dinsdag 25 januari 2022

De fameuze Gemeentelijke Pedagogische Akademie




Het voorplat van Abel ontwaakt, de debuutroman van politicoloog Cor Snijders, wordt gesierd door een foto van twee heren in het stijlvolle café De Tijd in Dordrecht, de stad die voor een groot deel de achtergrond vormt van het boek. Abel ontwaakt is het verhaal van een nog wat naïeve jongeman, geboren en gedeeltelijk opgegroeid in Dordrecht en gedeeltelijk in Oud-Beijerland, die in de jaren dat hij aan de havo-top van de Gemeentelijke Pedagogische Akademie (akademie toen officieel geschreven met een progressieve k, in tegenstelling tot hoe Snijders het spelt) in Dordrecht verkeert, zijn beslissende stappen naar de volwassenheid zet. Een Bildungsroman waarin, volgens het Dankwoord voorin, alle vertellingen op waarheid berusten. Dat ontslaat de lezer van de soms prangende vraag naar wat er werkelijk is gebeurd in een boek, maar roept meteen een andere vraag op: waarom dan gefingeerde namen en niet de echte van de personen die erin voorkomen?

Ik moet iets verklappen. Ik ken Cor Snijders goed, hij verkeert in deels dezelfde vriendenkring als ik. De leraren waarmee hij in zijn havotijd bevriend raakte, een vriendschap die in sommige gevallen nog steeds voortduurt, behoren deels ook tot mijn kring van intimi en ik heb zelf aan die havo-top en daarna op de, toen fameuze, Gemeentelijke Pedagogische Akademie gestudeerd. Wel iets eerder dan Snijders, maar niet veel. Ik bracht er, met een jaar tussen havo en PA, de periode 1968 - 1974 door, een tijd die voor mijn vorming van minstens even groot belang was als die van Cor Snijders. De verdienste van het boek voor mij persoonlijk is dan ook dat het mij terugvoert naar die jaren uit mijn leven, toen ik zelf ook met vallen en opstaan de nodige stappen naar de volwassenheid zette. Daar heeft een toekomstige lezer zonder mijn achtergrond weinig aan, maar ook dan geeft het boek genoeg aanknopingspunten om te lezen. Snijders beschrijft een leeftijdsfase die we allemaal hebben doorgemaakt en die voor ons allemaal even bijzonder en uniek was. Cor slaagt er goed in dat unieke duidelijk te maken, al was het alleen al door zijn omgang met de Surinaamse Naomi en het docentenechtpaar Allard en Cynthia, die hem een levenslange fascinatie met de Surinaamse cultuur opleverde. 

Ook dat is een raakpunt tussen Snijders en mij, de belangstelling voor Suriname. Ik heb dat prachtige, fascinerende land ook bereisd en mij via mijn Surinaamse vrienden, ja, inderdaad, leren kennen op de Dordtse GPA, verrijkt aan de Surinaamse cultuur. Dat in mijn persoonlijk leven Griekenland de grootste plaats ging innemen doordat ik aan de universiteit van Minnesota mijn Griekse vrouw leerde kennen, neemt niet weg dat Suriname altijd een belangrijke plaats in mijn leven heeft ingenomen en nog inneemt. Er is trouwens een opvallend aantal parallellen aan te wijzen tussen de Griekse en Surinaamse cultuur, maar dit terzijde.

De fameuze GPA, schrijf ik. Waarom wordt ook door Snijders duidelijk gemaakt. In de jaren zeventig was studeren aan de havo-top en PA een warm bad vergeleken met het onderwijs aan de doorgaans nog autoritaire, bekrompen, meer op cijfers, orde en braaf gedrag gerichte mavo's. Waarom rijdt Snijders dagelijks, nu ja, als hij niet bij Naomi of bij een bevriende docent overnacht, op zijn brommer het hele eind van Oud-Beijerland naar Dordrecht? Omdat een bekrompen, verzuurde mavo-directeur het 'doorleren' op de plaatselijke havo voor hem onmogelijk maakte. Dat bleek achteraf een zegen, schrijft Cor. Zelf werd ik op de mulo verkeerd voorgelicht door de schooldecaan, waardoor ik op die havo-top terechtkwam in plaats van op de HBS, iets wat voor mij achteraf ook een zegen was. Een school waar aandacht voor je was, waar je creatieve talenten werden gewaardeerd en je puberaal gedrag op begrijpende wijze werd gekanaliseerd en in een positieve richting omgebogen. Een school waar ik me geweldig thuisvoelde, al stond de mentaliteit van 'wij zullen jullie wel vormen' in mijn PA-jaren me weleens wat tegen. Honderd procent geweldig krijg je iets nooit.

