woensdag 17 april 2019

Thessaloniki: van Balkanmetropool tot regionale hoofdstad


Ik herinner mij mijn eerste kennismaking met Thessaloniki, in oktober 1987. Ik arriveerde in een stad die ogenschijnlijk in voortdurende chaos verkeerde. Vooral door het razende verkeer, maar ook door de rommelige indruk die de straten maakten. Auto's die op de meest willekeurige wijze waren geparkeerd, waar mogelijk op de trottoirs, overal te pas en te onpas achtergelaten scooters en motoren, evenals te vaak uitpuilende vuilcontainers, alsof iemand ze er zomaar had neergesmeten, tussen grauwe, ontsierende hoogbouw. Naarmate ik de stad leerde kennen en vooral haar vriendelijker aspecten, bleek het allemaal wel mee te vallen en nu vind ik Thessaloniki overwegend een prettige stad om in te verblijven, maar zij leek in niets op wat ik ervan in afbeeldingen had gezien. Thessaloniki heeft in de twintigste eeuw een ware metamorfose ondergaan. In dit artikel probeer ik uit te leggen wat daarvan de oorzaken zijn.

Zoals het was

Er bestaat een prentbriefkaart uit 1917 van de Nikis-boulevard, waarop men een groepje heren, waarvan een in uniform, kalmpjes over de kade ziet kuieren. Er liggen wat kaïks, zeilschepen van bescheiden formaat, afgemeerd. Langs de neoklassieke villa’s, waarvan er geen enkele meer dan drie verdiepingen telt, glijdt een elektrische tram en van de andere kant komt welgeteld één auto aangereden. Alles ademt rust en vrede. Aan vrijwel niets, behalve misschien dat uniform, maar dat zou net zo goed van een postbode kunnen zijn, is te merken dat we midden in een wereldoorlog zitten, waarvan vooral de nasleep, in dit geval de Grieks-Turkse oorlog (1919-1923), voor de stad grote gevolgen zou hebben. De kuierende heren hebben uiteraard nog geen enkel vermoeden van de ramp die Thessaloniki later dat jaar zal treffen.
Een even vredige sfeer ademt een tekening van Edward Lear uit het midden van de 19e eeuw. Vanaf de hooggelegen citadel schetst hij een panoramisch beeld van een charmante, oosterse stad met koepels en minaretten, waartussen vele cipressen omhoog steken. Het blauwwazige bergmassief aan de overzijde van de baai is de Olympus, die op heldere dagen vanuit de stad te zien is als herinnering aan andere tijden.
Uiteraard zijn die plaatjes bedrieglijk. Lears verbeelding, die te vinden is in het in 2004 verschenen Salonica City of Ghosts, van de Engelsman Mark Mazower, is wel erg romantisch. In het boek staat ook een foto van de Nikis uit dezelfde tijd als bovengenoemde kaart. Daarop krioelt het van de mensen, die vooral samendrommen om een tentoongesteld Duits militair vliegtuig. Behalve de tram zien we ambulances en vrachtwagens van het leger. Wel staan de villa’s er hier ook nog ongeschonden bij en van enige hoogbouw is nog geen sprake.
Tot zover is er weinig bijzonders aan de hand. Dat steden onder invloed van de tijd van uiterlijk veranderen is even natuurlijk als bij de mens. Niemand van ons is op zijn vijftigste meer de fleurige jongeling die hij eens was. Het bijzondere van Thessaloniki is daarom niet dat het vrijwel onherkenbaar veranderde. Het bijzondere is de manier waarop dat in zijn werk ging.

Factoren

Minstens zes factoren hebben bijgedragen tot de metamorfose van Thessaloniki in de 20e eeuw:
- de verovering door de Grieken in de Balkanoorlogen (1912-1913)
- de grote stadsbrand van 1917
- de bevolkingsuitwisseling tussen Griekenland en Turkije (1923)
- de Duitse bezetting (1941-1944)
- de burgeroorlog (1946-1949)
- de economische ontwikkelingen vanaf 1960

Al deze factoren worden uitgebreid door Mazower behandeld, behalve de laatste, want zijn boek, waarvan ook een Nederlandse vertaling is uitgekomen, gaat niet verder dan 1950. Van de tragische geschiedenis van de Joden van Thessaloniki, die tot na de Eerste Wereldoorlog de grootste bevolkingsgroep vormden, kan men niet alleen kennisnemen bij Mazower. In het voorjaar van 2005 verscheen de bloemlezing Gioconda, de Joden van Thessaloniki in de Griekse literatuur. De stukken die samensteller Hero Hokwerda hier heeft verzameld geven een goed beeld van het Joodse leven en lijden in de stad en vooral van dat laatste.

