dat betreft ietwat optimistisch en gelukkig heeft Nederland nog enkele bekwame historici die naast wetenschappelijke ook goed leesbare publieksboeken schrijven. Bovendien: jongeren hoeven in hun jeugd niet alles te weten. We doen in Nederland toch aan 'levenslang leren'? Of is dat inmiddels ook al wegbezuinigd door ons kolderkabinet?


"Jongeren zijn denk ik niet bekend met de naam. Hij was echter een groot staatsman en is belangrijk geweest voor onze democratie," zou volgens Dordt Centraal projectleider bij de bibliotheek David Timmer in het Algemeen Dagblad hebben gezegd. Als dat klopt zou hij een opmerkelijk gebrek aan historisch besef hebben geëtaleerd. Johan de Witt belangrijk voor onze democratie? Dat is rabiate onzin. Hij was belangrijk voor allerlei zaken die de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden tijdens zijn raadpensionarisschap betroffen en en-passant ook voor de wiskunde, maar democratie? Daar was in de zeventiende eeuw nog lang geen sprake van. De steden, die via de gewestelijke staten (en indirect dus in de Staten Generaal) van de Republiek de dienst uitmaakten werden bestuurd door een kliek van (invloed)rijke regentenfamilies, die de macht zoveel mogelijk binnen eigen kring hielden. Het volk had niets in te brengen, de ambachtslieden, althans in Dordrecht, een heel klein beetje via de gilden. Dat noemen we oligarchie en bij mijn weten had Johan de Witt daar niets op tegen. Mij is niet bekend dat hij ooit iets in zijn talrijke correspondentie heeft opgemerkt over het begrip democratie, tenzij hij het misschien over het klassieke Athene had, absoluut geen democratie in de zin zoals wij die opvatten. Ik word graag gecorrigeerd als ik het fout heb.


Ik vind het als historicus uitstekend dat er veel aandacht is voor de betekenis van Johan de Witt en dat men daar ook jongeren bij wil betrekken, als het maar niet zo is dat hij er dan als voorwendsel met de lange haren bij wordt gesleept en er historisch onjuiste verbanden worden gelegd, want dan is het misschien nuttiger om met de jongeren te gaan sjoelen.



Foto: auteur


vrijdag 23 mei 2025

De wereld van De Witt




Het Dordrechts Museum pakt flink uit met de tentoonstelling De wereld van De Witt. Hij wordt gehouden naar aanleiding van het feit dat Johan de Witt vierhonderd jaar geleden aan de Dordtse Houttuinen werd geboren. Dat nemen we tenminste aan, want voor zover ik weet is er geen bewijs van zijn doop gevonden. Johan groeide op in het huis in het Grotekerksbuurt dat vader Jacob in 1630 kocht, het huis waar later zijn oudere broer Cornelis met zijn gezin woonde. Een niet geheel correcte gevelsteen herinnert er nog aan.


De tentoonstelling is zeer veelzijdig, maar de nadruk ligt toch wel op het belang van Johan de Witt als raadpensionaris van Holland, een functie waarin hij zichzelf allereerst zag als dienaar van de Staten. Holland was in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden verreweg het rijkste gewest, dat opdraaide voor het overgrote deel van de kosten voor de oorlog tegen Spanje en de oorlogen die daarop volgden. Holland en daarmee zijn raadpensionaris, maakte in feite de dienst uit in de buitenlandse politiek, een gegeven waaraan ook in de tentoonstelling aandacht wordt besteed.


De zeventiende eeuw geldt als de Gouden Eeuw van de Republiek, al mag je van sommige mensen die term niet meer gebruiken. Ik doe dat wel. Gedurende een belangrijk deel van de zeventiende eeuw was de Republiek economisch en ook heel even militair een wereldmacht. Ik mag Engelse toeristen die Dordrecht bezoeken altijd met enig genoegen vertellen over de Tocht naar Chatham in 1667 en de rol die Cornelis de Witt daarin speelde. Vijf jaar later werden hij en Johan op 20 augustus door de Haagse schutterij vermoord en daarna door het gepeupel op beestachtige wijze aan stukken gesneden, een gruweldaad waar we in Dordrecht ieder jaar op 20 augustus bij stilstaan.


Dat diezelfde Gouden Eeuw ook donkere kanten had blijkt eveneens op de tentoonstelling. Een van die donkere kanten was het kolonialisme en de rol die de Republiek daarin speelde. De persoonlijke rol van de familie De Witt was daarin vooral indirect, maar vrijwel iedere familie uit de bestuurlijke elite van die tijd had wel aandelen in of banden met maatschappijen als de VOC en de WIC. De laatste bemoeide zich flink met de transatlantische slavenhandel, waarin de Republiek in die periode korte tijd koploper was, al bedraagt het totale aandeel in deze slavenhandel over de hele periode tot de afschaffing ervan niet meer dan 5%. Goed dus dat ook aan die donkere kant aandacht wordt besteed, maar waarom dan weer die domme, nergens op slaande term 'tot slaaf gemaakten' gebruikt voor het duidelijke, spijker-op-de-kop-begrip slaven? Over een andere donkere kant van de zeventiende eeuw, het grote verschil tussen arm en rijk en de ellendige levensomstandigheden van de allerarmsten in de steden ben ik weinig tegengekomen, maar zonder dat is de tentoonstelling al rijk en informatief genoeg.


