zaterdag 27 juni 2026

Uit geweld geboren...




Peter Malcontents boek Splijtzwam in de polder gaat in de eerste plaats, de titel zegt het al, over hoe het Israëlisch-Palestijns conflict in Nederland uitgroeide tot een politieke splijtzwam, die tot op de dag van vandaag leidt tot scherpe tegenstellingen in de samenleving. Om te begrijpen hoe het zover is gekomen, dient men goed op de hoogte te zijn van de geschiedenis van het conflict, die teruggaat tot de opkomst van het zionisme in de negentiende eeuw. Daarom besteedt Malcontent daar in het eerste hoofdstuk ruim aandacht aan.

De Balfourverklaring tijdens de Eerste Wereldoorlog, de opdeling daarna van de Arabische delen van het Osmaanse Rijk in mandaatgebieden, waarbij de Britten het voor het zeggen kregen in Palestina, de Joodse immigratie naar Palestina na de Eerste en vooral Tweede Wereldoorlog en de schuldgevoelens in Europa vanwege de Holocaust spelen daarin allemaal een rol. De Zionistische terreur na de Tweede Wereldoorlog, men denke onder meer aan de aanslag op het King David hotel in Jerusalem, leidde uiteindelijk tot de oprichting van de staat Israël en het verdrijven van meer dan zevenhonderdduizend Palestijnen van huis en haard.

Nederland hield zich aanvankelijk zoveel mogelijk onzijdig. Daarbij speelden zowel de angst Nederlands-Indië, met zijn grote moslimbevolking, te verliezen als schuldgevoelens over de Holocaust een rol. Dat veranderde na de Zesdaagse Oorlog in 1967. Er volgden vele jaren van vrijwel kritiekloze steun aan Israël die gepaard ging met een opvallende onverschilligheid ten aanzien van de rechten van de Palestijnen. Die steun was in de Nederlandse samenleving weinig omstreden.

Gedetailleerd verhaalt Malcontent hoe langzaam, heel langzaam de steun voor Israël afbrokkelde, zonder dat de sympathie voor de Palestijnen aanvankelijk significant toenam. Soms moest Nederland als gezworen Israël-vriend toch iets buigen in Palestijnse richting onder druk van de toenemende samenwerking in de EU op buitenlands politiek terrein. Vaak ging dat niet van harte. Meestal was economische steun aan de Palestijnen (in het bijzonder aan de Palestijnse Autoriteit onder leiding van onbekwame en corrupte figuren als Yasser Arafat en Mahmoed Abbas), met name na de Oslo-akkoorden, waar uiteindelijk na eindeloos traineren door Israël weinig van terechtkwam, minder problematisch dan politieke. Nog steeds heeft Nederland Palestina niet als onafhankelijke staat erkend.

Ook aan de orde komt hoe in Nederland de sympathie voor Israël meer en meer afbrokkelde, tot het huidige dieptepunt. Zelfs de 'Atlantische connectie' (waardoor Nederland steeds weer de neiging heeft de VS, die wordt gezien als de enige die het conflict zou kunnen oplossen, niet voor de voeten te lopen), staat door het aantreden van Trump onder druk. Het buitenproportionele geweld waarmee Israël steevast reageert op aanslagen en geweld vanuit het Palestijnse verzet tegen de bezetting van de Westoever en de onderdrukking van de bevolking van Gaza speelt een belangrijke rol in de groeiende Nederlandse afkeer. Malcontent noemt het niet met zoveel woorden, maar al lezend vraag je je af wie eigenlijk de ware terroristische beweging is. Als je kijkt naar de voortdurende mensenrechtenschendingen, het geweld jegens Palestijnse burgers, de genocide in Gaza, het kolonistengeweld op de Westoever en de voortdurende bouw van illegale nederzettingen daar, ontkom je niet aan de conclusie dat dat staat Israël zelf is.