De Balkanoorlogen

Thessaloniki werd tijdens Eerste Balkanoorlog (1912) ingenomen door het Griekse leger, na een nek-aan-nek-race tegen de eveneens snel oprukkende Bulgaren. Tijdens de Tweede Balkanoorlog (1913) werd Bulgarije, dat van bondgenoot in vijand was veranderd, verslagen. Bij het Verdrag van Boekarest (1913) werd Grieks-Macedonië en daarmee Thessaloniki onderdeel van Griekenland waarmee een einde kwam aan bijna vijf eeuwen Osmaans bestuur. In Griekenland spreekt men van de 'bevrijding' van Thessaloniki, ten onrechte, omdat de stad nooit eerder deel uitmaakte van de moderne Griekse staat. De these van de historicus Konstantinos Paparrigopoulos (1815-1891), als zou er een continuïteit zijn vanaf de Oudheid, via Byzantium naar het moderne Griekenland is historisch aanvechtbaar, maar het gaat te ver hier te veel in detail te treden. De komst van de Grieken betekende het begin van de vergrieksing van de stad, of wellicht is hergrieksing een betere term. De Macedonische heerser Kassandros stichtte Thessaloniki in 315 v. Chr. en noemde de stad naar zijn vrouw, een halfzuster van Alexander de Grote. Zoals bekend spraken de Macedoniërs een Dorisch-Grieks dialect. Sindsdien is het Grieks nooit uit Thessaloniki verdwenen. Door de eeuwen heen hebben er Grieken gewoond, al vormden zij lange tijd een minderheid, als gevolg van de Osmaanse verovering (1430) en grootschalige immigratie van Joden uit Spanje en Portugal in de loop van de 15e eeuw. In 1912 bestond de bevolking voornamelijk uit Joden, Turken, Grieken en Bulgaren, met daarnaast nog een handvol minderheden van de Balkan. 
Griekse ambtenaren vervingen de Osmaanse bureaucratie en gingen de stad besturen. Op straat werd de orde gehandhaafd door de aanvankelijk vooral uit Kretenzers bestaande Griekse gendarmerie. Het Griekstalig onderwijs werd sterk uitgebreid, vooral met leerkrachten uit de Peloponnesus, want het Grieks werd de enige officiële taal. Zonder kennis van die taal werd het leven een stuk moeilijker. We zien dan ook dat anderstaligen zich gingen aanpassen.
Dat gold in de eerste plaats voor de Joodse gemeenschap. Deze sprak nog grotendeels een eigen Spaans-joods (Sefardisch) dialect, het zogenaamde Ladino. Nu begonnen de Joden zich ook voor het dagelijks gebruik van het Grieks te bedienen. Dat betekende een langzame achteruitgang van het Ladino, tot de taal vrijwel helemaal uit de stad verdween met de deportatie van het overgrote deel van de Joodse gemeenschap tijdens de Duitse bezetting. De 'vrijwillige' bevolkingsuitwisseling tussen Griekenland en Bulgarije, in 1919, had tot gevolg dat de Bulgaren vrijwel allen wegtrokken uit Thessaloniki. Het Verdrag van Lausanne (1923) betekende een verdere stap op weg naar demografische homogenisering, zoals we nog zullen zien.