De basis van ons latere succes, dat van Snijders en mij, typische stapelaars die uiteindelijk via de mulo/mavo, havo en hbo de universiteit afmaakten, werd gelegd op, ik zeg het nog eens, die fameuze GPA. Dat de gemeente Dordrecht, in de tachtiger jaren nauwelijks geïnteresseerd in hoger onderwijs in de stad, die prachtschool tenslotte heeft verkwanseld en ten onder laten gaan, is een verhaal voor een ander boek. 

Wat mij beslist heeft geraakt, is de ode die het boek ook is aan zijn vriend en leermeester voor het leven Pjotr, de man rechts op het voorplat, van wie Snijders geschiedenisles heeft gehad. Pjotr, in werkelijkheid Piet, waarom die russificering wordt in het boek duidelijk, is ook een van mijn beste vrienden en een aantal jaren waren we collega's. Hij is een van de mensen die mij hebben geïnspireerd geschiedenis te gaan studeren en met wie ik nog graag over ons vak praat. In het boek komt hij naar voren als een wijze, zeer erudiete man. Piet is iemand van wie ik ook nog altijd leer, een belezener mens ken ik niet, al is het wat dat betreft ook goed praten met Allard, eveneens nog steeds een van mijn beste vrienden.

Het verhaal van Cor Snijders is beslist de moeite waard, ook voor mensen die de stappen naar hun volwassenheid hebben gezet in Appingedam of Aardenburg, maar niet altijd makkelijk te volgen. Regelmatig worden personen opgevoerd met te weinig of geen introductie. Ik kan de draad dan meestal nog wel volgen, omdat ik de achtergrond, en veelal de mensen, ken, maar dat maakt het voor de lezer verwarrend. Om een voorbeeld te noemen: in het boek verkeert Snijders met drie bevriende oud-docenten, waar onder een zekere Jean, in een Rotterdams café. Jean tapt biertjes en staat achter de bar. Dan moet je toch voor de volledigheid vertellen dat Jean (misschien niet geheel toevallig mijn zeer gewaardeerde oud-directeur van de locatie Overkampweg van het Stedelijk Dalton Lyceum in Dordrecht) na zijn pensionering in zijn geboortestad Rotterdam een kroeg is begonnen. 

Over één ding moet ik Cor ernstig beknorren. In het begin van het boek citeert hij uit de Ode aan Dordrecht van Kees Buddingh', maar dat schrijft hij als Cees Buddingh. Voor wie het werk van Buddingh' kent is dat een soort doodzonde, maar gelukkig niet van invloed op de rest van het verhaal.


Cor Snijders, Abel ontwaakt. Uitgeverij Boekscout. Baarn 2022.


dinsdag 26 oktober 2021

De Kavafis van Thessaloniki




Tussen Thessaloniki en Athene bestaat een zekere mate van rivaliteit. De bewoners van de 'noordelijke hoofdstad' voelen zich soms tekort gedaan. Zo hoor je vaak gemor over het feit dat de metro van Athene, onder druk van de Olympische Spelen van 2004, relatief snel werd aangelegd, terwijl de bouw van die in Thessaloniki nog steeds een jarenlang, moeizaam slepend proces is. 


Ook op cultureel gebied voelt Thessaloniki zich door Athene tekort gedaan. De stad heeft onmiskenbaar een bloeiend cultureel leven, maar wie het als schrijver, zanger, acteur of beeldend kunstenaar echt wil maken, vertrekt vroeg of laat naar Athene. Wel kan Thessaloniki zich beroepen op het feit dat een van haar twee universiteiten, de Aristotelesuniversiteit, qua studenten de grootste is van Griekenland. 


Een dichter die zijn geboortestad Thessaloniki wel zijn hele leven trouw is gebleven, is Dinos Christianopoulos, pseudoniem van Konstantinos Dimitriadis (1931-2020). Christianopoulos stond vooral bekend om zijn non-conformisme en zijn soms tegendraadse gedrag. Zo weigerde hij in 2011 een belangrijke literaire prijs, vergelijkbaar met de P.C. Hooftprijs voor poëzie, omdat hij vond dat zulk eerbetoon de menselijke waardigheid aantastte. Dat doet aan W.F. Hermans denken, die de PC Hooftprijs weigerde omdat hij het bedrag toentertijd beledigend laag vond. 


De rode draad in de poëzie van Christianopoulos is zijn pijnlijke zoektocht naar de homoseksuele liefde, vaak in de krochten van de stad, waarbij de toon ligt tussen ironie en wanhoop. Onconventioneel, zeker voor Griekenland in de tweede helft van de vorige eeuw, was het openlijk belijden van de herenliefde, waardoor zijn werk vaak met dat van Kafavis wordt vergeleken, al spreekt uit diens poëzie meer een nostalgisch verlangen, dat je niet bij Christianopoulos vindt.