Tenslotte stelt Malcontent de rol van de Holocaust aan de orde, die na de oorlog is gaan fungeren als een nieuw soort moreel kompas in onze maatschappij. De politieke en maatschappelijke verdeeldheid over het Israëlisch-Palestijns conflict verscherpt zich onder meer door de rol die extreem rechts (PVV, FvD) speelt. Daar heerst blinde steun voor Israël, hoe ernstig het land zich ook keer op keer misdraagt, evenals bij orthodox-christelijk Nederland. Dat van de aanvankelijke steun voor Israël op links, zoals bij de PvdA, niets meer over is verklaart Malcontent uit de verkiezingsnederlagen van de Israëlische Arbeiderspartij en de extreme verrechtsing van de Israëlische politiek, waar huidig premier Netanyahu uit politiek lijfsbehoud volledig afhankelijk is geworden van ultrarechtse partijen. Vooral extreem rechts, maar evenzeer de VVD, hebben de neiging het conflict ook te misbruiken voor electorale redenen.

In het nawoord noemt hij het zich almaar voortslepende conflict, dat steeds weer het Nabije Oosten destabiliseert, een evergreen. Ik vrees dat het dat nog lang zal blijven. Dat de EU de rol van de VS zou kunnen overnemen om Israël uiteindelijk te dwingen tot een oplossing van dit giftige conflict, lijkt me voorlopig een vorm van wensdenken.


Peter Malcontent, Splijtzwam in de polder. Nederland, Israël en Palestina. Amsterdam 2025. ISBN 9789024473892.


maandag 22 juni 2026

Stad van beeldende kunstenaars




Het boek De stad als atelier van Jan Willem Boezeman onderstreept op boeiende wijze mijn stelling dat Dordrecht vooral een stad van beeldende kunstenaars is. Over het waarom dat zo is, is al veel geschreven. Het heeft bijvoorbeeld te maken met Dordt als waterstad, met het bijzondere licht dat dat met zich meebrengt. Na de Tweede Wereldoorlog kwam een flink aantal kunstenaars uit Rotterdam naar Dordrecht, omdat daar meer atelierruimte beschikbaar was, zo lees ik in het boek. Onder hen mijn onvergetelijke leraar tekenen Lou ten Bosch.


Het moet een geweldige klus zijn geweest om alle woonadressen en de levensloop van 238 beeldende kunstenaars die vanaf de 16e eeuw in de stad woonden en werkten uit te zoeken, maar Boezeman en zijn vrijwilligers van het Augustijnenhof zijn niet voor een kleintje vervaard. Het boek beperkt zich tot overleden kunstenaars en dat geeft al een indrukwekkend resultaat. Gezien de vele beeldende kunstenaars die nog steeds in de stad actief zijn, mogen we in de toekomst met enige regelmaat een aanvullende druk verwachten, tenzij die het eeuwige leven hebben. Je weet maar nooit met al die nieuwlichterij zoals AI.


Op het voorplat van het prachtig verzorgde boek staat het huis Samson, getekend door Johannes van Lexmond. Dat was ooit het woonhuis van Jacob Gerritsz. Cuyp en zijn zoon Aelbert. De laatste heeft ook een tijd gewoond, zo leert mij het boek, op de plek waar nu de Boterbeurs staat, het gebouw waar in 1842 het Dordrechts Museum het licht zag. Later trok de Openbare Bibliotheek er in, waar toen de legendarische Nel Snouck Hurgronje als directrice de scepter zwaaide. Kees Buddingh', die zelf ook in het boek voorkomt vanwege zijn bekende 'kastjes', schrijft daarover in zijn dagboeken en ik herinner me nog uit mijn vroege jeugd dat ik er met mijn vader boeken ging lenen, maar dit alles terzijde.


Naast bekende schilders als de familie Cuyp, Samuel van Hoogstraten, Cornelis Bisschop, Ferdinand Bol, Arie Scheffer, Reinier Kennedy, Cor Noltee en vele anderen kwam ik ook kunstenaars tegen van wie ik nog nooit had gehoord, ondanks dat ik als bijvak aan de universiteit kunstgeschiedenis deed, en dat maakt het boek dubbel interessant. Het drukt je ook met je neus op het feit dat je kunt lezen en studeren zoveel je wil, maar dat je kennis altijd beperkt zal blijven.


De inhoudsopgave toont de kunstenaars in chronologische volgorde, dat is soms even zoeken, maar dat wordt weer vergemakkelijkt door een stratenindex achterin. Het boek, dat alles behalve een droge opsomming is, is een geweldige bron voor iedereen die belangstelling heeft voor Dordrecht, voor beeldende kunst en voor geschiedenis. De oplage is beperkt, dus wacht niet te lang om langs te gaan bij het Dordtse Augustijnenhof of je plaatselijke boekhandel.