Wat ik beslist en met grote nadruk aanraad is het kopen van het boek De wereld van De Witt. Dat is veel meer dan een fraai uitgevoerde catalogus. Het bevat een aantal buitengewoon interessante en goed uitgewerkte artikelen over onder meer het leven en de betekenis van Jacob de Witt, over de jong gestorven echtgenote van Johan, de Amsterdamse regentendochter Wendela Bicker, over De Witt als gedreven staatsman en zijn relatie tot de Oranjes en de Stuarts. In dat artikel rekent Jean-Marc van Tol overtuigend af met de mythe dat Johan de Witt een grote hater van de Oranjes zou zijn geweest. Het boek, onder redactie van Marianne Eekhout, Ineke Huysman en Carolyn Mensing is een mooie aanvulling op de dubbelbiografie van Johan en Cornelis de Witt, De Ware Vrijheid, door Luc Panhuysen.


De tentoonstelling in het Dordrechts Museum is nog te zien tot 26 oktober 2025.

dinsdag 11 februari 2025

In memoriam John Burnside (1955-2024)




Gisteren ontdekte ik bij toeval, doordat ik iets moest opzoeken via het internet, dat de dichter en romancier John Burnside, van wie ik een ruime selectie uit zijn poëzie vertaalde en publiceerde in de bloemlezing Het bal in de inrichting (Liverse 2010) op 29 mei 2024 na een kort ziekbed is overleden. Hoe is het mogelijk dat dat bericht mij niet eerder heeft bereikt? 


Waarschijnlijk doordat aan het heengaan van deze belangrijke Schotse schrijver, ook hoogleraar aan de universiteit van St. Andrews, in het Nederlandse taalgebied niet of nauwelijks aandacht is besteed. Ongetwijfeld is zijn overlijden wel ergens gemeld, maar in ieder geval is onder de zoektermen in Google 'dichter John Burnside' en 'John Burnside overleden' geen enkele beschouwing of in memoriam in het Nederlands te vinden. Dat is merkwaardig. In 2007 was John te gast op het Crossing Border festival waar zijn optreden diepe indruk maakte. Of hij ook heeft opgetreden op Poetry International weet ik niet, dat heb ik op de site van Poetry niet kunnen vinden, maar daar wordt wel een pagina aan hem besteed, met zes van zijn gedichten. Zijn overlijden wordt daar niet vermeld.


In het voorjaar van 2007 bezochten Stella en ik John in St. Andrews om de uitgave van Het bal in de inrichting voor te bereiden. We spraken af dat hij ons het jaar daarop zou bezoeken als hij naar Crossing Borders kwam. Dat ging helaas niet door omdat zowel Stella als John's moeder overleden. Daarna onderhielden we enkele jaren contact via e-mail en uiteraard zond mijn uitgever hem de nodige exemplaren van de (tweetalige) bloemlezing. Van lieverlee verwaterde het contact, tot een enkel sporadisch bericht. Wel bleef ik John volgen. Niet goed genoeg kennelijk om het bericht van zijn overlijden tijdig te signaleren.


In 2006 publiceerde ik enkele vertalingen uit John's werk in het tijdschrift De Revisor (jg. 33) met een essay over zijn werk. Dat essay neem ik hier, bij wijze van in memoriam aan deze grote en vooral zeer beminnelijke schrijver over:



Beweging in het merg van mijn beenderen. Enkele opmerkingen bij de poëzie van John Burnside.


Kees Klok


Mijn eerste kennismaking met de poëzie van John Burnside was via een artikel in het voorjaarsnummer 1994 van Poetry Review. Die uitgave was geheel en al gewijd aan de New Generation Poets, het opkomend talent uit het laatste decennium van de vorige eeuw. In het Nederlands werd Burnside, voor zover ik weet, een jaar later voor het eerst gepubliceerd in Dietsche Warande & Belfort (140e jg. nr. 3), door Ortwin de Graef en Herman Servotte. Zij vertaalden vier gedichten uit de bundel The Myth of the Twin (1994). In hun summiere inleiding bestempelden ze Burnside als een ‘postprovinciale’ dichter, zonder duidelijk te maken wat ze daar nu eigenlijk precies mee bedoelden.