De fatale brand

Op 18 augustus 1917 brak er brand uit in de Turkse wijk, de Ano Polis (bovenstad). Wat aanvankelijk een eenvoudig brandje leek, veranderde al snel in een verzengende vuurzee, na het opsteken van de Vardaris, de noordenwind die in normale gevallen 's zomers wat verkoeling brengt. De met volkomen ontoereikende middelen uitgeruste brandweer en de te hulp geschoten Geallieerde troepen (sinds 1915 nabij de stad gelegerd), konden slecht uit de voeten in de nauwe straten, die meer en meer verstopt raakten met vluchtende inwoners. Al snel bleek blussen een hopeloze zaak. Het feit dat veel huizen nog van hout waren of houten gevels hadden, droeg naast de Vardaris bij aan een snelle verbreiding van het vuur, dat bijna drie dagen brandde en ongeveer driekwart van de stad in de as legde. Slechts het zuidoostelijke deel bleef gespaard. Het inferno had grote gevolgen.
Allereerst was er de enorme materiële schade en raakten ongeveer 73.000 mensen dakloos. Toonaangevende panden en monumenten als de Agios Dimitrios, de Osmaanse Bank, het Belgische consulaat, alsmede een enorme reeks winkels, cafées, restaurants, hotels en het hoofdkwartier van de Britse troepen werden in de as gelegd. Met behulp van de Geallieerden werden de getroffenen voorlopig zo goed en zo kwaad als het ging in tenten ondergebracht. Een klein aantal vertrok om onderdak te zoeken bij familie in andere plaatsen. Voor een handvol, met name arme Joden, was de brand aanleiding om te emigreren, ondermeer naar de VS.
Zaak was de herbouw van de stad zo snel mogelijk ter hand te nemen. Het negentiende eeuwse karakter van Thessaloniki, met de sterk oriëntaalse inslag, ging voorgoed verloren. Eerste minister Venizelos vond de dichtbevolkte stad onhygiënisch en beschouwde de brand welhaast als een geschenk uit de hemel. Ook meende hij dat het Osmaanse karakter onwaardig was voor de moderne, progressieve staat, die hem voor ogen stond. De overheid wilde daarom de gelegenheid aangrijpen Thessaloniki als symbool van het Griekse modernisme te herbouwen.
Besloten werd het afgebrande gebied tijdelijk te onteigenen en opnieuw op te bouwen volgens een plan dat moest worden opgesteld door een commissie van Griekse en buitenlandse experts. Een dergelijke commissie werd al snel gevormd, aanvankelijk onder leiding van de Britse landschapsarchitect Thomas Mawson, die later werd vervangen door de Franse architect Ernst Hebrard. Al negen maanden later presenteerde de commissie haar plan, dat het aanzien van de stad grondig wilde veranderen. Het centrum zou vooral een bestuurlijk en zakelijk karakter krijgen en minder dat van een woonomgeving. Daarvoor waren de omliggende buurten en de buitenwijken bedoeld. Bij de haven zou een nieuwe, industriële zone moeten worden geschapen en buiten de oostelijke stadsmuur moest een universiteit verrijzen. Straten zouden worden verbreed en volgens een rechthoekig patroon aangelegd.
Het plan stuitte onmiddellijk op bezwaren, vooral vanuit de Joodse gemeenschap, waarvan de leiders vreesden dat het vooral bedoeld was om de Joden uit het stadscentrum, waar zij voor de brand voornamelijk woonden, te verdrijven. Dit werd nadrukkelijk door de Griekse regering ontkend. Ook was niet duidelijk hoe het verder moest met de dakloos geworden centrumbewoners, die voorlopig schadeloos werden gesteld met waardecertificaten waarmee zij konden bieden op kavels, als de herbouw zou starten. Het zag er in elk geval naar uit dat velen, vooral armere inwoners, niet in het centrum zouden terugkeren. Dat het plan, dat nooit in zijn originele vorm is uitgevoerd, geen anti-Joodse opzet had, bewijst het feit dat Joden die kapitaal in de nieuwe opzet van de stad wilden investeren niets in de weg werd gelegd. Veel rijkere Joden investeerden uiteindelijk in de herbouw, waaraan wij mede de markt van Modiano hebben te danken.
Al spoedig bleek het nogal ambitieuze plan niet te stroken met de realiteit en werd het keer op keer aangepast, als gevolg van druk op de regering door allerlei belanghebbenden, en vooral door beperkte financiële mogelijkheden. Daardoor vond de herbouw tenslotte plaats op grond van een sterk verwaterde versie van het oorspronkelijke plan, met als resultaat dat er gebouwd werd, in de woorden van Mark Mazower, 'in een verbijsterende variëteit van stijlen.' Wel werd het stratenpatroon in de benedenstad vrijwel volgens het originele plan aangelegd. Buiten het centrum was dat maar zeer gedeeltelijk het geval. Daardoor heeft de Ano Polis waarvan een deel onder de brandgrens ligt, haar originele stratenpatroon goeddeels behouden.
Onduidelijk is waar de ramp precies begon en hoe hij werd veroorzaakt. Men vermoed dat de brandhaard is ontstaan nabij de kruising tussen de Olympou en de Ion Dragoumi, in de buurt van de overdekte, Turkse markt. De oorzaak heeft men nooit kunnen achterhalen. Hoewel er kort na de brand allerlei geruchten gingen dat hij op diverse plaatsen zou zijn aangestoken, is daar nooit enig bewijs voor gevonden. Het vermoeden is dat het een ongeluk was met een petroleumstel, zulke ongelukken kwamen wel vaker voor, maar zekerheid daarover hebben we niet.

