dinsdag 13 april 2021

Jezelf ontplooien in alle vrijheid




Het debuut van Lale Gül heeft nogal wat stof doen opwaaien. Met grote gretigheid hebben de media zich gestort op deze autobiografische roman, die moeiteloos past in de Nederlandse traditie van schrijvers die zich afzetten tegen het milieu waarin ze opgroeiden. Meestal is dat een orthodox gereformeerd milieu, in dit geval een streng islamitisch. Dat laatste verklaart wellicht die opvallende gretigheid. Het komt niet vaak voor dat een vrouw met een dergelijke achtergrond de moed opbrengt een boek te schrijven waarin de worsteling met haar milieu en de drang zich daaruit te bevrijden op weinig verhullende wijze wordt verwoord. De gevolgen daarvan kunnen zeer ingrijpend zijn. Lale is inmiddels door allerlei zeloten en extreem nationalisten bedreigd en woont niet meer thuis.

Ik vind het relaas bij tijd en wijle hartverscheurend en denk dat Lale het in zich heeft om uit te groeien tot een belangrijke schrijfster. Enerzijds leest haar boek als een trein, om maar eens een cliché te gebruiken, anderzijds laat ze soms wel een steekje vallen. Ze komt nu en dan met stevige en behartenswaardige uitspraken, zoals 'Als je religieus bent, ben je geen persoon; je tracht welbewust een soort karikatuur te worden.' Vervang religieus door fundamentalistisch en de spijker wordt op de kop geslagen, maar dat je dat moet doen, toont meteen een zwakheid van het verhaal: er wordt te sterk in veralgemeniseerd. 

Ik heb me laten meeslepen door het verhaal van Büsra, een jonge vrouw die snakt naar bevrijding uit de verstikkende sociale controle en de diep frustrerende opvattingen van de schaamtecultuur waarin ze opgroeit. Sommige passages zijn hilarisch, bijtend kritisch, vooral waar het om de rol van de man, de onderdrukker gaat. Guls kritiek op de domheid, de achterlijkheid waarmee Büsra wordt geconfronteerd, is vlijmscherp, maar tegelijkertijd schildert ze de dingen soms te karikaturaal. Misschien omdat ze zich een goede leerlinge van Multatuli betoont. Bijvoorbeeld in passages waarin zij zich rechtstreeks tot de lezer wendt en wat te denken van 'imam Wawelaar'?

'Weinig zaken snijden dieper dan de ernst van een goede grap,' schrijft ze op bladzijde 15. Het boek is niet gespeend van humor. Haar beschrijving van het dorp van herkomst van Büsra's ouders, die ze consequent de verwekkers noemt, is daar een prachtig voorbeeld van. Aan de andere kant doet Lale het verhaal te kort door slordigheden, onwaarschijnlijkheden en soms overtrokken taalgebruik zoals: 'Ik sta in de keuken linzensoep te componeren...'. Dat is misschien nog niet eens zo onaardig gevonden, maar over Büsra's bibliotheekbezoek schrijven: 'Ik had alle schappen op een gegeven moment uitgespeeld' is iets te gewild. De beschrijving van wat de ontdekking van de bibliotheek voor Büsra betekent, vind ik overigens zeer overtuigend. Minder te spreken ben ik over: 'Het notabele is dat er wijnglazen en luxe wijnflessen van Moêt op tafel staan' en ik hoor de juf van een koranschool echt niet: 'de geleerden divergeren van mening' zeggen. 

De gesprekken van Büsra's medeleerlingen, vwo-ers op Romereis, zijn nogal ongeloofwaardig en van de wijze waarop volgens haar die reis werd georganiseerd (uiteindelijk moesten de leerlingen zelf maar een hotel uitzoeken, een goedkoop vlooienkot met bedwantsen, waaruit de begeleidende docenten terstond vertrokken naar een luxer logies) geloof ik geen woord, maar knap en dodelijk scherp is dan wel weer de manier waarop de hypocrisie van de fundamentalisten aan de kaak wordt gesteld. Het is in die kringen de schijn ophouden van heb ik jou daar. 

Mooi is dat ze haar relaas afsluit met een lang, verhalend gedicht, maar ik heb er toch een beetje moeite mee dat Büsra het uitmaakt met haar geheime, Nederlandse relatie, Freek, en vervolgens wel besluit om voortaan geen hoofddoek meer te dragen, wat een soort bomexplosie in de familie veroorzaakt. 