Jan Willem Boezeman, De stad als atelier. Stichting Illustre Dordracum 2026. ISBN 9789403889290.

zondag 17 mei 2026

De 'tijdgeest' van de achttiende eeuw. Enkele overdenkingen.


    Jacob van Strij - Zomergezicht buiten Dordrecht. Dordrechts Museum.


Onderstaand artikel verscheen in het literaire tijdschrift Ballustrada, jaargang 38, nummer 3/4 in het najaar van 2024. Daarom ontbreekt het hier eerder besproken boek Verlicht en vilein van Marleen de Vries in de literatuuropgave.


Wanneer we spreken over de tijdgeest van de achttiende eeuw, doen we die eeuw tekort. Tussen pakweg 1700 en 1800 zijn verschillende 'tijdgeesten' te ontwaren, perioden waarin bepaalde opvattingen toonaangevend waren. Als we ons tenminste willen houden aan de definitie die Van Dale geeft van het begrip tijdgeest.

De achttiende eeuw stond in de geschiedenisboeken uit mijn lagere schooltijd bekend als een eeuw van saaiheid en gezapigheid. De eeuw die de zoetelijke, moralistische verzen van Hieronymus van Alphen voortbracht. Een eeuw van economische achteruitgang in de Republiek die tenslotte eindigde in de misere van de Franse tijd. Deze Jan Salie-geest zou kenmerkend zijn voor de achttiende eeuw, althans in Nederland. Of dat ook werkelijk zo was, valt te bezien.

Inderdaad, economisch werd de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden na pakweg 1700 overvleugeld door zijn grote Europese concurrenten, Engeland en Frankrijk en dan vooral door de eerste. Dat hield niet in dat de Republiek in snel tempo verarmde, dat gebeurde pas aan het einde van de eeuw, met name door de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784) en de Franse tijd (1795-1813). De Bataafse Republiek (1795-1806) was een zwakke vazalstaat van Frankrijk die door zijn grote broer werd meegesleept in de oorlogen van het revolutionaire bewind in Parijs en vervolgens in die van Napoleon. Het Continentaal Stelsel (1806-1814) was zo rampzalig voor de Nederlandse economie dat zelfs Napoleons broer, koning Lodewijk Napoleon, die van 1806 tot 1810 over het Koninkrijk Holland regeerde, probeerde er de hand mee te lichten, wat hem mede zijn troon kostte.

Tijdens de regering van Lodewijk Napoleon werd wel de bases gelegd voor het latere Rijksmuseum, de Koninklijke Bibliotheek en het Koninklijk Instituut van Wetenschappen. Waar ik als Dordtenaar minder gecharmeerd van ben is des konings besluit om de munt, sinds het laatste kwart van de veertiende eeuw gevestigd in mijn stad, te verplaatsen naar Utrecht. Ook werd onder zijn bewind een begin gemaakt met het scheppen van eenheid in de rechtspraak, een belangrijke, bindende factor in de maatschappij. Dat is formeel al niet meer in de achttiende eeuw, maar ontwikkelingen reiken nu eenmaal vaak over een eeuwwisseling heen.

Liever dan van een tijdgeest te spreken, heb ik het over een aantal opvallende kenmerken van de achttiende eeuw, een periode waarin veel werd gezaaid dat in later eeuwen werd geoogst. Enkele voorbeelden: de uitvinding van de stoommachine door Newcomen en Watt, die een sleutelrol speelde in het op gang komen van de Industriële Revolutie, de uitvinding van de luchtballon door de gebroeders Montgolfier, een bescheiden begin van de luchtvaart, de uitvinding van de bliksemafleider door Benjamin Franklin en de uitvinding van de koepokvaccinatie door Edward Jenner.

Een van de belangrijkste ontwikkelingen in deze eeuw is het steeds prominenter worden van de ideeën van de Verlichting, met filosofen als Jean Jacques Rousseau, Voltaire, David Hume, Adam Smith en anderen. De geletterdheid nam sterk toe, boeken werd steeds belangrijker en verschillende letterkundige stromingen, zoals de Romantiek, hebben hun wortels in de achttiende eeuw. Verlichte opvattingen, zoals die over volkssouvereiniteit, speelden een belangrijke rol bij de ondergang van het Ancient Regime in Frankrijk en het ontstaan van de Verenigde Staten en de Bataafse Republiek.