In 2001 stelde ik met John Heuzel de bloemlezing 'Kruispunt Internationaal' samen, een uitgave van het Vlaamse tijdschrift Kruispunt. Hiervoor vertaalden Stella Timonidou en ik vijf gedichten van Christianopoulos uit zijn verzamelbundel Poëmata (Thessaloniki 1998). Dat bracht ons met hem in contact. Hij ontving zelden mensen bij zich thuis, dus vond de afspraak plaats in de toenmalige boekhandel Rajas in de Ermou, waar zich regelmatig schrijvers en dichters verzamelden en die voor Christianopoulos ook als een soort postadres functioneerde. Wij hadden ons schrap gezet voor een ontmoeting met een lastige, uiterst kritische dichter. We troffen een man die weliswaar sterk van zijn eigen gelijk was overtuigd, maar niettemin beminnelijk overkwam. Hij gaf ons een dringende raad: 'Ga nooit met een grote uitgever in zee.' Hij had dan ook in 1958 zijn eigen uitgeverij, Diagonios, opgericht. Zijn waardering voor onze vertalingen uitte hij door Stella's editie van zijn verzamelbundel voor ons te signeren.


De laatste keer dat ik Christianopoulos ontmoette was een jaar of vier geleden, bij een boekpresentatie in het centrum van Thessaloniki, niet ver van de iconische Witte Toren. Hij was niet meer de krachtige figuur uit 2001, maar maakte een vermoeide, fragiele indruk. Toch was zijn geest nog vlijmscherp, wat bleek uit de vragen die hij aan de inleider stelde. Daarna verstomde het contact. Op 11 augustus kwam het bericht dat hij op 89-jarige leeftijd was overleden.


Eerder gepubliceerd in Griekenland Magazine, herfst 2020.


woensdag 21 juli 2021

De tijd zal het leren




Het is een genoegen om met Frederiek Lommen virtueel door Griekenland op reis te gaan, ook al luidt de titel van haar boek Het verdriet van Griekenland en vraag je je aan het einde van de reis af of het ooit nog wel goed komt met het land. Dat genoegen komt vooral voort uit de aangename verteltrant van Lommen, het feit dat ze van de actualiteit van de afgelopen twaalf jaar goed op de hoogte is en dat ze een fijn oog heeft voor details en het menselijk aspect. Zo zit ze eens naast een honderdjarige Pontiër in het vliegtuig naar Parijs. Ze raakt met deze Michalis in gesprek en tekent in kort bestek zijn bijzondere levensverhaal op, dat een inspiratiebron zou kunnen zijn voor een boek à la Victoria Hislops The Thread.

Lommen begint haar inleiding in Ladádika, de havenbuurt van Thessaloniki, waarin ik een zweem van optimisme ontdekte als ze schrijft over jonge, Griekse ondernemers die tegen de verdrukking in het heft in eigen handen nemen en proberen nieuwe initiatieven te ontplooien. Daarna schrijft ze over de euforie van 2004, het winnen van het EK-voetbal door de Grieken en de Olympische Spelen van dat jaar, evenementen die ik in Griekenland aan den lijve heb meegemaakt. Na de EK-finale barstte een waar volksfeest los in onze wijk in Thessaloniki en met enige regelmaat zag ik een van mijn zwagers op de televisie in actie als hoofdscheidsrechter bij een aantal atletiekonderdelen. Dat voor de vele vrijwilligers geen plek was in het Olympisch dorp en dat die in sommige gevallen in kazernes op uren rijden van Athene werden ondergebracht, is maar bij weinigen bekend. Wat er uiteindelijk van veel Olympische locaties terecht is gekomen en hoe de kosten uit de hand bleken te zijn gelopen, maakt Lommen pijnlijk duidelijk. De euforie was al snel voorbij.

Het verdriet van Griekenland is een rijk boek, in de zin dat zowat alle problemen die het land teisterden en nog teisteren de revue passeren, van de eurocrisis tot en met de vluchtelingencrisis. Hoewel ze enerzijds diepe sympathie voor de Grieken toont, spaart ze hen niet. Ze beschrijft bijvoorbeeld het waanzinnige consumentisme dat uitbrak na de toetreding tot de euro, het lenen, lenen, lenen van overheid en burgers, als een van de belangrijkste oorzaken van de crisis, evenals het stemmen kopen met overheidsbanen tijdens het premierschap van Andreas Papandreou, waardoor het, overigens terecht ook als zwak en incompetent beschreven, overheidsapparaat tot relatief reusachtige proporties uitdijde. 

Het gaat, onder veel meer, over de uitzichtloze positie van veel Roma, de opkomst van het neo-nazisme, de immigratiegolf, de hopeloze toestand van het universitair onderwijs, de braindrain, het optreden van de Trojka en de 'steunpakketten' voor Griekenland, die het land schier onherstelbare schade hebben toegebracht. Te veel om op te noemen. Het ene ogenblik word je weggestuurd bij het hek van een goudmijn in Halkidiki, het andere ogenblik kruip je met Frederiek door een gat in het hek rond het vluchtelingenkamp op het vroegere Atheense vliegveld Ellinikon. Dan weer komt het milieu aan bod, op een ander ogenblik het terrorisme.