De essentie van deze roman is dat een dappere, boze, jonge schrijfster er een drama in verwoordt, waarin de hoofdpersoon niet de ruimte wordt gegeven om te doen waarom het, in haar eigen woorden, in het leven draait, namelijk 'jezelf zoeken, jezelf vinden, jezelf zijn en jezelf ontplooien in alle vrijheid.'

Het boek eindigt met 'Wordt (waarschijnlijk) vervolgd.' Ik hoop het.

Lale Gül, Ik ga leven. Prometheus, Amsterdam 2021



dinsdag 12 januari 2021

In het ootje genomen




Eigenlijk verdient het plaatjesboek zonder plaatjes (want die moet de lezer zelf sparen) dat een paar dagen geleden in mijn brievenbus rolde geen enkele aandacht, ware het niet dat de gemeente Dordrecht er veertigduizend euro in heeft gestoken, in het kader van de viering van '800 jaar' Dordrecht. Er is niets mis met aandacht vragen voor de rijke geschiedenis van Dordt, maar wel als dat gebeurt in de vorm van een gedeeltelijk door gemeenschapsgeld gesponsord niemendalletje waarin nogal wat onzin over de geschiedenis van de stad staat. Platitudes en bombastische pocherij rijgen zich aaneen, waardoor de indruk wordt gewekt dat Dordrecht zich nogal als een opscheppertje manifesteert. 

Dat er wat druk- en taalfouten in staan (bijvoorbeeld 'Vrij Statenvergadering', een pand die is gerestaureerd, hoofstraten) ach, dat kan gebeuren. Weinig boeken zijn foutloos, al duidt het wel op een slordige redactie. Wie is die redactie eigenlijk, vroeg ik mij af. In het colofon staat: 


'Tekst- en beeldredactie:

Regionaal Archief Dordrecht, Gemeente Dordrecht, Het Dordt Boek, Ach Lieve Tijd, Dordrecht Marketing'


Geen enkele naam dus van degenen die verantwoordelijk zijn voor de inhoud. Wel het Regionaal Archief, waarvan ik me niet kan voorstellen dat het voor zo'n schaamteloos domme tekst verantwoordelijkheid zou willen nemen. De Gemeente Dordrecht? Hoe dan? Wie dan? Het Dordt Boek? Zouden de auteurs daarvan eigenlijk wel weten dat ze hieraan hebben meegewerkt en zo ja, schamen ze zich dan de ogen niet uit het hoofd? Ach Lieve Tijd? Dat is een interessante verzamelband van katernen over de Dordtse geschiedenis van Uitgeverij Waanders en wat toen nog het Gemeentearchief Dordrecht heette uit de tijd van burgemeester Jan Noorland, die dat ambt van 1985 tot 2000 bekleedde. Hoezo Ach Lieve Tijd? En dan Dordrecht Marketing. Wie van Dordrecht Marketing? Iemand die echt iets meer weet van de stadsgeschiedenis dan wat reclamekreten? Ik krijg enigszins kriebels over mijn rug, dat gebeurt vaker als ik de indruk heb dat ik in het ootje word genomen.

In het colofon staat ook nog dat het 'concept' en de 'productie' in handen waren van Tomorrow, Rotterdam, een bureau dat zich toelegt op lokale promoties. Op hun website vind je het kant en klare concept Verzamel historie van jouw plaats. We weten dus in ieder geval dat de betrokken supermarkten en Dordrecht Marketing het niet zelf hebben verzonnen. Ik ben er niet bij geweest, maar mag ik vrezen dat een enthousiaste amateur van Tomorrow verantwoordelijk is voor de bedroevende inhoud van dit plaatjesboek Dordrecht 800 jaar?


Veertigduizend gemeentelijke euro's, dat is niet niks, dan verwacht je enige kwaliteit, maar wat krijg je? Allereerst de onwaarheid dat Dordrecht in 1220 stadsrechten kreeg van graaf Willem I. Inmiddels is door de Dordtse mediëvist Henk 't Jong overtuigend aangetoond dat het ging om een uitbreiding van al bestaande stadsrechten. Dordrecht is ouder dan 800 jaar, al 1000 geleden was er sprake van bewoning en het was hoogstwaarschijnlijk voor 1200 al een stad.

Ik zou bijna zeggen dat we 'natuurlijk' de foutieve voorstelling tegenkomen van de St. Elizabethsvloed van 1421. Dat er meerdere overstromingen waren en dat er niet in één klap een vloedgolf met duizenden slachtoffers over het land kwam is inmiddels op ruime schaal bekend, maar niet bij de makers van Dordrecht 800 jaar. Gezaghebbende of recente literatuur over de Dordtse geschiedenis (de driedelige Geschiedenis van Dordrecht, de serie Verhalen van Dordrecht, het boek De oudste stad van Holland van Henk 't Jong en de tijdschriften Oud-Dordrecht en Dordrecht Monumenteel) lijkt bij de makers onbekend. Dat is niet erg voor een reclamefoldertje, maar wel als dat in een luxe uitgave met gemeentelijke subsidie is gemaakt.