Het laatste kwart van de achttiende eeuw kenmerkt zich door revoluties. Allereerst de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog (1775-1783), een revolutie tegen het Britse, koloniale gezag. Deze leidde tot het ontstaan van de Verenigde Staten, de eerste (federale) staat die een grondwet kreeg op basis van de Trias Politica, de leer over de scheiding van de staatsmachten die werd uitgewerkt door de Verlichtingsfilosoof Montesquieu.

Ten tweede de Patriottenrevolutie in de Republiek der Verenigde Nederlanden (1780-1787), waarin de door Verlichtingsidealen geïnspireerde regenten en de gegoede burgerij zich keerden tegen het absolutisme van stadhouder Willem V. Hoewel de revolutie uiteindelijk de kop werd ingedrukt door de zwager van Willem V, de koning van Pruisen, keerden veel patriottische ideeën terug in de constitutie van de latere Bataafse Republiek. In deze periode richtten burgers in Holland milities op, exercitiegenootschappen, om zich zonodig tegen de stadhouder te weren. In mijn stad, Dordrecht, werd in 1783 het eerste opgericht onder de veelzeggende naam De Vrijheid.

Ten derde de Franse Revolutie, die begon met de bestorming van de Bastille in Parijs op 14 juli 1789, een dag die nog steeds met veel militair vertoon in Frankrijk wordt gevierd. De overbekende motto van de Franse Revolutie was Egalité, Liberté, Fraternité. Desondanks liep deze revolutie uit op een bloedbad, een schrikbewind onder Robespierre en zijn Comité de salut public, met als slotakkoord de Napoleontische oorlogen met alle ellende van dien, maar dan zitten we alweer in de negentiende eeuw. Nederland heeft er de terugkeer van de Oranjes aan te danken, alsmede de Tiendaagse Veldtocht, maar nu dreigen we ietwat uit de bocht te vliegen.

Tegenover de veronderstelde gezapigheid in de Republiek der Verenigde Nederlanden staat niet alleen het opstandige elan der Patriotten, maar zien we op cultureel gebied de opbloei van tal van genootschappen, al dan niet, in het voetspoor van de Verlichting, met als doel het opheffen van de gemene man. De Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, opgericht in Edam in 1784 is hier een schoolvoorbeeld van. In Dordrecht richtten de schilder Abraham van Strij en enkele andere kunstenaars het Teekengenootschap Pictura op, dat dit jaar zijn 250-jarig bestaan viert. Een ander icoon is de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, die in 1766 het levenslicht zag in Den Haag.

In mijn schooltijd gold onder veel Neerlandici de overtuiging dat het met de vaderlandse letteren in de achttiende eeuw niet veel zaaks was. Ik noemde Hieronymus van Alphen reeds, maar het was toch ook de eeuw van Betje Wolff en Aagje Deken, alsmede van Belle van Zuylen. Misschien gaat het iets te ver om hen als evenknieën te beschouwen van de Engelse schrijfster Mary Wollstonecraft, voorloper van de vrouwenemancipatie, maar hun ideeën zijn tot op heden actueel en misschien is het niet toevallig dat het hier in alle gevallen om dames gaat. Wat te denken ook van Sarah Ponsonby en lady Eleanor Butler, twee vrouwen uit de Anglo-Ierse adel die vluchtten naar Wales en er daar een gezamenlijke huishouding op na hielden in hun landhuis Plas Newydd bij Llangollen. Een huis dat als een magneet werkte op de Britse culturele elite.

Het lijkt me niet gedurfd om te beweren dat de wortels van de vrouwenemancipatie teruggaan tot de achttiende eeuw, zoals dat ook het geval is met het verzet tegen de slavernij, al was dat meer een zaak van de Engelsen dan van de Nederlanders, want wat het abolitionisme aangaat, sukkelde Nederland vooral mee in de achterhoede en duurde het tot ver in de negentiende eeuw voordat het lot van de slaven (en laten we in 's hemelsnaam die lelijke uitdrukking 'tot slaaf gemaakten' nooit meer gebruiken) op enige belangstelling kon rekenen. Dat gold mutatis mutandis wat de overheid betreft ook voor het wel en wee van het vaderlandse proletariaat, maar dit terzijde.