De Grieks-Turkse oorlog

De belangrijkste drijfveer van de Griekse buitenlandse politiek gedurende de 19e en vroege 20e eeuw, was de Megali Idea. Deze gedachte hield kort gezegd het streven in om alle gebieden in de regio waar zich in het verleden Grieken hadden gevestigd, in te lijven bij een Groot-Griekenland, dat de reïncarnatie van het Byzantijnse rijk zou zijn. De hoofdstad van dit rijk moest het in 1453 aan de Osmanen verloren gegane Constantinopel worden.
In 1919 eiste Griekenland op de Parijse vredesconferentie officieel Smyrna en omstreken op, maar nog tijdens de vredesbesprekingen, bezetten Italiaanse troepen het gebied rond Antalya. Een eigenmachtig optreden dat niet alleen de Grieken verontrustte, maar bij de Engelsen, Fransen en Amerikanen in het verkeerde keelgat schoot. Zij gaven Athene daarom toestemming voorlopig een legermacht naar Smyrna te sturen.
De eerste Griekse troepen landden op 15 mei 1919. Zij werden enthousiast ontvangen door de christelijke (Griekse en Armeense) inwoners. De Turken waren minder blij met de komst van de Grieken. Vrijwel onmiddellijk braken er gevechten uit, waarbij zo'n 350 Turkse burgers het leven verloren. Daarmee was de toon gezet voor het drama dat zich in de daarop volgende drie jaar zou voltrekken.
In het binnenland van Anatolië was inmiddels onder leiding van de, in Thessaloniki geboren, officier Mustafa Kemal een krachtige nationalistische beweging gegroeid. Deze kreeg spoedig grote delen van het land in handen. Het was tegen deze nationalisten, die vastbesloten waren om een verdeling van Anatolië te voorkomen, dat de Grieken het moesten opnemen. Daarvoor was de steun van de Geallieerden nodig, maar deze lieten Griekenland een voor een in de steek, op Engeland na, zo dacht men in Athene.
Desondanks begonnen de Grieken in maart 1921 een groot offensief, dat hen tot op veertig kilometer van Ankara, Kemals hoofdkwartier, bracht. Daar liep het front vast. De Grieken hadden zich in een uiterst precaire situatie gemanoeuvreerd. De aanvoerlijnen waren veel te lang en kwetsbaar geworden en Engeland had hen inmiddels ook in de steek gelaten: alle mooie en bemoedigende woorden van de Britse premier Lloyd George ten spijt, verklaarde Londen zich, net als de andere Geallieerden, uiteindelijk strikt neutraal in het conflict.
Op 26 augustus 1922 begonnen de Turken aan een tegenoffensief. Het Griekse front stortte als een kaartenhuis ineen. Op de avond van 9 september braken in de Griekse en Armeense wijken van Smyrna branden uit. Van het Griekse leger was geen spoor meer te bekennen. Onder de neus van een werkeloos toekijkende geallieerde vloot werden zo'n 30.000 Grieken en Armeniërs door Turkse militairen afgeslacht. De Megali Idea ging letterlijk in rook op. Deze gebeurtenis staat in Griekenland bekend als de Grote Catastrofe.
De oorlog werd bezegeld met het verdrag van Lausanne. Daarin werd ondermeer bepaald dat alle Grieks-orthodoxen uit Turkije en alle islamieten uit Griekenland dienden te vertrekken. Er werden alleen uitzonderingen gemaakt voor de islamieten van West-Thracië en de Grieks-orthodoxen van Constantinopel, Tenedos en Imbroz. Naar schatting 1,2 miljoen Grieken kwamen daardoor naar Griekenland, terwijl een kleine 400.000 Turken in tegenovergestelde richting vertrokken. Uitgaande van het Osmaanse millet-systeem werden alle Grieks-orthodoxen als Grieken en alle moslims als Turken beschouwd. Dat had ondermeer tot gevolg dat de kleurrijke groep van de Dönmes, tot de islam bekeerde Joden, uit Thessaloniki moest vertrekken. Tegelijkertijd begon er vanuit de Joodse bevolkingsgroep een migratiebeweging op gang te komen, richting Palestina, Frankrijk en de VS.
Een aanzienlijk deel van de vluchtelingen werd in Thessaloniki, Grieks-Macedonië en Thracië gehuisvest, omdat het voor Athene van groot belang was het Griekse karakter van Noord-Griekenland te benadrukken. Voor de stad, nog niet bekomen van de grote brand, betekende de toevloed van mensen een enorm probleem. Er moest snel onderdak komen voor nog een grote groep ontheemden. Dat had tot gevolg dat de buitenwijken in rap tempo begonnen te groeien. Nieuwbouw daar vond echter zonder veel planning en overleg plaats.