Wie niet vaak in Griekenland komt en niet al het een en ander van het land weet, moet het weleens duizelen, maar dat duizelen is beslist de moeite waard. Er is weinig uit de actualiteit dat Lommen ontgaat. Toch wil ik enkele kritische kanttekeningen plaatsen. In het hoofdstuk over haar bezoek aan het Joods Historisch Museum(pje) in Athene noemt ze op bladzijde 60 een getal van 50.000 uit die stad gedeporteerde Joden. Dat moet een vergissing zijn. Volgens het Joods Wereldcongres bevonden zich bij aanvang van de deportaties ongeveer 10.000 Joden in Athene, deels gevlucht uit andere plaatsen in Griekenland. Daarvan is ook nog een aantal door Griekse burgers uit handen van de Duitsers gered. Jammer dat ze niet schrijft over het veel grotere Joods Historisch Museum van Thessaloniki, een stad waar zich voor de Duitse bezetting een veel omvangrijkere Joodse gemeenschap bevond dan in Athene.

Als ze het over de verhouding Griekenland - Turkije heeft, schrijft ze op bladzijde 214 dat 'de Grieken zich na een lange reeks oorlogen begin 19e eeuw hadden weten af te scheiden.' Een onafhankelijkheidsstrijd die bestond uit een reeks gewapende conflicten zou er nog mee door kunnen, maar een lange reeks oorlogen? Ze stelt Mustafa Kemal verantwoordelijk voor de Pontische genocide, die zou zijn begonnen na de Griekse bezetting van Smyrna in 1919, terwijl de architect van de genocide op Armeniërs, Pontiërs en andere christelijke gemeenschappen in Turkije, die al begon in 1915, in de eerste plaats Talaat Pasja was. Dat het na de Griekse onafhankelijkheidsstrijd 'nooit meer goed is gekomen' tussen Griekenland en Turkije, doet geen recht aan de geschiedenis, die wel wat genuanceerder is. De verschrijving op bladzijde 23 (1821 in plaats van 1832) vergeef ik haar graag, want in de nuttige jaartallenlijst voorin staan die data wel correct. Bij het Verdrag van Lausanne mochten ook de Grieks-orthodoxen op de eilanden Imbros en Tenedos in Turkije blijven. Tenslotte: op pagina 65 is een stukje tekst weggevallen, dat kan misschien bij de derde druk worden hersteld.

Het zijn relatieve kleinigheden. Al met al heeft Frederiek Lommen een boek geschreven dat een schat aan informatie bevat, dat leest als een trein, maar dat allesbehalve vrolijk maakt, omdat het je confronteert met, letterlijk, het verdriet van Griekenland. Of het ooit met dat prachtige land goed komt? De tijd zal het leren.


Frederiek Lommen - Het verdriet van Griekenland. Passionate Nomads 2021.



zaterdag 17 juli 2021

Indianenverhalen en mythen




Een goede vriend wees mij op de biografie van Eleanor of Aquitaine door Alison Weir, een al wat ouder boek, oorspronkelijk gepubliceerd in 1999 door Jonathan Cape en in 2007 heruitgegeven door Vintage. Ik ben, in wat ook al een wat grijzend verleden begint te worden, afgestudeerd in de contemporaine geschiedenis, maar ook zeer geïnteresseerd in andere perioden van het verleden. Ik ben een schoenmaker die zich liefst van diverse leesten bedient en dus volgde ik het advies op om het boek te lezen.

Laat ik met het positieve beginnen. Weir kan schrijven. Ze is in staat een meeslepend verhaal op papier te zetten en zelfs glimpen van Eleanor te laten zien in perioden dat zij weinig, of in het geheel niet in het bronnenmateriaal voorkomt. Ik ben van mening dat geschiedschrijving ook een vorm van literatuur bedrijven is, maar het moet wel geschiedenis blijven en dus moet het verhaal steunen op goed bronnenonderzoek. Het zelf invullen van blinde vlekken ten behoeve van het verhaal moet worden gemeden.

In eerste instantie kreeg ik de indruk dat Weir inderdaad stevig bronnenonderzoek heeft gedaan, maar al lezende begon het hier en daar te kriebelen en tenslotte rees bij mij de vraag of ze wel kritisch genoeg met haar bronnen is omgegaan. Ik heb er een artikel bij gepakt waarin Ralph V. Turner, emeritus hoogleraar geschiedenis aan de Florida State University in Tallahassee over Eleanor schrijft1. Turner publiceerde zelf in 2011 een veelgeprezen biografie over haar. In het bewuste artikel gaat het er onder meer om hoe Eleanor aan haar slechte reputatie komt en welke indianenverhalen en mythen zich in de loop der tijd rondom haar nagedachtenis hebben gevormd. 

