Jacob van Strij - Zomergezicht buiten Dordrecht. Dordrechts Museum.
Onderstaand artikel verscheen in het literaire tijdschrift Ballustrada, jaargang 38, nummer 3/4 in het najaar van 2024. Daarom ontbreekt het hier eerder besproken boek Verlicht en vilein van Marleen de Vries in de literatuuropgave.
Wanneer we spreken over de tijdgeest van de achttiende eeuw, doen we die eeuw tekort. Tussen pakweg 1700 en 1800 zijn verschillende 'tijdgeesten' te ontwaren, perioden waarin bepaalde opvattingen toonaangevend waren. Als we ons tenminste willen houden aan de definitie die Van Dale geeft van het begrip tijdgeest.
De achttiende eeuw stond in de geschiedenisboeken uit mijn lagere schooltijd bekend als een eeuw van saaiheid en gezapigheid. De eeuw die de zoetelijke, moralistische verzen van Hieronymus van Alphen voortbracht. Een eeuw van economische achteruitgang in de Republiek die tenslotte eindigde in de misere van de Franse tijd. Deze Jan Salie-geest zou kenmerkend zijn voor de achttiende eeuw, althans in Nederland. Of dat ook werkelijk zo was, valt te bezien.
Inderdaad, economisch werd de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden na pakweg 1700 overvleugeld door zijn grote Europese concurrenten, Engeland en Frankrijk en dan vooral door de eerste. Dat hield niet in dat de Republiek in snel tempo verarmde, dat gebeurde pas aan het einde van de eeuw, met name door de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784) en de Franse tijd (1795-1813). De Bataafse Republiek (1795-1806) was een zwakke vazalstaat van Frankrijk die door zijn grote broer werd meegesleept in de oorlogen van het revolutionaire bewind in Parijs en vervolgens in die van Napoleon. Het Continentaal Stelsel (1806-1814) was zo rampzalig voor de Nederlandse economie dat zelfs Napoleons broer, koning Lodewijk Napoleon, die van 1806 tot 1810 over het Koninkrijk Holland regeerde, probeerde er de hand mee te lichten, wat hem mede zijn troon kostte.
Tijdens de regering van Lodewijk Napoleon werd wel de bases gelegd voor het latere Rijksmuseum, de Koninklijke Bibliotheek en het Koninklijk Instituut van Wetenschappen. Waar ik als Dordtenaar minder gecharmeerd van ben is des konings besluit om de munt, sinds het laatste kwart van de veertiende eeuw gevestigd in mijn stad, te verplaatsen naar Utrecht. Ook werd onder zijn bewind een begin gemaakt met het scheppen van eenheid in de rechtspraak, een belangrijke, bindende factor in de maatschappij. Dat is formeel al niet meer in de achttiende eeuw, maar ontwikkelingen reiken nu eenmaal vaak over een eeuwwisseling heen.
Liever dan van een tijdgeest te spreken, heb ik het over een aantal opvallende kenmerken van de achttiende eeuw, een periode waarin veel werd gezaaid dat in later eeuwen werd geoogst. Enkele voorbeelden: de uitvinding van de stoommachine door Newcomen en Watt, die een sleutelrol speelde in het op gang komen van de Industriële Revolutie, de uitvinding van de luchtballon door de gebroeders Montgolfier, een bescheiden begin van de luchtvaart, de uitvinding van de bliksemafleider door Benjamin Franklin en de uitvinding van de koepokvaccinatie door Edward Jenner.
Een van de belangrijkste ontwikkelingen in deze eeuw is het steeds prominenter worden van de ideeën van de Verlichting, met filosofen als Jean Jacques Rousseau, Voltaire, David Hume, Adam Smith en anderen. De geletterdheid nam sterk toe, boeken werd steeds belangrijker en verschillende letterkundige stromingen, zoals de Romantiek, hebben hun wortels in de achttiende eeuw. Verlichte opvattingen, zoals die over volkssouvereiniteit, speelden een belangrijke rol bij de ondergang van het Ancient Regime in Frankrijk en het ontstaan van de Verenigde Staten en de Bataafse Republiek.
Het laatste kwart van de achttiende eeuw kenmerkt zich door revoluties. Allereerst de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog (1775-1783), een revolutie tegen het Britse, koloniale gezag. Deze leidde tot het ontstaan van de Verenigde Staten, de eerste (federale) staat die een grondwet kreeg op basis van de Trias Politica, de leer over de scheiding van de staatsmachten die werd uitgewerkt door de Verlichtingsfilosoof Montesquieu.
Ten tweede de Patriottenrevolutie in de Republiek der Verenigde Nederlanden (1780-1787), waarin de door Verlichtingsidealen geïnspireerde regenten en de gegoede burgerij zich keerden tegen het absolutisme van stadhouder Willem V. Hoewel de revolutie uiteindelijk de kop werd ingedrukt door de zwager van Willem V, de koning van Pruisen, keerden veel patriottische ideeën terug in de constitutie van de latere Bataafse Republiek. In deze periode richtten burgers in Holland milities op, exercitiegenootschappen, om zich zonodig tegen de stadhouder te weren. In mijn stad, Dordrecht, werd in 1783 het eerste opgericht onder de veelzeggende naam De Vrijheid.