Bezetting en burgeroorlog

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Griekenland bezet door Duitsland en zijn Italiaanse en Bulgaarse bondgenoten. De haven van Thessaloniki was voor de Duitsers te belangrijk om aan de bondgenoten over te laten. Voor de Joodse gemeenschap, die na 1912 van ongeveer 90.000 was teruggelopen tot bijna 50.000 mensen, was de bezetting een ramp. In 1943 werden vrijwel alle Joden naar Auschwitz gedeporteerd en daar vermoord. Slechts zo’n 5% wist, geholpen door Griekse stadgenoten, te ontkomen. Van de slachtoffers keerden slechts een kleine 2000 terug. Tijdens de oorlog waren nog eens tienduizenden vluchtelingen naar de stad gekomen, waarvan het grootste deel op de vlucht was geslagen voor het extreem harde bezettingsregiem van de Bulgaren in oostelijk Macedonië en West-Thracië.
Vanwege zijn bergachtige terrein leende Griekenland zich uitstekend voor gewapend verzet door middel van een guerrilla tegen de bezetters. Vele Grieken trokken 'naar de bergen', zoals het bij het verzet gaan, werd genoemd. Het Griekse verzet werd met wapens gesteund door de Geallieerden en met adviseurs, maar het probleem was dat er, net als in de Griekse samenleving, grote onderlinge verdeeldheid heerste. De leden van de veruit grootste verzetsbeweging, de links georiënteerde ELAS, met de EAM als haar gewapende arm, waren weliswaar niet allemaal communist, maar de communisten domineerden de beweging wel. Dat kwam omdat de Griekse communistische partij (KKE) al voor de oorlog werd verboden en daardoor al vanaf het begin beschikte over een ondergronds netwerk. De ELAS was vooral groot in het noorden van Griekenland. De andere verzetsbewegingen, waarvan EDES en EKKA de belangrijkste waren, hadden een rechtse signatuur. Zelden werkten de bewegingen samen, diverse malen kwam het tot een gewapend treffen onderling. Een uitzondering vormde de aanslag bij Gorgopotamos in november 1942, toen EAM en EDES onder zware druk van de Engelsen samenwerkten om het belangrijke spoorwegviaduct daar te vernietigen.
Na de aftocht van de Duitsers en de terugkeer van de Griekse regering uit haar ballingschap in Cairo, ontstonden conflicten over de ontwapening van de verzetsbewegingen en hun opname in het reguliere leger. In december 1944 raakten Engelse troepen in Athene slaags met leden van de EAM-ELAS, wat leidde tot een bloedbad, waarna de spanningen onderling tussen links en rechts almaar toenamen, ondanks een te Varkiza gesloten akkoord. Toen de regering, tegen de zin van de KKE een referendum organiseerde over de terugkeer van de koning, was dat de druppel die de emmer deed overlopen en trokken veel voormalige EAM strijders opnieuw de bergen van Noord-Griekenland in. Daar woedde vanaf 1946 tot 1949 een bloedige burgeroorlog, die eindigde met een nederlaag van het anti-royalistische en voornamelijk door communisten geleide DSE (Democratische Leger van Griekenland).
Door de burgeroorlog zou het vluchtelingenprobleem en daarmee de wildgroei in de buitenwijken nog groter worden. Hij veroorzaakte opnieuw een grote trek naar steden als Thessaloniki, dit keer van plattelandsbewoners die de strijd ontvluchtten. Een aanzienlijk deel van deze nieuwkomers zou niet meer weggaan. Gevolg was dat de stad langzamerhand als een olievlek over haar grenzen begon te vloeien.