De eerste indruk die Burnsides gedichten op mij maakten was er een van een lyrische dromerigheid, een soort van neoromantisch afstand nemen van de dagelijkse werkelijkheid. Het waren verzen die zich kenmerkten door een kalm ritme en een bedachtzaamheid die door De Graef en Servotte werd aangeduid als ‘ietwat bezonken.’ Burnsides werk bleek zo ongeveer het tegendeel van de ‘performance poëzie,’ die in die periode op de Nederlandse podia een bescheiden populariteit begon te verwerven. In zijn poëtica zijn het, om het in de woorden van Herman de Coninck te zeggen, ‘niet de decibellen die het werk moeten doen, maar punten en komma’s.’1  Burnside heeft weinig voeling met de stad en des te meer met het platteland en dan vooral dat van zijn geboortestreek, Fife in Schotland. Bij nadere lezing kwam een drietal hoofdkenmerken uit zijn werk naar voren: de natuur, het thuishoren en iets dat ik voor het gemak maar het metafysische zal noemen.


Op verschillende manieren is Burnsides poëtica doordrongen van de natuur. Ten eerste de fysieke natuur, die overal opduikt, in beschrijvingen van landschappen, het veelvuldig benoemen van struiken en planten (wat soms voor de vertaler een lastig probleem oplevert, vooral als deze geen bioloog is en het genoemde gewas niet in Nederland voorkomt) en het instinctmatig gedrag van mens en dier, bijvoorbeeld in Ganzen:


Ik kon aan toendra denken

besneeuwde berkenbossen

hectaren meren en ozon

en de zonderlinge

flikkering van toevallig licht

tussen de bomen


maar ik kon me geen voorstelling vormen van de kaarten

die ze volgden op reis:

kilometerslange vlakten

in de natte geometrie

van de hersenen gegrift.

(In: Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift, jg. 21, nr. 78, vertaling KK)


De tweede wijze waarop de natuur van belang is, is via natuurwetenschappelijke fenomenen die het onderwerp zijn van de verwondering of het onderzoek van de dichter. In zijn bundels The Asylum Dance, waarvoor hij de Whitbread Book Award 2000 kreeg, en The Light Trap (2002) duiken regelmatig natuurwetenschappelijke experimenten op of wordt daaraan gerefereerd. In laatstgenoemde bundel is er zelfs een hele afdeling aan gewijd, getiteld Φύσις. In The Asylum Dance draagt hij zijn gedicht Zintuiglijke informatie op aan de in Groningen geboren, geniale, maar stokdove en bovendien ook nog eens jong gestorven, Engelse sterrenkundige John Goodricke (1764-1786), die de theorie van het variabele volume van sterren bedacht:


mijn hoofd schuin naar een nachthemel vol licht,

zou ik wachten op muziek die ik kon voelen


als beweging in het merg van mijn beenderen,

zoals Goodricke moet hebben gedaan, iedere nacht weer,


het horen voorbij, meetrillend als een

aangeslagen klok, met harmonieën die

zongen in zijn bloed,

(In: Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift, jg. 21, nr. 78, vertaling KK)

De natuur is eveneens onderwerp van grote bezorgdheid van de dichter. Hij heeft zorgen over bedreiging ervan doordat de mens haar naar zijn hand probeert te zetten, met alle kwalijke gevolgen van dien, maar is zich tevens bewust van de keerzijde, de donkere kanten die de natuur toont ten opzichte van de mens en de mysterieuze kracht, het gevoel van dreiging en noodlot dat van haar uitgaat. Burnside vertoont wat dit betreft enige verwantschap met Edward Thomas.2 Die diepe zorg, maar vooral de voorstelling van de natuur als dreigende kracht, maakt dat Burnsides ‘natuurpoëzie’ ver staat van de vaak sentimentele of sektarische mentaliteit van wat Gerard Reve zo treffend de ‘groenzoeters en bosneukers’ noemt.


Ook het tweede hoofdkenmerk, het thuishoren, loopt als de spreekwoordelijke rode lijn door Burnsides werk. Het gaat hier om het ergens thuishoren als een onvermijdelijk aspect van het op aarde zijn. Een thuishoren in je eigen lichaam, maar ook een thuishoren in een home, een dwelling, die als een soort van noodlot onverbreekbaar is gebonden aan het bestaan. Burnside is in sommige van zijn gedichten, zoals Ganzen nadrukkelijk op zoek naar een verklaring voor dat wonderlijke instinct van sommige dieren om steeds weer terug te keren naar hun ‘thuis.’ Of dit thuis, waar het de mens betreft, ook wel het werkelijke thuis is waar men thuishoort, blijft vaak in het onzekere. Dat heeft sterk te maken met het derde hoofdkenmerk van Burnsides poëtica, het metafysische aspect. Weten we wel wat ons onvermijdelijke thuis is, hoe kunnen we dat weten? In het gedicht Nederzettingen, hier opgenomen, dicht hij bijvoorbeeld:


Het is wat ik nu voor

thuis houd: die waterbron

diep onder het huis

die zij een uur lang proefden en daarna wegstopten


in het laatste deel van het gedicht merkt hij op:


- lumineus als het idee van thuis:

niet iets dat behouden wordt

of weggegeven

maar de pijnlijke ernst

die voortkomt uit het gevestigd zijn op aarde


Er zit voor de mens een akelige, beklemmende kant aan het thuishoren. Het is een fenomeen dat zich buiten de menselijke wil tracht te plaatsen en dat daarom duidelijke schaduwzijden kent. Bijvoorbeeld het thuishoren in het eigen lichaam. Voortdurend komt het gebonden zijn aan het eigen lichaam bij Burnside ter sprake. Het lichaam dat in hoge mate een speelbal is van de natuur en aan het bezit waarvan de mens zich niet kan onttrekken. Steeds weer wordt men aan dat lichaam herinnerd, in een soort van interactie tussen lichaam en geest. In het hier opgenomen vers Het bal in de inrichtingkomt dat bijvoorbeeld tot uiting in onderstaande passage:


         Bij de patiënten waren wij soepel en bedaard:

we deelden onze aalmoezen uit en goedkope lof

en wachtten tot het dansen de pijn uitwiste

van de brok in de keel, de vogelachtige

houding van verworpenheid die drukt tegen de ruggegraat.


Het derde hoofdkenmerk, het metafysische, is wellicht het minst duidbare, maar meest aanwezige in de poëzie van Burnside. In veel van zijn gedichten is sprake van een niet of nauwelijks waarneembare aanwezigheid, alsof hij op zoek is naar een wereld achter de werkelijkheid. De Engelse criticus Charles Bainbridge noemt dit ‘een zoektocht naar de weerspannige magie die ten grondslag ligt aan het gewone en alledaagse.’Burnside zelf zegt dat zijn poëzie vooral gaat over de plaatsbepaling van jezelf in een samenleving van levenden en doden, dat het uiteindelijk een viering is van verwantschap, dood, wedergeboorte en liefde.4 Sarah Wardle karakteriseert het metafysische in een artikel over The Asylum Dance als ‘een strijd tussen de ‘gekende wereld’ en het ‘er is nog iets meer,’ waarbij dat ‘er is nog iets meer,’ geneigd is de overhand te krijgen.’Steeds weer zie je een neiging binnensluipen om dingen te benoemen die zich aan de rand van de waarneembaarheid bevinden en de suggestie wekken van een werkelijkheid daarachter. Zo dicht hij in (het nog ongepubliceerde gedicht) Akkers, eveneens uit The Asylum Dance:

Het werk is nu gereed; maar als de avond is gevallen

voel ik het gedierte huiverend wegkruipen,

het laat een afwezigheid in de steek die wij als

natuurlijk aanvaarden: de hoopverloren bomen;

de stilte waarin de merel verdwijnt.

Af en toe zijn de geesten bijna zichtbaar

tussen latwerk en klapstoelen:

net zoals oude havens soms opnieuw verschijnen

door mist of regen, of marktplaatsen oplossen

om ons een schemering van glanzende lucht te schenken,


Burnside, die in 1955 werd geboren in Dunfermline, heeft een rooms-katholieke opvoeding gehad. Hoewel hij dit geloof niet meer aanhangt, doet het zoeken naar wat er achter deze wereld ligt religieus aan. Hij mag dan wel geen god erkennen, duidelijk is dat er voor Burnside wel degelijk een voor een dichter exploreerbaar universum achter onze alledaagsheid ligt. Op kalme, subtiele, maar niet afhoudende wijze onderzoekt hij dit universum en probeert hij het onzegbare ervan in woorden te vatten. De spanning die dat opwekt maakt het lezen van Burnside tot een bijzondere ervaring.

Behalve dichter is Burnside ook actief als romancier. Hij publiceerde tot nu toe vijf romans, waarvan de jongste, Living Nowhere, in 2003 verscheen. Zijn enigszins bizarre eerste roman Dumb House, die gaat over een gruwelijk experiment waarin een tweeling in totale afzondering wordt gehouden om te zien of zij al dan niet een natuurlijke taal zullen ontwikkelen, is in het Nederlands verschenen onder de titel Huis der stommen (Vassaluci, vertaling Adriaan Krabbendam). Het productiefst is hij echter als dichter. Na zijn debuut in 1988 met The Hoop verschenen nog acht bundels, waarvan The Good Neighbour, die dit voorjaar werd gepubliceerd, voorlopig de laatste is.

Na de middelbare school studeerde Burnside Engels en Europese talen aan het Cambridge College of the Arts and Technology. Na het afbreken van een opleiding als leraar oefende hij verschillende beroepen uit, zoals dat van ambtenaar en software ontwerper. In 1995 keerde hij terug naar Schotland. Een jaar later besloot hij de computerwereld te verlaten om zich geheel aan de literatuur te wijden. Dat doet hij behalve als auteur ook als docent creatief schrijven aan de Universiteit van St. Andrews.