De veelzijdigheid van de achttiende eeuw, waarin de Franse culturele invloed dominant was, althans in continentaal Europa, toont zich ook in een beweging als het Libertinisme. Vooral onder invloed van een op seks beluste, zich in de luxe van Versailles vervelende adel, veranderde deze stroming steeds meer van een spirituele, op de vrije geest gerichte beweging, in eentje van een niets ontziende losbandigheid. Een belangrijke propagandist daarvan was de Markies de Sade, waarvan de boeken in mijn tienerjaren opnieuw in het Nederlands werden vertaald door Hans Warren en die wij, uiteraard, met rode oren lazen. Daar kon de overigens voortreffelijk schrijvende Jan Wolkers niet tegenop. Tegenover die losbandigheid stond dan weer de puriteinse maatschappij zoals die zich na de onafhankelijkheid in de Verenigde Staten ontwikkelde. Lees daar The Scarlett Letter van Daniël Hawthorne maar eens op na.

Kortom, de achttiende eeuw is een caleidoscoop vol veelzijdigheid, boeiende tegenstellingen en ontwikkelingen die doorwerken tot in onze tijd. Ik zou er een boek over kunnen schrijven, ware het niet dat dat recent al is gedaan. Ik noem enkele eigentijdse boeken die zeker het lezen waard zijn, terwijl natuurlijk ook de literatuur uit de periode zelf aanbevolen blijft. Ik heb bijvoorbeeld bij geruchte gehoord dat De historie van mejuffrouw Sara Burgerhart binnenkort wordt heruitgegeven. Mocht dat gerucht niet kloppen, dan is er nog altijd wel een bibliotheek die het boek koestert.

Recent las ik: De adembenemende achttiende eeuw van de Vlaamse historicus Francis Weyns (Gent 2022). Voor wie zijn taaie schrijfstijl aankan is Patriots and Liberators. Revolution in the Netherlands 1780-1813 van Simon Schama (New York 1977) aanbevolen, evenals The Ladies of Llangollen: A Study in Romantic Friendship van Elizabeth Mavor, in 2001 verschenen bij Penguin. Na lezing van dat boek wil je terstond een bezoek aan Plas Newydd, tegenwoordig museum, brengen. Dan ben je echt terug in die geweldige achttiende eeuw.

dinsdag 9 september 2025

Afscheid van 'Ons-Indië'




Kort na het aftreden van president Suharto reisde journalist Michel Maas naar Indonesië, waar hij achttien jaar verbleef als correspondent. In die tijd veranderde zijn beeld van het land. Toen hij er heenging was dat vooral het beeld dat je in Nederland tegenkomt. Nederland, het land dat zijn voormalige kolonie eigenlijk nog steeds niet kan loslaten en Indonesië nog altijd ziet door de bril van de koloniale herinneringen. Het land van Nina Bobo, 'Ons-Indië' en Slamat tidur, kleine blanda. Het land dat al tachtig jaar niet meer bestaat, maar in Nederland nog voorleeft. Tachtig jaar geleden, op 17 augustus 1945, verklaarde Indonesië zich onafhankelijk, een datum die Nederland nog steeds niet erkent. Tekenend, vindt Maas.

Bij ons staat 27 december 1949 in de boeken, toen koningin Juliana officieel de onafhankelijkheidsoverdracht ondertekende, aan het einde van een bloedige oorlog. Volgens Maas was dit een propagandatruc om gezichtsverlies te maskeren en het zo voor te stellen dat Nederland de kolonie welwillend de onafhankelijkheid gaf.

Kern van het boek is de totaal andere kijk die Indonesië en Nederland hebben op de geschiedenis van de voormalige kolonie. Voor Indonesië was dat een voorbijgaande, al bijna vergeten fase, voor Nederland een niet te verwerken verlies. Nog steeds kijken veel Nederlanders nostalgisch terug naar het Tempo Doeloe, de djongos, de baboe en wellicht ook de njaj. Met trots op wat Nederland allemaal voor de kolonie heeft gedaan. Ethische politiek, ziekenhuizen, wegen, spoorwegen, bruggen, vliegvelden, scholen. Volgens Maas heeft Nederland in de kolonie vooral nietsontziend zijn eigenbelang nagestreefd ten koste van de inheemse bevolking. In Indonesië klinkt de vraag: wat kwamen jullie hier eigenlijk doen en waarom kwamen jullie na de Japanse bezetting terug? Dat de bevolking in 1945 de Nederlanders volkomen zat was, stuitte bij de kolonisator op onbegrip en leidde tot ongebreidelde agressie.