Ontwikkelingen vanaf de jaren zestig

Het aantrekken van de economie vanaf de jaren zestig betekende nogmaals een krachtige bevolkingsgroei. Met name aan de westzijde van de stad was sprake van een aanzienlijke industrialisatie, terwijl de haven profiteerde van de sterk verbeterende relaties met Joegoslavië. De toetreding van Griekenland tot de EU, toen nog Europese Economische Gemeenschap geheten, in 1981, zeven jaar na het bizarre intermezzo van het fascistische kolonelsregime, versterkte de positie van Thessaloniki als toegangspoort tot de Balkan. Dat alles had een aanzuigende werking. In snel tempo veranderde daardoor ook het beeld van de stad. De nieuwbouw vanaf die jaren kenmerkt zich door vergaande smakeloosheid. Op winst beluste projectontwikkelaars sloopten en bouwden dat het een lieve lust was. In snel tempo rezen eenvormige, wanstaltige betonkolossen op, die de charmante Byzantijnse monumenten niet zelden letterlijk overschaduwden.

Blunder

Een van de grootste blunders van het stadsbestuur in de jaren zestig was het opbreken van de tramlijnen om deze vorm van openbaar vervoer te vervangen door busvervoer, waarvoor de OAST het monopolie kreeg. Ook de diverse bootverbindingen met de randgemeenten werden opgedoekt en vervangen door bussen. Hoewel het busvervoer nog steeds relatief goedkoop is, is het systeem door de snelle groei van de stadsbevolking en de altijd ontoereikende middelen tot onderhoud van het materiaal, al decennia lang inadequaat. Met name in de zomermaanden, als de temperaturen kunnen stijgen tot boven de veertig graden, is reizen in de vaak overvolle bussen een crime. In de meeste bussen is wel luchtkoeling ingebouwd, maar vrijwel altijd zijn er passagiers die gewoontegetrouw de ramen openzetten, waardoor de airco niet meer werkt. Het aantal inwoners van het sub-tropische Griekenland dat kennelijk niet op de hoogte is van hoe een luchtkoeling werkt, roept bij mij steeds weer verbijstering op. Persoonlijk geef ik dan ook de voorkeur aan een van de talloze taxi's, maar dat kan niet iedere inwoner zich veroorloven, zeker niet in de huidige crisistijd.

Verstikt door auto's

De toenemende welvaart bracht ook de automobiel de stad in, wat leidde tot een kolossaal parkeerprobleem, dat tot op heden niet is opgelost. Omdat er in het centrum evenveel gewoond als gewerkt wordt en meerdere auto’s per gezin normaal zijn, althans tot voor de economische crisis in 2009 uitbrak, is de binnenstad chronisch verstopt en verstikt door blik. Het parkeerprobleem wordt vaak nog verergerd door het onverbeterlijke parkeergedrag van de Grieken. Je zet je auto bij voorkeur niet neer waar het kan, maar zo dicht mogelijk bij waar je moet zijn. Er bestaat ook een voorkeur voor het parkeren op het trottoir of, als het voorhanden is, op een fietspad. De schaarse fietspaden, die in recente jaren zijn aangelegd, zijn daardoor voor een deel onbruikbaar geworden voor fietsers. Een gewone voetganger kan zich meestal nog wel langs het stilstaande blik wurmen, maar je moet niet afhankelijk zijn van een rolstoel of rollator, dan heb je domweg pech.