  1. Herman de Coninck, Een aangename posthumiteit. Brieven 1965-1997. Amsterdam/Antwerpen 2005, p. 684.

  1. Edward Thomas, Maar deze dingen ook. Vertaling Jan Eijkelboom, Wagner & Van Santen.

  1. Charles Bainbridge, The shape of the wind. In: The Guardian, 9 juli 2005.

  1. In Poetry Review, vol. 84, nr. 1, spring 1994. p.75.

5. Sarah Wardle, Homing instict. In: Times Literary Supplement, 9 februari 2001.


Foto: Kees Klok



zaterdag 2 november 2024

Brieven uit Berlijn




Na de bevrijding van Dordrecht leerde mijn tante Ann, jongere zus van mijn moeder, een Engelsman kennen die tijdelijk in de stad was gelegerd. Mijn oom Harold. Ze trouwden in 1947, in hetzelfde jaar als mijn ouders, en gingen in Engeland wonen. Vanaf die tijd tot het overlijden van mijn tante ging er wekelijks een brief van mijn moeder of van een van haar twee zussen naar Engeland en iedere maand, meen ik me te herinneren, kwam er een brief uit Engeland die dan circuleerde in de familie. Ik schrijf 'meen ik me te herinneren,' want helaas is van al die brieven geen enkele bewaard gebleven, iets wat mijn neef Brian, eveneens historicus, en ik nogal betreuren. Wie weet wat voor informatie ze hadden kunnen geven over het leven in Engeland en Nederland, vooral in de vroege jaren vijftig, toen Brian en ik nog piepjong waren en waaraan we maar vage jeugdherinneringen hebben. 

Mijn vader werd in 1944 bij de grote razzia in Rotterdam opgepakt en naar Duitsland gestuurd om daar gedwongen te gaan werken. Hij vertelde er soms iets over, maar dan ging het altijd over de afloop. Hij zat in Bentheim, vlak over de grens met Nederland, werd daar ziek en vervolgens teruggestuurd naar Nederland. Hij liep zo goed en zo kwaad als het ging naar de eerste de beste plaats over de grens, ik meen Oldenzaal, waar het Rode Kruis verder vervoer naar Rotterdam regelde. Of hij vanuit Duitsland brieven aan zijn ouders schreef, mijn moeder leerde hij pas na de oorlog kennen, weet ik niet. Ik heb ze in ieder geval nooit gevonden.

Dat lag anders in het geval van de vader van collega historicus Henk 't Jong. Die vond na het overlijden van zijn moeder in de nalatenschap een doos met brieven die zijn vader tijdens de jaren dat hij als dwangarbeider werkte aan Henks moeder schreef, met wie hij kort voor hij naar Duitsland moest was getrouwd. Een unieke en rijke vondst. Henk 't Jong ging met de brieven aan de slag, las zich grondig in over de periode en publiceerde onlangs een boek op basis van die brieven onder de titel Pa's oorlog.

Het is een bijzonder boek in die zin dat het niet alleen een verassend gedetailleerd beeld geeft van het leven van Cees 't Jong in de oorlog, waarin hij in de meidagen van 1940 als dienstplichtig soldaat vocht in de buurt van Delft en daarna als dwangarbeider werkte in Reinickendorf in de buurt van Berlijn, maar ook dat Henk 't Jong het verhaal plaatst in zijn historische context. Dat maakt het tot een werk van algemeen belang. Er komen zaken aan de orde die niet alleen interessant zijn voor de familie en nazaten van Cees 't Jong, maar ook voor een breed, geïnteresseerd publiek. Ik noem enkele voorbeelden: de rol van de arbeidsbureaus in Nederland bij de Arbeitseinsatz, de druk die de Nederlandse regering op werklozen uitoefende om al voor de oorlog, in de crisisjaren, in Duitsland te gaan werken, de manier waarop het leven in Berlijn ondanks de geallieerde bombardementen vanaf 1943 zo goed en zo kwaad doorging, de kille, om niet te zeggen hardvochtige manier waarop de terugkerende dwangarbeiders in Nederland werden ontvangen.

Het fraai uitgevoerde boek is rijkelijk voorzien van functionele illustraties en citaten en zoals het een zorgvuldig historicus betaamt heeft Henk 't Jong een uitgebreid overzicht toegevoegd van de gebruikte bronnen en literatuur. Er heeft veel meer werk in het boek gezeten dan je gezien de bescheiden omvang van 140 pagina's in eerste instantie zou denken. Die omvang is ook de kracht van het boek. Henk 't Jong verliest zich niet in allerlei getheoretiseer en onnodige uitwijdingen waar wij historici ons nogal eens schuldig aan maken. Er staat veel in het boek, het boeit van begin tot eind, maar er staat geen letter te veel in. 