Ten derde de Franse Revolutie, die begon met de bestorming van de Bastille in Parijs op 14 juli 1789, een dag die nog steeds met veel militair vertoon in Frankrijk wordt gevierd. De overbekende motto van de Franse Revolutie was Egalité, Liberté, Fraternité. Desondanks liep deze revolutie uit op een bloedbad, een schrikbewind onder Robespierre en zijn Comité de salut public, met als slotakkoord de Napoleontische oorlogen met alle ellende van dien, maar dan zitten we alweer in de negentiende eeuw. Nederland heeft er de terugkeer van de Oranjes aan te danken, alsmede de Tiendaagse Veldtocht, maar nu dreigen we ietwat uit de bocht te vliegen.
Tegenover de veronderstelde gezapigheid in de Republiek der Verenigde Nederlanden staat niet alleen het opstandige elan der Patriotten, maar zien we op cultureel gebied de opbloei van tal van genootschappen, al dan niet, in het voetspoor van de Verlichting, met als doel het opheffen van de gemene man. De Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, opgericht in Edam in 1784 is hier een schoolvoorbeeld van. In Dordrecht richtten de schilder Abraham van Strij en enkele andere kunstenaars het Teekengenootschap Pictura op, dat dit jaar zijn 250-jarig bestaan viert. Een ander icoon is de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, die in 1766 het levenslicht zag in Den Haag.
In mijn schooltijd gold onder veel Neerlandici de overtuiging dat het met de vaderlandse letteren in de achttiende eeuw niet veel zaaks was. Ik noemde Hieronymus van Alphen reeds, maar het was toch ook de eeuw van Betje Wolff en Aagje Deken, alsmede van Belle van Zuylen. Misschien gaat het iets te ver om hen als evenknieën te beschouwen van de Engelse schrijfster Mary Wollstonecraft, voorloper van de vrouwenemancipatie, maar hun ideeën zijn tot op heden actueel en misschien is het niet toevallig dat het hier in alle gevallen om dames gaat. Wat te denken ook van Sarah Ponsonby en lady Eleanor Butler, twee vrouwen uit de Anglo-Ierse adel die vluchtten naar Wales en er daar een gezamenlijke huishouding op na hielden in hun landhuis Plas Newydd bij Llangollen. Een huis dat als een magneet werkte op de Britse culturele elite.
Het lijkt me niet gedurfd om te beweren dat de wortels van de vrouwenemancipatie teruggaan tot de achttiende eeuw, zoals dat ook het geval is met het verzet tegen de slavernij, al was dat meer een zaak van de Engelsen dan van de Nederlanders, want wat het abolitionisme aangaat, sukkelde Nederland vooral mee in de achterhoede en duurde het tot ver in de negentiende eeuw voordat het lot van de slaven (en laten we in 's hemelsnaam die lelijke uitdrukking 'tot slaaf gemaakten' nooit meer gebruiken) op enige belangstelling kon rekenen. Dat gold mutatis mutandis wat de overheid betreft ook voor het wel en wee van het vaderlandse proletariaat, maar dit terzijde.
De veelzijdigheid van de achttiende eeuw, waarin de Franse culturele invloed dominant was, althans in continentaal Europa, toont zich ook in een beweging als het Libertinisme. Vooral onder invloed van een op seks beluste, zich in de luxe van Versailles vervelende adel, veranderde deze stroming steeds meer van een spirituele, op de vrije geest gerichte beweging, in eentje van een niets ontziende losbandigheid. Een belangrijke propagandist daarvan was de Markies de Sade, waarvan de boeken in mijn tienerjaren opnieuw in het Nederlands werden vertaald door Hans Warren en die wij, uiteraard, met rode oren lazen. Daar kon de overigens voortreffelijk schrijvende Jan Wolkers niet tegenop. Tegenover die losbandigheid stond dan weer de puriteinse maatschappij zoals die zich na de onafhankelijkheid in de Verenigde Staten ontwikkelde. Lees daar The Scarlett Letter van Daniël Hawthorne maar eens op na.
Kortom, de achttiende eeuw is een caleidoscoop vol veelzijdigheid, boeiende tegenstellingen en ontwikkelingen die doorwerken tot in onze tijd. Ik zou er een boek over kunnen schrijven, ware het niet dat dat recent al is gedaan. Ik noem enkele eigentijdse boeken die zeker het lezen waard zijn, terwijl natuurlijk ook de literatuur uit de periode zelf aanbevolen blijft. Ik heb bijvoorbeeld bij geruchte gehoord dat De historie van mejuffrouw Sara Burgerhart binnenkort wordt heruitgegeven. Mocht dat gerucht niet kloppen, dan is er nog altijd wel een bibliotheek die het boek koestert.
Recent las ik: De adembenemende achttiende eeuw van de Vlaamse historicus Francis Weyns (Gent 2022). Voor wie zijn taaie schrijfstijl aankan is Patriots and Liberators. Revolution in the Netherlands 1780-1813 van Simon Schama (New York 1977) aanbevolen, evenals The Ladies of Llangollen: A Study in Romantic Friendship van Elizabeth Mavor, in 2001 verschenen bij Penguin. Na lezing van dat boek wil je terstond een bezoek aan Plas Newydd, tegenwoordig museum, brengen. Dan ben je echt terug in die geweldige achttiende eeuw.