Metro

Om het openbaar vervoer te verbeteren en het gebruik van de particuliere auto te ontmoedigen (het dertiende werk van Herakles) werd besloten tot de aanleg van een metrolijn, voorlopig een stukje van 9 kilometer, door het centrum, van het spoorwegstation in oostelijke richting naar Nea Helvetia, die later moet worden doorgetrokken richting Kalamaria. Van een logische doortrekking naar het vliegveld, zoals in Athene, is nog geen sprake, laat staan van een lijn naar buitenwijken als Ano Toumba en Sykies. In 2006, zo'n twintig jaar na de eerste serieuze plannen, werd met de aanleg begonnen en sindsdien stapelt de ene vertraging zich op de andere. Bij het schrijven van dit artikel wordt gefluisterd dat de lijn in 2020 gereed moet zijn, maar de bouw is al zo vaak tijdelijk, maar langdurig, stilgelegd door de in Griekenland almachtige archeologische dienst, omdat men weer op, soms belangrijke, oudheden stuitte, dat er onder de bewoners van Thessaloniki nogal wat scepsis bestaat over de haalbaarheid van deze datum.

Yannis Boutaris

In 2010 leek een frisse, progressieve wind over Thessaloniki te gaan waaien, toen voormalig wijnmaker Yannis Boutaris tot burgemeester werd gekozen. In 2014 volgde zijn herverkiezing. Hij kwam met een flink aantal ambitieuze plannen om van Thessaloniki een leefbaardere stad te maken. In zijn verkiezingscampagne stelde Boutaris ondermeer dat hij het toerisme wilde bevorderen en dan bij voorkeur het eco-toerisme. Ook de geschiedenis van de stad, tweede in het Osmaanse rijk, moet een rol gaan spelen bij het aantrekken van toeristen. Dat betekent aandacht voor het behoud en de restauratie van de Osmaanse monumenten, iets waarmee onder zijn voorgangers al is begonnen. De vriendschapsbanden met Constantinopel werden aangehaald met als resultaat dat Turkish Airlines al een aantal jaren een vliegverbinding tussen Constantinopel en Thessaloniki onderhoudt.
Wat het aantrekken van Israëlische toeristen betreft speelt de historische relatie tussen Thessaloniki en het jodendom een rol. Israël was een van de eerste landen die Boutaris samen met een van zijn loco-burgemeesters, Hasdai Kapon, niet toevallig van Joodse afkomst, in zijn nieuwe functie bezocht. Het streven meer toeristen uit Turkije en Israel te trekken lijkt vruchten af te werpen. Zo worden het Joods Museum in de Agiou Mina, op een steenworp van de markt van Modiano, en het geboortehuis van Ataturk in de Apostolou Pavlou aantoonbaar door meer groepen toeristen bezocht dan voor het aantreden van Boutaris.

Busbanen en waterbussen

Voor zijn aantreden kondigde Boutaris aan het verkeersprobleem betrekkelijk goedkoop te willen aanpakken door de bestaande negen kilometer busbaan uit te breiden tot honderd, door het transport over water in ere te herstellen en door de herintroductie van de tram, waarvoor binnen twee jaar zo'n vijfentwintig kilometer rails zouden moeten worden aangelegd. Een en ander zou zijn beslag moeten krijgen door partnerships tussen overheid en bedrijfsleven. Een deel van de energie voor de nieuwe transportmiddelen zou moeten komen uit zonne-energie, wat op den duur tot een forse kostenbesparing kan leiden. Het plan tot herintroduceren van de waterverbindingen is overigens niet nieuw. Toen Thessaloniki culturele hoofdstad van Europa was, in 1997, werd een soortgelijk voorstel gedaan, compleet met het ontwerp van een aantal aanlegsteigers. Dit ontwerp werd ondermeer tentoongesteld in het Nederlands Architectuurinstituut te Rotterdam, waarna er niets meer van werd vernomen. Dat geld mutatis mutandis ook voor de andere plannen tot verbetering van het openbaar vervoer. Er is nog niet veel van terechtgekomen. Behalve aan verzet uit de hoek van gevestigde belangen, zoals OAST en het taxi-wezen, is dat ook te wijten aan de in 2009 uitgebroken economische crisis, waardoor het gebrek aan financiën dat de speelruimte van Boutaris ernstig beperkt, nog nijpender is geworden. Het handelen van het gemeentebestuur zelf wordt ook beperkt door de hoge mate van centralisatie in Griekenland en de daardoor relatief geringe autonomie van het lokaal bestuur. Zo vallen bijvoorbeeld verschillende delen van de stad niet onder beheer van de gemeente, maar onder diverse ministeries: zoals de haven onder het ministerie van transport en de zeeboulevard voor een groot deel onder dat van defensie.