De makers zijn weinig consequent. Zo wordt ergens geschreven dat Dordrecht sinds 1421 een eiland is. Ergens anders zegt men dan weer dat Dordrecht altijd al een door water omspoeld eiland was. Eerst geen, dan wel en dan altijd een eiland en nog door water omspoeld ook. Toe maar.

Men gaat op thematische wijze door de geschiedenis. Dat is een keuze, maar het maakt de tekst warrig. En slordig. Op bladzijde 10 lezen we 'Sportverenigingen kwamen pas door de toename van de vrije tijd in onze eeuw tot ontwikkeling.'

Pardon, onze eeuw? Het lijkt alsof de makers even in het geschiedenisboekje hebben gekeken dat ze vroeger op de mavo gebruikten en klakkeloos een zinnetje hebben overgeschreven.

Iets natrekken doen ze ook niet. De toren van de Grote Kerk wordt trots schever dan de toren van Pisa genoemd. De Dordtse toren staat volgens de makers maar liefst twee meter uit het lood, 'waardoor deze zelfs schever staat dan de wereldberoemde Toren van Pisa' (blz. 32). Laat die wereldberoemde toren nu ongeveer 4,5 meter uit het lood staan.

Naarmate ik meer doorblader, zie ik meer treurigheid. Jawel, lees ik: 'De rol van Dordrecht in de vorming van de natie is groot' (blz. 29). En dan volgt uiteraard het aanvechtbare verhaal waarin het belang van de eerste 'vrije' statenvergadering nogal wordt overdreven en dat inmiddels door flink wat historici onderuit is gehaald. Op dezelfde bladzijde staat een warrig stuk over het stadsbestuur, waaraan geen touw is vast te knopen en lees ik: 'dat de grafelijkheid de stad in de beginjaren als volledig eigendom bestierde.' Zucht. Ga Henk 't Jongs De dageraad van Holland eens lezen, zou ik zeggen.

Op bladzijde 13 wordt gezegd dat Jan van Brabant in 1418 'de Dordtenaren vijf weken in het nauw' bracht. Ja, maar hij liep daarbij wel een bloedneus op. Een regel later laten ze de Watergeuzen wel de stad veroveren. Althans de tekst leidt tot die foute conclusie. Zo gaat het maar door. Wel de Dordtse Synode noemen (1618/19), maar met geen woord over de Remonstranten reppen. Over de nijverheid in de 17e eeuw schrijven en daarna de scheepswerven van Gips en Schouten noemen, zonder erbij te vermelden dat we het dan toch echt over de 19e eeuw hebben. Oranje Wit opvoeren als 'eerste voetbalvereniging met een levensbeschouwelijke achtergrond' (1925), maar geen woord wijden aan de echt oudste voetbalclub van de stad, DFC, dat is opgericht in 1883. 

Als de aanleg van de hogedrukwaterleiding wordt genoemd, vertel je er natuurlijk niet de belangrijkste aanleiding bij, de voortdurende cholera-epidemieën die in de zomers de stad teisteren. Zo kan ik doorgaan, maar het is wel genoeg. Over de reclamepagina's zwijg ik, het is tenslotte een reclameboekje dat zo snel mogelijk de papierbak in moet. De plaatjes zullen best mooi zijn, maar als ik een goed leesbaar, interessant en van mooie illustraties voorzien boekje over de geschiedenis van Dordrecht wil lezen, dan pak ik de Canon van Dordrecht van het Augustijnenhof wel, een mooie leidraad om je verder in de materie te verdiepen. De gemeente Dordrecht had er beter aan gedaan om die veertigduizend euro te besteden aan het huis-aan-huis verbreiden van dat leuke en nuttige boekje.





maandag 28 december 2020

Grieks-Macedonië museaal




Er wordt weleens gekscherend gezegd dat je in Griekenland maar een spade in de grond hoeft te steken om een archeologische vondst te doen. Dat daar iets inzit, blijkt uit de vele plaatsen waar je archeologische musea vindt. Sommige niet meer dan een huisje vol door elkaar staande vondsten met niet of nauwelijks uitleg, andere buitengewoon professioneel opgezet en uitstekend geoutilleerd. Griekenland heeft veel te bieden op museaal gebied en Thessaloniki en omgeving vormen daar geen uitzondering op. Graag neem ik buitenlandse bezoekers mee naar musea in de stad, zoals het Archeologisch Museum, het Byzantijns Museum, het Macedonisch Museum voor Moderne Kunst of het Joods Historisch Museum, maar er zijn er ook die ik liever mijd. Dat geldt voor het Oorlogsmuseum, maar vooral voor het Museum van de Macedonische Strijd. Dat staat bol van nationalistische heldenverering en er wordt, zacht gezegd, een nogal eenzijdige visie op de geschiedenis uitgedragen. 