Het boek is te bestellen via Dordtsebesteseller of in de reguliere boekhandel.


Henk t' Jong, Pa's oorlog. Belevenissen van Cees 't Jong 1920-1988 mitrailleurschutter en dwangarbeider 1940-1945. Dordrecht 2024. ISBN 9789403758206.


dinsdag 3 september 2024

Geschiedenis van Dordrecht, enkele leestips




Soms krijg ik vragen van belangstellenden over mijn woonplaats Dordrecht, met name wat men zou kunnen lezen om zich te verdiepen in de stadsgeschiedenis. Ik wil daar graag het een en ander over opmerken.

Je kunt de driedelige Geschiedenis van Dordrecht raadplegen, die is verschenen tussen 1996 en 2000 bij uitgeverij Verloren in samenwerking met het Stadsarchief (nu Regionaal Archief) Dordrecht. Het zijn drie kloeke, fraai uitgevoerde en geïllustreerde naslagwerken, gebaseerd op degelijk onderzoek door een uitgebreide groep deskundigen. Wel kleeft aan met name deel 2 en 3 het nadeel dat zij nogal rommelig van opzet zijn. Ook zijn er inmiddels 24 jaar verstreken sinds het uitkomen van deel drie, waardoor recente ontwikkelingen ontbreken.

Voor wie snel een beeld wil krijgen van de geschiedenis van de stad vormt de Canon van Dordrecht  een handig begin. Deze is in 2020 samengesteld door Jan Willem Boezeman en Ad Bosch van het Historisch Informatiepunt Augustijnenhof en uitgegeven door de Stichting Illustre Dordracum. Dezelfde stichting geeft het e-zine Dordrecht Monumenteel uit, waarop men zich hier gratis kan abonneren. Het e-zine publiceert een wijde variatie van artikelen over de geschiedenis van de oudste stad van Holland.

Een andere aanrader is het tijdschrift van de vereniging Oud-Dordrecht, waarin op gedegen wijze tal van onderwerpen uit de Dordtse geschiedenis worden behandeld. De ware liefhebber wordt uiteraard lid van deze vereniging. Dan krijg je ook het  Jaarboek dat naast oud-Dordrecht verschijnt. Informatie over de vereniging vind je hier.

Een andere ingang is de serie Verhalen van Dordrecht, die wordt uitgegeven door de Stichting Historisch Platform Dordrecht. Het zijn boekjes van ongeveer 6000 woorden over Dordtse onderwerpen, waaronder nogal wat historische. Voordeel is dat je je snel op een onderwerp kunt inlezen. In veel gevallen vormen ze een goed startpunt voor verdere verdieping. Nadeel is de wisselende kwaliteit. Met name deel 43 over het Dordtse slavernijverleden vind ik onder de maat, dat kun je hier lezen. Nummer 44 (over Jacoba van Beieren en het beleg van Dordrecht) stuitte op vernietigende kritiek door de mediëvist Henk 't Jong (zie hier). Over het algemeen is de kwaliteit echter goed. De prijs is zeer aantrekkelijk, nog geen vijf euro per deel.

Ben je op zoek naar Dordtse, historische figuren, dan is het Dordts Biografisch Woordenboek, dat hier in te zien is, bijzonder handig. Er wordt nog steeds aan dit digitale woordenboek gewerkt.


Verder heb ik nog enkele leestips:


Luc Panhuysen - De Ware Vrijheid. De levens van Johan en Cornelis de Witt. Amsterdam 2005.

Henk 't Jong - De oudste stad van Dordrecht. Opkomst en verval van Dordrecht 1000-1421. Utrecht 2020. 

Jan Willem Boezeman - Geraffineerd Dordrecht. Het koloniale en slavernijverleden van de oudste stad van Holland. Dordrecht 2023.

Frits Baarda - Dwars door Dordrecht. Zes zwerftochten door heden en verleden. Dordrecht 2010.

Kees Weltevreden (red.) Dordtenaren onder Napoleon. Aspecten van het dagelijks leven tijdens de inlijving en de bevochten vrijheid 1810-1815. Dordrecht 2015.


Oudere standaardwerken:


C.J.P. Lips - Wandelingen door Oud-Dordrecht, deel 1 en II. Zaltbommel 1974.

J.L van Dalen - Geschiedenis van Dordrecht, deel I en II. Dordrecht 1931-1933.

Matthijs Balen - Beschryvinge der Stad Dordrecht. Deel I en II. Dordrecht 1677.


Al deze werken zijn in de Openbare Bibliotheek, de bibliotheek van het Regionaal Archief Dordrecht en bij het Augustijnenhof te raadplegen.