Door de ervaringen tijdens zijn correspondentschap is Maas niet meer de Nederlander die in Indonesië de sporen van het koloniale verleden zoekt, die vertederd glimlacht als hier of daar een Nederlands woord klinkt, maar die zich nog altijd superieur voelt aan wat vroeger de inlander werd genoemd. Indonesiër is hij echter ook nooit geworden. Wel geeft hij voorbeelden van mensen die zo'n beetje tussen de Indonesische werkelijkheid en de koloniale droom leven. En passant komt hij ook met allerlei voorbeelden van het leven in hedendaags Indonesië, waar Nederland zo goed als vergeten is. Dat maakt het voor iedereen die belangstelling heeft voor het koloniale verleden een bijzonder boek. Na lezing ga je misschien toch wat anders aankijken naar 'het groots' dat wij daar hebben verricht.


Michel Maas - De gelogen kolonie. Naar Indonesië om Indië te vergeten. Atlas-Contact 2025.


woensdag 20 augustus 2025

De botheid bleef




Vaak denken mensen als het gaat over de achttiende-eeuw aan een periode van gezapigheid die wordt gekenmerkt door de brave versjes van Hieronymus van Alphen, auteur van het bekende gedicht De pruimeboom. Een eeuw waarin weliswaar allerlei Verlichtingsideeën doorbraken, maar die meer nog gekenmerkt werd door de traagheid van de trekschuit en het steeds meer door concurrenten overvleugeld worden van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Een eeuw waarin allerlei ontwikkelingen ontstonden die uiteindelijk zouden leiden tot onze huidige samenleving, maar daar moest dan nog wel verschrikkelijk veel tijd overheen gaan. Een eeuw die zich eigenlijk niet kon meten met de glorierijke zeventiende.


Wie zulke gedachten over Nederland in de achttiende eeuw koestert moet beslist het boek Verlicht en vilein lezen van Marleen de Vries. Dan kom je in de eerste plaats heel wat zaken tegen die je doen denken aan de dag van vandaag. "Achttiende-eeuwers hadden korte lontjes en waren minstens zo driftig, direct en grofgebekt als de hedendaagse Nederlanders die zich anoniem uitleven op de sociale media - botheid is een constante in de Nederlandse cultuur - maar uiteindelijk stond dat de vooruitgang niet in de weg," schrijft ze op pagina 20. Die vooruitgang hebben we volgens De Vries "te danken aan idealistische burgers die geloofden in verandering en die bleven vechten voor een rechtvaardiger en humanere maatschappij."


Er veranderde nogal wat tussen pakweg 1700 toen in de woorden van De Vries de Republiek nog het meest leek op een hedendaagse bananenrepubliek "met corrupte regenten die de macht onderling verdeelden" en 1800. Aan het eind van de eeuw waren er een grondwet, waren kerk en staat gescheiden, was er gelijkberechtiging van alle religies, kende het land vrijheid van meningsuiting en begon men op nationaal niveau aandacht te besteden aan het onderwijs, waarvan het belang meer en meer werd ingezien. Ideaal was het nog niet, vrouwen hadden nog lang geen stemrecht en stonden nog immer onder de voogdij van een man. De handelingsonbekwaamheid van een gehuwde vrouw werd pas in 1956 afgeschaft en toen ik in 1955 op de kleuterschool zat, raakten we onze geliefde juf halverwege het jaar kwijt omdat ze ging trouwen, wat haar gedwongen ontslag betekende.


De achttiende eeuw kende vele veranderingen en politieke spanningen, uitlopend op de revolutie van 1780-1787, die eindigde in een korte burgeroorlog en het ingrijpen van de Pruisen. Op cultureel gebied was het op allerlei terrein een bloeiperiode, met vooral de opvallende opkomst van de literatuur in de vorm van de roman. Denk bijvoorbeeld aan de namen Betje Wolff en Aagje Deken, Rhijnvis Feith en Belle van Zuylen. Het was, met name na 1750, de eeuw van de wetenschappelijke en kunstzinnige genootschappen, waarvan sommige nog steeds een rol spelen. Denk aan de Hollandse Maatschappij der Wetenschappen (Haarlem 1752), de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen (Edam 1784), de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (Leiden 1766) en in mijn eigen stad, Dordrecht, het oudste Teekengenootschap van Nederland, Pictura (1774).