Een museum waar ik regelmatig tegenover zit, als ik het mooie, Art Deco-café Prigkipos in de Apostel Paulusstraat bezoek, is het geboortehuis van Mustafa Kemal (beter bekend als Atatürk) naast het Turkse consulaat. Het is de plek waar in 1955 een bomaanslag werd gepleegd, die het begin inluidde van bloedige pogroms in Turkije, gericht tegen de Griekse inwoners van Constantinopel en de eilanden Imbros en Tenedos. Dat had te maken met problemen op Cyprus. Om het geboortehuis van Mustafa Kemal te bezoeken moet je een afspraak maken en op de een of andere manier ben ik daar nog steeds niet toe gekomen. Wel is het inmiddels een trekpleister geworden voor Turkse toeristen die in steeds grotere aantallen Thessaloniki bezoeken. De omliggende horeca speelt daar handig op in met menukaarten en aanbiedingen in het Turks en menige Griekse ober blijkt een aardig woordje Turks te spreken. Als historicus doet het me een beetje denken aan de meertalige, multiculturele stad die Thessaloniki in de Osmaanse tijd (1430-1912) was.


Een heel bijzonder museum vind je op ongeveer een uur rijden van Thessaloniki, in Vergina. Daar werd in 1977, tijdens opgravingen onder leiding van professor Manolis Andronikos van de Aristotelesuniversiteit, een aantal in goede staat verkerende graven ontdekt, waaronder zeer waarschijnlijk dat van koning Philippos II, de vader van Alexander de Grote. Doordat ze vrijwel ongeschonden waren en rijkelijk voorzien van goud- en andere schatten, geldt deze vondst als de belangrijkste in Griekenland, op de opgraving van Mycene door Heinrich Schliemann na. Veel voorwerpen bevonden zich tot 2000 in het Archeologisch Museum van Thessaloniki, maar sinds het gereedkomen van het museum in Vergina, is het meeste nu daar te zien.


Het bijzondere is dat het museum zich onder de, deels herstelde, grafheuvel bevindt waarin de tomben werden ontdekt. Je daalt letterlijk af naar de graven. Vochtigheidsgraad en temperatuur worden door een electronisch systeem geregeld, om met name de kwetsbare muurschilderingen in goede staat te houden. De vernuftige belichting, waardoor je in het halfduister loopt, terwijl de tombes en vitrines zijn uitgelicht, zorgt voor een bijzonder effect. Ik vind het, op het Akropolismuseum na, het mooiste en interessantste, Griekse museum dat ik tot nu toe bezocht. Ga er alleen niet eind april of begin mei, het schoolreisseizoen, naartoe want dan is het onmogelijk druk.

Foto: auteur

Eerder gepubliceerd in het Griekenland Magazine, winter 2019.


vrijdag 30 oktober 2020

Bejubeld & vereerd, verguisd & veracht




'Van Heutsz is de meest omstreden militair uit de Nederlandse geschiedenis,' meldt de flaptekst van de biografie die Vilan van de Loo schreef over J.B. van Heutsz (1851-1924). Het zou zomaar kunnen, al melden zich onder invloed van de discussie over het koloniale verleden van Nederland inmiddels ook wel wat andere kandidaten. Jan Pietersz. Coen, bijvoorbeeld en in een iets recenter verleden kapitein Raymond Westerling. Hoe dan ook, omstreden is Van Heutsz zeker, wat ondermeer mag blijken uit de naamsverandering van het Van Heutsz-monument in Amsterdam, dat tegenwoordig door het leven gaat als Indië-monument.