Foto: auteur




zondag 9 juni 2024

Verstrekkende gevolgen




Lezend in Zomervogels van Hans Erkens kreeg ik een sterke aanvechting om af te reizen naar Frankrijk, waar een groot deel van het verhaal zich afspeelt. Erkens is goed in het beschrijven van het decor van zijn verhaal en niet alleen daarin. Op indringende wijze laat hij zijn hoofdpersonen hun verhaal doen, waardoor het een boek is met een steeds wisselend vertelperspectief. Dat zorgt voor een levendig verhaal met een aantal spannende cliff hangers.

We zijn geneigd romans een etiket mee te geven. Ik vroeg me even af: wat voor boek lees ik? Een liefdesverhaal, een thriller, een document humaine? Je kunt, als je dat wil, verschillende kaartjes aan Zomervogels hangen, maar ik ben geen literatuurwetenschapper en eigenlijk interesseert het antwoord op mijn vraag me niet zo veel. Zomervogels is een boek dat gaat om de relatie tussen twee geliefden die ongewild aan veranderingen wordt blootgesteld en wat daarvan de gevolgen zijn. Die gevolgen zijn, zoals de flaptekst ons laat weten, verstrekkend. Verstrekkend en eindigend in een onverwacht drama.

Zomervogels begint en eindigt met een column, waaruit duidelijk wordt waarom deze titel is gekozen. Een bijzondere wijze om een roman 'in te sluiten' om het zo maar te zeggen. Niet geheel toevallig is een van de hoofdfiguren, Frans, journalist en columnist. De andere protagonist, Moon, zijn geliefde, komt uit een streng religieus middenstandsgezin. Tijdens haar universitaire studie ontworstelt zij zich aan de Heere en alles wat daarbij komt kijken. Beiden vinden elkaar in Rotterdam, Erkens geboortestad. Het stel gaat om praktische redenen samenwonen in Utrecht, van waaruit Frans op een gegeven ogenblik naar Frankrijk vertrekt. Moon blijft voorlopig in Nederland en reist hem later achterna. Ondertussen vindt er iets plaats dat bepalend zal zijn voor hun wederzien in het schilderachtige huisje dat het stel in de Dordogne heeft gekocht.

In een vlotte stijl zet Hans Erkens een intrigerende roman neer. Ondanks allerlei onverwachte gebeurtenissen en wendingen blijft het een helder verhaal. Zo'n boek waaraan je begint en dat je per se uit wil lezen voor je met je dagelijkse beslommeringen verder gaat. Het heeft ook nog eens een prachtige omslag, ontworpen door Josefien Egas. Een ontwerp dat je naar zwaluwenzang in Frankrijk doet verlangen.


Hans Erkens, Zomervogels. Avenir Publishing. Dordrecht 2024.


dinsdag 4 juni 2024

Als een razende Europa rond

 



Soms overkomt het me dat ik een roman lees waarin de hoofdpersoon weinig of geen raakvlakken met mij heeft, maar waardoor ik desondanks gefascineerd raak en waarmee ik mij ook kan identificeren. Zelfs als deze persoon muziekstijlen prefereert die geheel de mijne niet zijn en een leven leidt dat haaks staat op mijn nogal honkvaste bestaan. Zo'n roman is Solitaire bomen van Leen Raats.


Solitaire bomen, zegt Raats, zijn bomen die zo diep zijn geworteld, dat ze de bescherming van het bos niet nodig hebben. Ze redden zichzelf wel. Hoofdpersoon Gina is zo iemand die zichzelf wel redt. Ze leidt, zacht gezegd, een nogal onrustig en turbulent bestaan. Ze pakt om de haverklap haar biezen en verdwijnt. Kraakpanden en liefhebbers van heavy metal vormen grotendeels haar wereld, al is ze niet te beroerd om zonodig ook haar intrek in een een hotel te nemen. Niet echt de levensstijl van een boom, die, zeker diep geworteld, rust en vastigheid symboliseert. Dat de titel toch uitstekend gekozen is, wordt duidelijk aan het einde van de roman. Raats typeert Gina ook als een solitaire wolf die voor haar soortgenoten het terrein verkent. Eveneens raak omdat haar avontuur, aanvankelijk naar Noorwegen, haar naar de meest onverwachte plekken in Europa voert.

Ze is niet de enige solitaire wolf of boom. In Noorwegen ontmoet ze Maya, op reis vanuit Australië, een vrouw met een eigen verhaal dat haar naar Europa bracht. In wat enigszins lijkt op een road novel, zoals On the road van Jack Kerouac, doen Gina en Maya een aantal bijzondere en avontuurlijke ervaringen op, die hun weerslag hebben op hoe zij in het leven staan. Daarbij weet Leen Raats vaart en spanning in het boek te houden. Het cliché 'het leest als een trein' is hier zeker op zijn plaats, als een sneltrein, zou ik zeggen. 

Leen Raats toont zich een vaardig, bij vlagen briljant, vertelster. Daarom begrijp ik niet dat ik nauwelijks een recensie van het boek ben tegengekomen, laat staan in een serieus week- of dagblad. Misschien vanwege het akelige feit dat je bij een grote, bekende uitgeverij moet zitten om door de kritiek serieus te worden genomen. Dit lot gold ook Leens eerste roman, het evenzeer fascinerende De schade beperken, ook een boek over twee bijzondere, zeg maar rebelse, vriendinnen. 