Tot besluit

Is Thessaloniki door alle problemen een chaotische, onleefbare stad? Chaotisch enigszins, maar onleefbaar zeker niet. Overal schemert nog het oude Thessaloniki door. In de, dankzij zijn geaccidenteerd terrein grotendeels ongeschonden gebleven bovenstad bijvoorbeeld, maar ook op drukke, hoewel rustieke plaatsen als de markt van Modiano en in de buurten daar omheen. Tegen de tijd dat Thessaloniki culturele hoofdstad van Europa werd kreeg men veel meer oog voor behoud van het oude en schilderachtige dan daarvoor. Dat resulteerde in uitgebreide restauraties in de havenbuurt en het centrum rond de monumentale Aristotelesstraat. Bovendien heeft men zelfs op het hoogtepunt van de bouwwoede nog wel enig oog gehad voor het groen in de stad. Veel straten zijn voorzien van bomen en alom vindt men parkjes en plantsoentjes. Dat geeft in mijn ogen een aangenamer sfeer dan in het nog veel meer uit zijn krachten gegroeide Athene, dat grotendeels in een betonwoestijn is veranderd. De aanwezigheid van twee universiteiten (waarvan de Aristotelesuniversiteit de grootste van het land is) en een hogeschool, en dus tienduizenden studenten, zorgt niet alleen voor veel levendigheid, maar eveneens voor een bruisend uitgaansleven. De aanwezigheid van tientallen theaters, bioscopen en concertzalen, alsmede de gunstige ligging aan zee, waardoor een verstikkende luchtvervuiling zoals in Athene niet voorkomt, zijn zaken die ertoe bijdragen dat men zich er bij tijd en wijle buitengewoon prettig kan voelen. Bovendien zijn er in het laatste anderhalve decennium nogal wat immigranten vanuit de Balkan en de voormalige Sovjet-Unie naar de stad gekomen, die daardoor weer een beetje haar kosmopolitische karakter van weleer heeft teruggekregen.
Zoals op de oude afbeeldingen zal het nooit meer worden, maar daarvan hadden we reeds vastgesteld dat ze ook niet echt de realiteit van die dagen weergaven. Het blijft daarom ook oppassen met de nostalgie naar oude tijden die ze soms bij ons oproepen.

Bibliografie

Bogaert, L. van, 1989 "Thessaloniki, een vrouw met een verleden" In: Lychnari, nr. 1, St. Adamantios Koraïs, Amsterdam.
Hatzisavvidis, S., Klok, K. & Timonidou, S. (eds.) 1992, Kruispunt 146. Themanummer over de literatuur en geschiedenis van Thessaloniki. vzw Kruispunt, Brugge.
Hasiotis, I.K. (ed.), 1997, Queen of the Worthy. Thessaloniki, History and Culture. Paratiritis, Thessaloniki.
Hokwerda, H. (ed.), 2005, Gioconda, de Joden van Thessaloniki in de Griekse literatuur. Ta Grammatta, Groningen 2005.
Klok, K. 2012, "Eén jaar Yannis Boutaris: een nieuwe wind over Thessaloniki?' In:Lychnari, nr. 1, p. 26/27 St. Adamantios Koraïs, Amsterdam.
Klok, K., 2013, "De metamorfose van Thessaloniki" In: Balancerend op de rand van Europa. Aspecten van de moderne Griekse geschiedenis en actualiteit. Liverse, Dordrecht.
Mazower, M., 2004, Salonica City of Ghosts. Christians, Muslims and Jews, 1430-1950. HarperCollins, Londen.
Papagianopoulos A. 1982, History of Thessaloniki. John Rekos & Co, Thessaloniki.

------------------------
This article deals with the process in which Salonica (Thessaloniki) changed from a Balkan metropolis and important city of the Ottoman Empire into a Greek city of regional importance from 1912 until the present day. A proces that was directed by the conquest of Salonica by the Greeks (1912), the great fire of 1917, the exchange of peoples after the Treaty of Lausanne (1923), the German occupation (1941-1944), the civil war (1946-1949) and the economic and demographic developments after 1960.

In licht gewijzigde vorm gepubliceerd in Tetradio 27 (jaarboek 2018 van het Griekenlandcentrum, Universiteit Gent).

Foto: auteur