Zeker in het huidige tijdsgewricht waarin de debat over het koloniaal verleden nogal eens wordt gedomineerd door vooringenomen leken zonder veel kennis van de feitelijke gang van zaken, is het publiceren van een biografie van Van Heutsz een ietwat hachelijke zaak. Vilan van de Loo is er echter in geslaagd tot een evenwichtige beschrijving van het leven van de oud-gouverneur-generaal van Nederlands-Indië te komen. Kritisch waar nodig, instemmend waar mogelijk, waarbij ze nergens doorslaat en de nuances scherp in de gaten houdt. Na de beschrijving van Van Heutsz zijn jeugd, waarin onder meer aandacht voor de rol van zijn drankzuchtige vader, eveneens militair, en zijn aanvankelijk moeizame carrière bij het leger, is er ruime aandacht voor de betekenis van Van Heutsz voor Nederlands-Indië, met uiteraard veel oog voor zijn rol in Atjeh, maar zeker ook voor het 'pacificeren' van de Buitengewesten. Daaraan lagen ethische, strategische, buitenlands politieke en economische motieven ten grondslag. Van Heutsz had een scherp oog voor de kwetsbare positie van Nederland als koloniale mogendheid. Een kleine natie van geringe militaire betekenis en niet direct behept met een sterk martiale mentaliteit. Als gouverneur-generaal heeft hij krachtig gestreefd naar modernisering van de strijdkrachten, met name in Nederlands-Indië. Daarbij stuitte hij menigmaal op de spreekwoordelijke Nederlandse zuinigheid.

Na afloop van zijn Indische carrière speelt van Heutsz enige tijd als 'bekende Nederlander' een niet onaanzienlijke rol in het maatschappelijk en bedrijfsleven. Langzamerhand zien we hem echter naar de achtergrond verdwijnen, zodat hij in zijn laatste jaren toch vooral een levende legende lijkt te zijn geworden. Op paradoxale wijze neemt zijn rol na zijn dood toe als hij wordt vereerd als een soort uithangbord dat het geloof van de Nederlandse natie in de eigen koloniale voortreffelijkheid moest inspireren.


Vilan van de Loo schetst, zoals het mijns inziens hoort, van de persoon van Van Heutsz een genuanceerd beeld. Ja, hij was een houwdegen bij tijd en wijle, daar konden ze in Atjeh, maar ook op Bali en Lombok van meepraten. Ja, hij was een bemoeial die zijn mond moeilijk kon houden en zich vaak op nogal botte wijze in zaken mengde. Nee, hij was niet de oer-conservatief zoals hij tegenwoordig in discussies nog weleens wordt afgeschilderd. Hij had ook bepaald progressieve opvattingen. Bijvoorbeeld over het inschakelen van 'inlanders' bij het binnenlands bestuur van Indië. Bijvoorbeeld over het streven naar kiesrecht en gelijke rechten voor vrouwen. Bijvoorbeeld over de wenselijkheid het onderwijs onder de Indische bevolking te bevorderen. Van de Loo staat zeker kritisch tegenover het kolonialisme, maar ze heeft niet alleen oog voor de negatieve kanten van hoe dat door Van Heutsz werd belichaamd. 

Interessant is de wederzijdse bewondering tussen Van Heutsz en koningin Wilhelmina. Verrassend de vriendschap tussen mevrouw Van Heutsz en Mina Kruseman, feministe van het eerste uur. Vooral als gouverneur-generaal was Van Heutsz een zeer druk bezet man, een zaak waaronder zijn gezinsleven leed, maar toch vraag je je af in hoeverre zijn echtgenote op de achtergrond een rol heeft gespeeld. Dat komt in het boek niet echt uit de verf. 

De naam Van Heutsz ging in de loop van de geschiedenis van bejubeld en vereerd naar verguisd en veracht. Dat de waarheid, zoals vaak, ergens in het midden ligt blijkt uit deze biografie, geschreven in een stijl die het lezen tot een waar genoegen maakt, maar dit terzijde.


Vilan van de Loo, Uit naam van de majesteit. Het leven van J.B. van Heutsz 1851-1924. Prometheus 2020.


donderdag 23 juli 2020

Burenruzie in de Egeïsche Zee



Bij diverse gelegenheden heeft de Turkse president Erdogan in een rede zijn onvrede over het Verdrag van Lausanne uitgesproken. Dat maakte in 1923 ondermeer een einde aan de Grieks-Turkse oorlog en legde de basis voor het moderne Turkije. 'Ach, oude koek,' denkt u wellicht, 'waar maakt die man zich druk om?' 