Eleanor kwam krachtig op voor haar rechten als erfgenaam van het hertogdom Aquitanië, en later voor het erfgoed van haar zonen, wat leidde tot een breuk met haar eerste echtgenoot, Lodewijk VII van Frankrijk en met haar tweede man, koning Hendrik II van Engeland. Dat was onvoorstelbaar voor een vrouw in de twaalfde eeuw, een tijd die in de woorden van Turner 'submissiveness demanded of wives by a male dominated Church and a militarized aristocracy'. In 'a culture of honor and shame,' schrijft Turner, wordt over vrouwen die zich allerminst onderdanig opstellen al snel gezegd dat hun handelen te wijten is aan 'irrational, sentimental or libidous motives.' Hij noemt een aantal voorbeelden uit bronnen die Weir ook heeft gebruikt, maar waarbij zij dit onvoldoende onderkent. Zo noemt zij de 'adulterous affair' met haar oom Raymond van Antiochië weliswaar niet bewezen, maar wel aannemelijk, evenals de veronderstelde affaire met de vader van Hendrik II, zaken die Turner naar het rijk der fabelen verwijst. Zo neemt ze meer vooroordelen geheel of deels over, waardoor ik aan het verhaal van Weir begon te twijfelen, al bestempelt ze soms ook wel eens iets als een mythe, bijvoorbeeld het bestaan van 'love courts' aan het hertogelijk hof van Eleanor. Daar bloeide wel de troubadourscultuur die in het teken stond van de hoofse liefde, maar niet de carnale interpretatie die het verhaal van de 'love courts' oproept.

Er staat ook een aantal fouten en merkwaardigheden in het boek. Zo noemt ze op bladzijde 68 de beroemde sultan Saladin een 'Turkish Emir'. Nu bestaat over wat Saladin was onder de geleerden onenigheid, aldus een door mij geraadpleegd mediëvist, maar hij was in ieder geval geen Turk. Weliswaar was de uit Centraal-Azië afkomstige, Turkse stam van de Seldsjoeken na de slag bij Manzikert (1071) bezig aan een opmars in het Byzantijnse rijk, maar daar hoorde Saladin niet bij. Consequent noemt ze iedere moslim die ze tegenkomt een 'Turk', zo ook de islamitische inwoners van Sicilië, die duidelijk van Arabische afkomst waren, alsof ze vast vooruitblikt naar het veel later door de Osmaanse Turken ingevoerde millet-systeem.

Weir beweert ook dat Jeruzalem, na de verovering door Saladin (1187) tot in de twintigste eeuw in 'Turkse' handen zou blijven, waarbij ze de kortstondige periode (1229-1244) dat de stad, door toedoen van keizer Frederik II, weer even in christelijke handen was, voor het gemak maar overslaat. Even later laat ze Richard I (Leeuwenhart, een zoon van Eleanor) op de terugweg van de derde kruistocht landen in Pisa, om hem vervolgens door een stormwind naar Corfu te laten blazen, iets wat geografisch nogal onwaarschijnlijk is. Nadat Richard uit zijn Duitse gevangenschap terugkeert naar Engeland, overigens in gezelschap van de inmiddels voor een twaalfde eeuwse dame hoogbejaarde Eleanor, maakt hij kennis met 'de hertog van Leuven'. Hiermee bedoelt ze naar alle waarschijnlijkheid de hertog van Brabant. Onder keizer Frederik Barbarossa werd de graaf van Leuven namelijk verheven tot hertog van Brabant.

Eleanor komt in het verhaal van Weir naar voren als een zeer belangrijke, misschien wel de belangrijkste, middeleeuwse vorstin, met een wel buitengewoon bewogen leven. Uniek voor een twaalfde eeuwse hoogadellijke vrouw. De vraag is echter of we de historische Eleanor wel op de juiste wijze hebben leren kennen. Daarvoor is meer kritische zin nodig, het vermogen vooroordelen uit bronnen te filteren en minder slordigheid wat betreft de historische feiten. Door het boek heb ik echter wel veel zin gekregen om naar de echte Eleanor of Aquitaine op zoek te gaan.


Alison Weir - Eleanor of Aquitaine. By the Wrath of God, Queen of England. London (1999) 2007.