Wie kennis wil nemen van een bijzonder getalenteerd schrijfster (en bovendien ook prijswinnende dichteres), die je meeneemt in een opwindende wereld die je wellicht nog niet kent, raad ik beslist de boeken van Leen Raats aan. Ik kijk reikhalzend uit naar haar volgende roman of bundel korte verhalen, want ook in dat genre is zij een meester. Daarvan getuigt haar bundel 'flitsverhalen' Barst, die in 2015 bij uitgeverij Liverse verscheen.


Leen Raats, Solitaire bomen. Roman. Beefcake Publishing 2023.


zondag 21 januari 2024

Weg met Cees!




Wie maakt uit hoe een auteur zich mag noemen? De auteur zelf of de medewerkers van de Koninklijke Bibliotheek (KB) in Den Haag? Het logische en enig mogelijke antwoord is uiteraard de auteur zelf, maar daar denken ze bij de KB heel anders over. Daar pretendeert men te mogen bepalen hoe jij je als schrijver noemt.


Ik kom hierop via het eeuwigdurend misverstand over hoe de voornaam van de bekende, Dordtse dichter C. Buddingh’ (1918-1985) moet worden geschreven. Als Kees, volgens Buddingh’ zelf, die dat naar mij dunkt toch het beste wist. Toch kom je hem op talloze plaatsen tegen als Cees. Aan die voornaam had Buddingh’ een hekel, aldus zijn biograaf Wim Huijser, die dat uit de mond van Buddingh’ zelf heeft vernomen, evenals ik, want ik heb Buddingh’, met wie ik vanaf 1969 tot aan zijn dood bevriend was, goed gekend.


Zelf schrijft hij op een aantal plaatsen in zijn dagboeken negatief over het verkeerd spellen van zijn voornaam. Ik citeer:


Een heleboel mensen kunnen, vreemd genoeg, niet tegen initialen in een schrijversnaam. Dat je als C. Buddingh’ publiceert nemen ze – bewust of onbewust – ergens niet: die ‘C’ moet en zal een naam worden – en zo prijk je, zonder dat je het zelf wilt – ja, terwijl je het zelfs helemaal niet wilt – op de meest uiteenlopende plaatsen als ‘ Cees’, een voornaam die ik zelf wel als laatste zou uitkiezen.
(En in een mum is het avond, blz. 231, 10-01-1973).


Gisteren kwam ik een stukje tegen op Linkedin van Buddingh’-biograaf Wim Huijser, die het was opgevallen dat in de landelijke catalogus van de bibliotheken overal Cees Buddingh’ staat, terwijl Buddingh’ altijd publiceerde onder de naam C. Buddingh’. Dus niet als Kees en al helemaal niet als Cees. Op Huijsers verzoek een en ander recht te zetten kwam de reactie dat dat te maken had met ‘internationale regels’. Een smoes van heb ik jou daar als je het mij vraagt. Boven het stuk van Huijser staat naar mijn mening terecht ‘KB verschuilt onkunde achter internationale afspraken’. Hij kreeg op zijn verzoek tot correctie van de naam onder meer deze reactie van een medewerker van de KB:


Mijn collega’s die hier over gaan geven aan dat er werk verschenen (sic) van hem onder verschillende namen, en deze zijn allemaal opgenomen als naamsvariant. Maar dat er internationale regels zijn waar wij als KB ons aan houden. Die internationale beschrijfregels en het consequente gebruik daarvan zijn voor de KB het belangrijkst. En die dicteren dat we de naam als Cees Buddingh’ invoeren en publiceren. Mijn collega’s geven aan dat ze bij deze invoer en dit standpunt blijven.


Het is een dom en respectloos antwoord en vanwege dat ‘aangeven’ nog in slecht Nederlands ook. Dom omdat op alle boeken van Buddingh’ (behoudens misschien wat roofdrukken) de naam C. Buddingh’ staat, dom omdat volgens de uitspraakregels van het Nederlands de korte vormen van Cornelis Cor en Kees zijn. Met een K, want Cees dien je uit te spreken als Sees. Respectloos omdat hier het recht van een schrijver zichzelf te spellen zoals hij dat wil, met voeten wordt getreden.


Waar ik helemaal niets van begrijp is dat de nabestaanden van Buddingh’ Cees op zijn grafsteen op de Essenhof hebben laten zetten, maar dit terzijde.


Laten we eindelijk eens ophouden met de nagedachtenis van C. Buddingh’ te onteren door steeds maar weer met die foute Cees op de proppen te komen. Onlangs ook weer in een Dordtse krant. Ik moest er even diep van zuchten.


Foto: auteur