Zodra echter 'Lausanne' in Turkije ter discussie wordt gesteld, beginnen bij de Griekse politici de nekharen overeind te staan. Het verdrag regelt onder andere de grenzen tussen Griekenland en Turkije en bepaalt dat de laatste afziet van verdere gebiedsaanspraken. Dat is van belang omdat Noord-Griekenland en de Egeïsche eilanden, behalve de Dodekanesos, pas in 1913, aan het einde van de Tweede Balkanoorlog, Grieks grondgebied waren geworden. 'Lausanne' werd door Turkije, onder druk van de grote mogendheden, tandenknarsend aanvaard, hoewel het aanzienlijk gunstiger was dan het oorspronkelijke Verdrag van Sèvres, aan het einde van de Eerste Wereldoorlog. Te oordelen naar Erdogans opmerkingen, dat de eilanden vlak voor de Turkse kust zijn 'weggegeven' aan Griekenland, wordt in sommige kringen nog steeds met de tanden geknarst.

Waar Grieken en Turken zich werkelijk druk om maken, zijn niet alleen de eilanden zelf, maar vooral wat er onder ligt. Met andere woorden: wie gaat er over het continentale plat en wie mag eventuele delfstoffen, als olie en gas, uit dat gebied exploiteren? Het van grondstoffen verstoken Turkije is er alles aan gelegen om te bewijzen dat het continentale plat Turks is. De bodem van de Egeïsche Zee is in Turkse ogen simpelweg een voortzetting van het vasteland van Turkije. De Griekse eilanden die daar liggen, zijn een soort van enclaves. Lastig dat ze Grieks zijn, maar wat eronder ligt is Turks. De Grieken zien dat heel anders. Volgens hen zijn het gewone eilanden met eigen territoriale wateren en een eigen economische zone, waarin de Turken niets te zoeken hebben. De vraag wie gelijk heeft, zou mooi kunnen worden voorgelegd aan het Internationale Gerechtshof. De Grieken hebben dat ooit voorgesteld, maar de Turken willen daar tot nu toe niets van weten. 

In het voetspoor van de ruzie over het continentale plat is er onenigheid over de afbakening van het luchtruim, dat volgens de Grieken vrijwel dagelijks door Turkse straaljagers wordt geschonden. Ik ga geregeld van Thessaloniki naar Skyros, waar een basis van de Griekse luchtmacht is. Met eigen ogen zie ik met de regelmaat van de klok Griekse jagers opstijgen om Turkse indringers te onderscheppen.

Volgens het VN-zeerechtverdrag (1982) mag Griekenland haar territoriale wateren uitbreiden van drie naar twaalf zeemijlen. Dat doet het niet, omdat Turkije al jaren dreigt met oorlog, mocht Athene die stap nemen. Zelf heeft Ankara, dat het verdrag niet ondertekende, aan haar noord- en zuidkust wel een twaalfmijlszone ingesteld. Voor de Grieken zijn de bloedige pogroms tegen de Griekse minderheid in Istanboel in 1955 en de Turkse invasie van Cyprus in 1974 bewijzen dat 'Lausanne' door de Turken niet altijd wordt gerespecteerd en de grote angst is dat zij ooit een poging zullen wagen de oostelijke eilanden bij Turkije in te lijven. Vandaar dat bij elke Turkse kritiek op het verdrag in Athene de alarmsirenes afgaan.

Eerder in iets gewijzigde vorm gepubliceerd in Griekenland Magazine, winternummer 2016.

Foto: auteur

woensdag 24 juni 2020

Een boek dat meer verdient



Soms verdient een historische studie meer dan een moeilijk voor het geïnteresseerde publiek te vinden uitgave in semi eigen beheer en dat geldt zeker voor het boek Dordrecht, Stockholm, Londen, waarin historicus Dick Snijders de oorlogsjaren van zijn vader Willem en oom Cornelis (Kees) reconstrueert. Beide uit Dordrecht afkomstige broers waren zeelieden die in 1941 met succes in Zweden (Willem) en Finland (Cornelis) wisten te 'tippelen', dat wil zeggen te deserteren (drossen) van het door de Duitsers gevorderde schip waarop zij voeren. Beiden wisten via Stockholm Londen te bereiken, waar Cornelis in dienst kwam van de Koninklijke Marine en Willem van de koopvaardij.