De turbulente, allesbehalve gezapige achttiende-eeuw vertoont nogal wat parallellen met onze tijd. De eeuw "stierf van zwendelende aandeelhouders, leugenaars en bedriegers, venijnige dichtstukken en satirische prenten." De laatste twee werden verspreid door middel van pamfletten, de 'sociale' media van die tijd. In die pamfletten werden tegenstanders uitgescholden en soms, even anoniem als bij de computerhelden van nu, met de dood bedreigd. Ook tierden antisemitisme, seksisme en anti-papisme welig en werd van alles wat er misging, de economische crisis, de hopeloos verlopende oorlog met Engeland, de schuld aan 'de buitenlanders' gegeven. In de achttiende-eeuw waren dat vooral arbeidsmigranten en Duitse seizoenarbeiders. Het klinkt nogal modern. Desondanks kwam er tegen het einde van de eeuw ook zoiets op als een moderne publieke opinie, wat vooral te danken was aan de opkomst van de tijdschriften.


In vlot, verfrissend proza beschrijft Marleen de Vries het Nederland van de achttiende-eeuw, de eeuw die ook wel de pruikentijd wordt genoemd. Aan het einde ervan verdween in vooruitstrevende kringen de pruik langzamerhand en begon de samenleving traag te groeien naar een maatschappij zoals we die nu kennen. Daarmee verdwenen niet alle negatieve karaktereigenschappen van de Nederlander, zo leert ons een snelle blik op een internetriool als X.


Marleen de Vries, Verlicht en vilein. Een biografie van achttiende-eeuws Nederland. Amsterdam 2023.

vrijdag 30 mei 2025

Sjoelen met Johan de Witt




Vierhonderd jaar geleden werd Johan de Witt geboren. Het Dordrechts Museum wijdt er een tentoonstelling aan, vergezeld van een fraai uitgevoerde en informatieve catalogus. Deze zomer besteedt ook de Dordtse bibliotheek aandacht aan Johan de Witt. Iedereen die de vestiging in het centrum bezoekt gaat aan het standbeeld van Johan en zijn broer Cornelis voorbij en zet misschien wel de fiets daar neer, want beide broers, stammend uit een geslacht van kooplieden en ondernemers, drijven heden ten dage een fietsenstalling. Daar wordt door allerlei mensen over gemopperd, maar ik vind dat helemaal niet zo gek. Naast de strijd tegen het water, is de fiets een van de kenmerken van 'de' Nederlander, die mag daar van mij best in beeld.


In het weekblad Dordt Centraal van 28 mei lees ik dat veel jongeren niet bekend zijn met de naam De Witt. Dat klopt, vrees ik. Dat is het gevolg van de teloorgang van het geschiedenisonderwijs en van onnozelheid of desinteresse. Soms komt het later goed. Het valt mij bij lezingen steeds weer op dat allerlei mensen die geschiedenis niet in hun 'profiel' hadden of bij de geschiedenisles geen enkele belangstelling toonden, later juist wel die interesse in zekere mate hebben ontwikkeld. Dat er een wachtlijst is voor de cursus Dordtologie stemt mij wat dat betreft ietwat optimistisch en gelukkig heeft Nederland nog enkele bekwame historici die naast wetenschappelijke ook goed leesbare publieksboeken schrijven. Bovendien: jongeren hoeven in hun jeugd niet alles te weten. We doen in Nederland toch aan 'levenslang leren'? Of is dat inmiddels ook al wegbezuinigd door ons kolderkabinet?


"Jongeren zijn denk ik niet bekend met de naam. Hij was echter een groot staatsman en is belangrijk geweest voor onze democratie," zou volgens Dordt Centraal projectleider bij de bibliotheek David Timmer in het Algemeen Dagblad hebben gezegd. Als dat klopt zou hij een opmerkelijk gebrek aan historisch besef hebben geëtaleerd. Johan de Witt belangrijk voor onze democratie? Dat is rabiate onzin. Hij was belangrijk voor allerlei zaken die de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden tijdens zijn raadpensionarisschap betroffen en en-passant ook voor de wiskunde, maar democratie? Daar was in de zeventiende eeuw nog lang geen sprake van. De steden, die via de gewestelijke staten (en indirect dus in de Staten Generaal) van de Republiek de dienst uitmaakten werden bestuurd door een kliek van (invloed)rijke regentenfamilies, die de macht zoveel mogelijk binnen eigen kring hielden. Het volk had niets in te brengen, de ambachtslieden, althans in Dordrecht, een heel klein beetje via de gilden. Dat noemen we oligarchie en bij mijn weten had Johan de Witt daar niets op tegen. Mij is niet bekend dat hij ooit iets in zijn talrijke correspondentie heeft opgemerkt over het begrip democratie, tenzij hij het misschien over het klassieke Athene had, absoluut geen democratie in de zin zoals wij die opvatten. Ik word graag gecorrigeerd als ik het fout heb.