1. Ralph V. Turner - Eleanor of Aquitaine. In: Groniek nr. 198 (2013) p. 23-33. 


woensdag 7 juli 2021

Een oorlog die nooit overgaat




Joyce de Bos, auteur van Ik vertrouw je tot vandaag, is in hetzelfde jaar geboren als mijn jongere zus. We behoren, als late babyboomers, tot dezelfde generatie en dus groeiden we op in een tijd waarin de Tweede Wereldoorlog vanzelfsprekend een grote rol op de achtergrond speelde. Voor mij, geboren in 1951, was de oorlog aanvankelijk iets uit de oudheid, maar naarmate ik ouder en bewuster werd, kwam hij almaar dichterbij en niet alleen omdat ik geschiedenis ging studeren.

Voor mijn ouders betekende de oorlog een waterscheiding. Ze hadden het er weliswaar regelmatig over, maar ze dachten over hun leven vooral in termen als 'voor de oorlog' en 'na de oorlog'. Anders dan Joyce de Bos zie ik mezelf niet als een tweede generatie oorlogsslachtoffer. Ja, er is in de familie het mysterie van de oudste broer van mijn grootvader, die in 1942 ergens in Saksen-Anhalt is doodgeschoten, maar waarvan niemand het hoe en waarom weet. 'Oorlogsslachtoffer' staat bij zijn naam op het ereveld van Loenen, waar hij ligt begraven en daar moeten we het voorlopig mee doen.

Ja, mijn vader werd als jongen bij een razzia opgepakt en tewerkgesteld in Duitsland, maar daar bleek hij vanwege zijn gezondheid al snel meer een last dan een gemak. De Duitsers stuurden hem naar huis. Hij meende dat zijn uitstekende Duits daar misschien een rol in heeft gespeeld. Over de wijze waarop hij werd behandeld zweeg hij verder. Een keer heb ik hem ontdaan gezien, toen hij in een Duitse douanier een man dacht te herkennen die hem had mishandeld. Verder gingen zijn oorlogsverhalen vooral over het bombardement op Rotterdam en de hongerwinter.

Ja, er waren de verhalen van mijn moeder over een omgekomen Joodse huisvriend, over het onderduiken van mijn oom in het verre Arnhem, vanwege een NSB'er in de straat, en over de verloofde van mijn tante, die pal na de bevrijding bezweek aan tuberculose, maar al met al kwam de familie er redelijk vanaf.

Bij Joyce de Bos ligt dat heel anders. In haar autobiografische roman verhaalt ze over haar zoektocht naar de oorlogservaringen van haar vader, voor zover hij daar zelf niet over vertelde. Die ervaringen zijn heftig, heel heftig. Het lijkt een wonder dat hij als jongen de oorlog heeft overleefd. De vernederingen en mishandelingen die hij onderging drukten niet alleen een levenslang stempel op hem, maar ook op zijn gezin. Uiteindelijk loopt zijn huwelijk erop stuk.

De roman illustreert het feit dat de Tweede Wereldoorlog het leven van de tweede generatie slachtoffers diepgaand kan beïnvloeden, om van de eerste niet te spreken. De relatie van Joyce met haar vader kent zowel tedere als dreigende, warme en schokkende momenten en wordt bij het ouder worden steeds sterker door vaders oorlogsverleden bepaald. Uiteindelijk worden de herinneringen zo bitter en pijnlijk, dat zijn leven ondragelijk wordt en hij kiest voor euthanasie.

Het verhaal is enerzijds fascinerend, anderzijds schokkend om te lezen. Misschien had de schrijfster er goed aan gedaan om zich hier en daar, met name in de slotscènes van het boek, wat minder te verliezen in details. Suggestie in plaats van expliciet benoemen kan een vertelling soms ten goede komen. Dat doet echter niets af aan het feit dat het boek je net als in een goede film meesleurt, waarna je aan het einde, als het doek valt, een tijdje moet bijkomen van alle emoties. Ik besefte na de laatste bladzijde dat niet iedere babyboomer de oorlog even goed doorkomt.


Joyce de Bos - Ik vertrouw je tot vandaag. Avenir Publishing 2021.


dinsdag 22 juni 2021

Over een moord en een slimme publiekstrekker




Op de lagere school moesten wij het, wat de geschiedenislessen betreft, doen met de verhalen van de meester en twee flinterdunne boekjes van G. Prop, getiteld Vaderlandse geschiedenis in woord en beeld. In deel 1 behandelde Prop de geschiedenis vanaf de Hunebedbouwers tot en met de dood van Willem de Zwijger. Ook de Hollandse graaf Floris V kwam aan bod. Over hem meldt Prop op pagina 31 van mijn 16e druk (1958):


1. Willem II, graaf van Holland, was door de Duitse vorsten tot Rooms-Koning gekozen; als hij te Aken zou gekroond zijn, was hij keizer geworden; maar in 1256 sneuvelde hij tegen de West-Friezen.

2. Zijn zoon Floris V was de vriend der dorpers en poorters, welke hij beschermde tegen de edelen, die alle mindere volk minachtten: ze noemden Floris spottend: "der kerelen God".