Zoon, respectievelijk neef, Dick volgt gedetailleerd het wel en wee van beiden, die ondanks de grote verliezen op zee, met name op de trans-Atlantische route, de oorlog overleven, maar het boek is veel meer dan een reconstructie van de oorlogsjaren van Willem en Cornelis. Snijders past deze in in een beknopt, maar bijzonder goed gedocumenteerd verhaal over de strijd op zee en hij geeft heldere, historische achtergronden waar dat nodig is, bijvoorbeeld over de moeilijke positie van Zweden als neutrale mogendheid, in feite bijna geheel omringd door gebied dat door de Duitsers was bezet en de consequenties daarvan voor Engelandvaarders die via de 'noordelijke route' (de 'zuidelijke' liep via Frankrijk en Spanje) het Verenigd Koninkrijk trachtten te bereiken.
Dick Snijders baseert zich niet alleen op getuigenissen van betrokkenen of nabestaanden, maar ook op degelijk bronnenonderzoek in onder meer het Rijksarchief in Stockholm, het Nationaal Archief in Den Haag, het Koninklijk Huisarchief in Den Haag en een aantal regionale archieven, zoals dat te Rotterdam. Hij behandelt onder meer de werkwijze van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Stockholm, de rekrutering van Engelandvaarders in Londen voor de marine of koopvaardij, de manier waarop het (lucht)transport vanuit Zweden naar Engeland werd geregeld en de opvang van Nederlandse vluchtelingen in Zweden. 
Hij geeft informatie over de samenstelling en de diverse routes van de konvooien op de Atlantische Oceaan en die naar het strijdtoneel in Azië, alsmede de wijze waarop in verschillende fases van de oorlog de escortering van de konvooien werd georganiseerd. Dat leidt al met al tot een buitengewoon interessante beschrijving van de strijd op zee, vooral op de Atlantische route, waaruit aanvankelijk de Kriegsmarine zegevierend tevoorschijn leek te komen. Aan het eind van het boek geeft hij een aantal nuttige bijlagen, zoals een gedetailleerd overzicht qua tonnage en mensenlevens van de Nederlandse verliezen op de Atlantische Oceaan.

Samenvattend kan gezegd worden dat de studie naar de lotgevallen van de Engelandvaarders Cornelis en Willem Snijders heeft geleid tot een interessante, goed gedocumenteerde en uitvoerig geïllustreerde bijdrage aan de geschiedenis van de Nederlandse koopvaardij en marine tijdens de Tweede Wereldoorlog. Familie- en maritieme geschiedenis in één, geschreven in een boeiende stijl, want de auteur, die jarenlang docent geschiedenis was, blijkt ook nog een rasverteller. Dit boek verdient het om gelezen te worden, niet alleen door belangstellenden, maar vooral ook door vakhistorici.


Dick Snijders - Dordrecht, Stockholm, LondenDe lotgevallen van wee Engelandvaarders Cornelis en Willem Snijders. ISBN 978 90 827842 2 0. 140 p. Euro 17.95 (Zie: Dick Snijders)

dinsdag 2 juni 2020

Dordrecht, onbetwist de oudste stad van Holland



Als iemand van mijn generatie denkt aan de middeleeuwen, dan komen al snel de namen Floris en Ivanhoe bovendrijven. Twee populaire televisieseries uit de jaren zestig. De beelden waren nog in zwart-wit, waardoor veel kleurrijks verloren ging, en als we historicus Henk 't Jong mogen geloven, schortte er hier en daar nog weleens wat aan de correcte uitbeelding van die tijd. Het beeld dat veel mensen van geschiedenis hebben is 'dikwijls gebaseerd op Hollywoodfilms, strips, fantasyboeken' schrijft hij op zijn weblog, Apud Thuredrech, waarin hij onder meer vertelt hoe hij tot de geschiedenis, in zijn geval die van de middeleeuwen, is gekomen. 
Je hoeft geen historicus te zijn om te constateren dat Hollywood en aanklevende lieden die zich bezig houden met geschiedverbeelding er zo nu en dan een potje van maken. Ik vind het daarom een heel aardig idee dat 't Jong in zijn pas verschenen boek, De oudste stad van Holland, bij iedere periode waarover hij schrijft, naast enige uitleg, ook visueel maakt wat de mensen in die tijd droegen. Daarbij komt en-passant het verschil tussen de diverse standen aan bod.