3. Daarom haatten de edelen hem: vooral, toen hij van sommigen het land afnam en 't hun slechts in leen teruggaf. (De graaf heette dan leenheer, de edele leenman).

4. Na een feest te Utrecht namen een aantal ontevreden edelen, o.a. Gerard van VelzenGijsbrecht van Amstel en Herman van Woerden, de graaf gevangen.

5. Ze wilden hem naar Engeland laten brengen, maar toen het landvolk in grote groepen kwam aanlopen, vermoordden de edelen Floris V (1296).




Prop toon zich een meester in de beperking. We vergeven hem graag het foutje 'namen een aantal'. Sprekend verslik ik me ook weleens in dat vaak als meervoud aangeziene enkelvoud, maar ondertussen zat ik als in geschiedenis geïnteresseerde schooljongen wel vast aan dat beeld van die kerelen God, die door ontevreden edelen in het aanzicht van het aanlopende landvolk aan zijn einde kwam. 

Toen ik wat jaren later naar de Pedagogische Akademie ging, om zelf bekwaam te worden in het lesgeven in, onder veel meer, de vaderlandse geschiedenis, gaf Dr. A. van Hulzen in deel 1 van zijn Vaderlandse Geschiedenis (Groningen 1970) een completer beeld van Floris V, uitgaande van wat men toen dacht te weten: Floris was er vooral op uit om de grenzen van zijn graafschap te verleggen. 

Dat laatste nu, blijkt mediëvist Henk 't Jong, in zijn onlangs verschenen boek De tombe van Floris V, niet te onderschrijven. Hij komt tot de conclusie 'Dat hij [Floris V - KK] een behoorlijke invloed heeft gehad op de groei van zijn graafschap, zonder dat er een uitgewerkt plan klaarlag om land te veroveren, zoals in de schoolboekjes en de Canon wordt gesuggereerd' (p. 198)En dat al niet eens meer in de jongste versie van de Canon van de Nederlandse geschiedenis, waaruit Floris V is geschrapt.

In de ogen van 't Jong was Floris V iemand die een rol speelde 'als typisch middeleeuwse vorst met wie dingen gebeurden in plaats dat hij ze veroorzaakte'. In zijn boek stelt Henk 't Jong, op grond van uitgebreid bronnenonderzoek, het niet geheel juiste beeld bij dat wij hadden van deze belangrijke zoon van rooms-koning Willem II. Hij doet dat, zoals we van hem gewend zijn uit zijn eerdere boeken (over het graafschap Holland en over Dordrecht, in de middeleeuwen lange tijd de belangrijkste stad van dat graafschap), in eenvoudige, duidelijke taal, waarin overbodig jargon wordt vermeden, zodat het verhaal ook voor de belangstellende leek begrijpelijk is. Het boek is ruim geïllustreerd, waarbij 't Jong, ook heraldicus, zelf een aanzienlijk deel voor zijn rekening neemt.

De tombe van Floris V gaat niet alleen over het leven en de betekenis van Floris, maar, de titel zegt het al, ook over zijn tombe. Die staat namelijk in de Sint-Laurenskerk in Alkmaar, maar er is iets vreemds mee aan de hand. Volgens de bronnen is de graaf niet in Alkmaar begraven, maar in Rijnsburg. Hij zou wel direct na zijn gewelddadige dood naar Alkmaar zijn gebracht en daar opgebaard hebben gelegen. Bij die gelegenheid zou hij zijn gebalsemd. Een inscriptie van zo'n twee eeuwen later vermeldt dat in de Alkmaarse kerk de ingewanden van de graaf begraven zijn. Inscriptie en tombe dateren van kort nadat de kerk in 1468 door een omvallende toren zo werd beschadigd dat hij opnieuw moest worden opgebouwd. Dat er sprake was van het begraven van ingewanden op de ene en het lichaam op een andere plaats, acht 't Jong niet aannemelijk. Wel dat hier waarschijnlijk sprake is van wat we heden ten dage een slimme truc zouden noemen om publiek te trekken. De wederopbouw van de kerk was immers een dure zaak.

In De tombe van Floris V leren we niet alleen een andere Floris kennen dan die uit de schoolboekjes, maar we komen ook het nodige te weten over zijn intelligente manier van besturen en zijn rol in de internationale diplomatie. Het op het oog nietige Holland en zijn op tragische wijze omgekomen graaf speelden daarin een niet onbelangrijke rol. Het verhaal van de tombe is daarbij intrigerend en hier ontpopt 't Jong zich als een zorgvuldig speurende detective. Zijn kritiek op sommige van zijn voorgangers, en vooral op de schoolboekenschrijvers, snijdt hout. Dat is allemaal op prettige wijze te lezen in een boek dat mij van begin tot einde heeft geboeid.