De oudste stad van Holland gaat over de geschiedenis van Dordrecht en heeft als ondertitel: Opkomst en verval van Dordrecht 1000-1421. In tweehonderdtien zeer leesbare bladzijden, beschrijft Henk 't Jong het ontstaan van Dordrecht, haar bloeiperiode als belangrijkste stad van het graafschap en het begin van de langzame achteruitgang, die evident werd vroeg in de vijftiende eeuw, door een opeenvolgend aantal stormvloeden, met als gevolg dijkdoorbraken, verzilting van het land en het van lieverlee wegtrekken van de bevolking. Hij prikt daarmee meteen een populaire mythe door, namelijk dat in 1421 in een klap door een stormvloed, die duizenden doden tot gevolg had, de Biesbosch ontstond. Het mooie verhaal van de baby en de wieg, die aanspoelde bij Kinderdijk (soortgelijke mythes doen op diverse plaatsen in Europa de ronde) kan de prullenbak in. 
Hij prikt overigens meer verzinselen door. Bijvoorbeeld dat er in de middeleeuwen maar op los werd gebrandmerkt, gemarteld en in het schandblok werd gestaan. Ook de verhalen over talloze stadsbranden berusten veelal op menselijke verbeelding, al was die van 1457 wel degelijk verwoestend. Dat 't Jong over de gevolgen van die brand schrijft, duidt erop dat hij het jaar 1421 niet al te strikt als einddatum van zijn verhaal hanteert. Hij wijst er terecht op dat Dordrecht nog heel lang werd beschouwd als 'eerste stad van Holland'. Het was met de Dordtse macht en invloed nog lang niet gedaan na 1421, al werd de stad in de loop der tijd meer en meer overvleugeld door steden als Amsterdam, Rotterdam en Leiden. 
Hoe groot de economische schade van het verlies van de Grote Waard voor Dordrecht was, vind ik moeilijk te bepalen, ten noorden, westen en noord-oosten van de stad lagen immers ook belangrijke landbouwgebieden en de internationale handel kwam er niet door tot stilstand. Terecht wijst 't Jong op het belang van het stapelrecht dat bleef bestaan, al was Dordrecht na de drie opeenvolgende St. Elisabeths-vloeden wel gemakkelijker te omzeilen. Wat de stad economisch vooral ook op achterstand heeft gebracht is volgens mij de val van Antwerpen in 1585, die een vloed van, vaak welgestelde of vakbekwame emigranten vanuit de Zuidelijke Nederlanden naar het noorden veroorzaakte. Er kwamen wel zuiderlingen naar Dordrecht, bijvoorbeeld enkele bekende boekdrukkers, maar ik heb de indruk dat, doordat Dordrecht relatief weinig ruimte had om nieuwkomers te herbergen (de eerste inpolderingen na 1421 begonnen pas omstreeks 1600), andere steden veel meer van de immigratiegolf hebben kunnen profiteren. 
Het is interessant om te lezen dat Dordrecht zich tot internationale handelsstad kon ontwikkelen mede dankzij een aantal stormvloeden in de twaalfde eeuw, waardoor onder meer de Oude Maas ontstond, en dat het verval ook weer door een aantal stormvloeden inzette. Tussen deze reeksen gebeurtenissen schetst 't Jong op duidelijke en ook voor niet-historici begrijpbare wijze de ontwikkeling en groei van de stad, met een aantal verhelderende kaarten en illustraties. Hij baseert zich vooral op de in 1996 verschenen Geschiedenis van Dordrecht tot 1572 van Jan van Herwaarden (e.a.), aangevuld met ondertussen veranderde of nieuwe inzichten. Op knappe wijze schetst hij het ontstaan van de Hoekse en Kabeljauwse Twisten, zeker in het kader van de Dordtse geschiedenis geen eenvoudige zaak, en maakt hij duidelijk hoe schadelijk deze burgeroorlog, want daar mogen we toch wel van spreken, voor de stad was.

De oudste stad van Holland is niet alleen interessant voor Dordtenaren, maar voor iedereen die belangstelling heeft voor middeleeuwse en/of stadsgeschiedenis. De titel is in lichte mate provocatief, althans zo zou men dat in Geertruidenberg kunnen opvatten, waarvan de stadsbestuurders enkele jaren geleden betwijfelden of Dordrecht zich wel de oudste stad van Holland mocht noemen. Dat was in hun ogen Geertruidenberg, ooit begonnen als Hollandse stad. 't Jong toont overtuigend aan dat Dordrecht wel degelijk recht op de titel heeft en dat de Merwestad waarschijnlijk al omstreeks 1195 stadsrechten heeft gekregen.
Het boek is, maar dat zijn we van Henk 't Jong gewend na zijn voortreffelijke boek De dageraad van Holland, een degelijke, goed en vooral begrijpelijk geschreven stadsgeschiedenis, waarin hij zoveel mogelijk jargon vermijdt. Een genot om te lezen, een must voor iedere Dordtse stadsgids en ook sterk aanbevolen voor de medewerkers van Dordrecht Marketing, waar men nogal eens slordig met de plaatselijke geschiedenis wil omgaan.


Henk 't Jong, De oudste stad van Holland. Opkomst en verval van Dordrecht, 1000 - 1421. Uitgeverij Omniboek, ISBN 9789401916882.