Henk 't Jong - De tombe van Floris V. Het tragische einde van de graaf van Holland. Omniboek, Utrecht 2021.

zondag 20 juni 2021

Het berouw van Henry VIII




De lijvige biografie van Thomas Cromwell (1485-1540), geschreven door de Oxfordse hoogleraar in de kerkgeschiedenis Diarmaid MacCulloch, vereist niet alleen enig zitvlees, maar de lezer moet beschikken over een behoorlijke kennis van de geschiedenis van England onder de Tudors en niet bang zijn van enige details. Bij de gemiddelde lezer zal Thomas Cromwell, overigens geen directe voorzaat van Oliver Cromwell, de latere Lord Protector van Engeland, kennen van de trilogie door Hilary Mantel. Mantel heeft voor die serie uitstekend onderzoek gedaan, maar het blijft fictie. Met Thomas Cromwell. A Revolutionary Life beschikken we over een wetenschappelijk verantwoorde levensbeschrijving van deze uitzonderlijke dienaar van koning Henry VIII (1491-1547).


In zijn studie legt MacCulloch de nadruk op de carrière die Cromwell maakte, aanvankelijk als dienaar van kardinaal Wolsey en, nadat deze in ongenade was gevallen, van Henry VIII. De jeugdjaren van Cromwell komen slechts aan de orde waar dat relevant is voor zijn latere carrière, zoals zijn Italiaanse connecties. Cromwell valt op door zijn tomeloze energie en uitzonderlijke, bestuurlijke talenten, waarbij hij, ondanks zijn groeiende macht en invloed, aanvankelijk buiten de schijnwerpers wist te blijven. Vrij laat in zijn carrière werd hij verheven tot baron Cromwell of Wimbledon en in het jaar van zijn dood, 1540, werd hij earl of Essex. Van meer belang waren de ambtelijke functies waarin hij stap voor stap werd benoemd en die getuigden van zijn groeiende macht en invloed. Als Lord Privy Seal werd hij de belangrijkste adviseur van de nogal wispelturige en soms overhaast oordelende Henry VIII.


Cromwell speelde een grote rol in de scheiding van Henry VIII van Catharina van Aragon en het totstandkomen van het huwelijk met Anne Boleyn, waardoor er uiteindelijk een scheuring ontstond tussen de Engelse kerk en Rome. De Anglicaanse kerk die zich daaruit ontwikkelde draagt volgens MacCulloch in sterke mate het stempel van Cromwells bemoeienissen. Een en ander betekende ook dat onder zijn leiding de geleidelijke ondergang van het Engelse kloosterleven een feit werd, een ontwikkeling die de kroon geen windeieren legde. 


Thomas Cromwell speelde ook een belangrijke rol in de val van Anne Boleyn. Nadat de moeder van de latere koningin Elizabeth I wegens hoogverraad in 1536 werd onthoofd, trouwde Hendrik nog hetzelfde jaar met Jane Seymour. Saillant detail: Cromwells zoon Gregory zou een jaar later trouwen met haar zuster Elizabeth, waardoor hij een zwager van de koning werd en oom van de latere koning Edward VI. De Lord Privy Seal was echter ook verantwoordelijk voor het ongelukkige huwelijk van Henry VIII met Anna van Kleef (1540) en die bemoeienis zou uiteindelijk leiden tot zijn val en executie wegens hoogverraad op 28 juli 1540.


Een van de grootste verdiensten van Cromwell is volgens MacCulloch de rol die hij toebedeelde aan het parlement. Waar in de loop van de zestiende eeuw de invloed van veel uit de middeleeuwen stammende parlementen tanende was, door een opkomend centralisme onder de vorsten, was dat bij het Engelse, mede onder invloed van Cromwell, niet het geval en bleef het een factor van betekenis. De val van Cromwell, mede bewerkstelligd door enkele gezworen vijanden, zoals de hertog van Norfolk en Stephen Gardiner, de conservatieve bisschop van Winchester, betekende dat Henry VIII zichzelf beroofde van zijn meest capabele bestuurder. Dat hij spoedig spijt kreeg van zijn ondoordachte optreden, leidt MacCulloch af uit het feit dat niet alleen op allerlei terreinen het door Cromwell ingezette beleid werd voortgezet, maar dat ook zijn belangrijkste dienaren, zoals sir William Cecil and sir Ralph Sadler, hun posities aan het hof behielden. Zijn zoon, baron Gregory Cromwell, raakte na de executie van zijn vader niet uit de gunst bij Hendrik VIII.


MacCullochs studie mag met recht een monumentaal werk worden genoemd, dat berust op uitgebreid bronnen- en literatuuronderzoek en dat naar mijn mening nog vele jaren hét standaardwerk over Thomas Cromwell als rechterhand van Henry VIII zal blijven.


Diarmaid MacCulloch - Thomas Cromwell. A Revolutionary Life. 728p. Viking. New York 2018.