Ik vind het als historicus uitstekend dat er veel aandacht is voor de betekenis van Johan de Witt en dat men daar ook jongeren bij wil betrekken, als het maar niet zo is dat hij er dan als voorwendsel met de lange haren bij wordt gesleept en er historisch onjuiste verbanden worden gelegd, want dan is het misschien nuttiger om met de jongeren te gaan sjoelen.



Foto: auteur


vrijdag 23 mei 2025

De wereld van De Witt




Het Dordrechts Museum pakt flink uit met de tentoonstelling De wereld van De Witt. Hij wordt gehouden naar aanleiding van het feit dat Johan de Witt vierhonderd jaar geleden aan de Dordtse Houttuinen werd geboren. Dat nemen we tenminste aan, want voor zover ik weet is er geen bewijs van zijn doop gevonden. Johan groeide op in het huis in het Grotekerksbuurt dat vader Jacob in 1630 kocht, het huis waar later zijn oudere broer Cornelis met zijn gezin woonde. Een niet geheel correcte gevelsteen herinnert er nog aan.


De tentoonstelling is zeer veelzijdig, maar de nadruk ligt toch wel op het belang van Johan de Witt als raadpensionaris van Holland, een functie waarin hij zichzelf allereerst zag als dienaar van de Staten. Holland was in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden verreweg het rijkste gewest, dat opdraaide voor het overgrote deel van de kosten voor de oorlog tegen Spanje en de oorlogen die daarop volgden. Holland en daarmee zijn raadpensionaris, maakte in feite de dienst uit in de buitenlandse politiek, een gegeven waaraan ook in de tentoonstelling aandacht wordt besteed.


De zeventiende eeuw geldt als de Gouden Eeuw van de Republiek, al mag je van sommige mensen die term niet meer gebruiken. Ik doe dat wel. Gedurende een belangrijk deel van de zeventiende eeuw was de Republiek economisch en ook heel even militair een wereldmacht. Ik mag Engelse toeristen die Dordrecht bezoeken altijd met enig genoegen vertellen over de Tocht naar Chatham in 1667 en de rol die Cornelis de Witt daarin speelde. Vijf jaar later werden hij en Johan op 20 augustus door de Haagse schutterij vermoord en daarna door het gepeupel op beestachtige wijze aan stukken gesneden, een gruweldaad waar we in Dordrecht ieder jaar op 20 augustus bij stilstaan.


Dat diezelfde Gouden Eeuw ook donkere kanten had blijkt eveneens op de tentoonstelling. Een van die donkere kanten was het kolonialisme en de rol die de Republiek daarin speelde. De persoonlijke rol van de familie De Witt was daarin vooral indirect, maar vrijwel iedere familie uit de bestuurlijke elite van die tijd had wel aandelen in of banden met maatschappijen als de VOC en de WIC. De laatste bemoeide zich flink met de transatlantische slavenhandel, waarin de Republiek in die periode korte tijd koploper was, al bedraagt het totale aandeel in deze slavenhandel over de hele periode tot de afschaffing ervan niet meer dan 5%. Goed dus dat ook aan die donkere kant aandacht wordt besteed, maar waarom dan weer die domme, nergens op slaande term 'tot slaaf gemaakten' gebruikt voor het duidelijke, spijker-op-de-kop-begrip slaven? Over een andere donkere kant van de zeventiende eeuw, het grote verschil tussen arm en rijk en de ellendige levensomstandigheden van de allerarmsten in de steden ben ik weinig tegengekomen, maar zonder dat is de tentoonstelling al rijk en informatief genoeg.


Wat ik beslist en met grote nadruk aanraad is het kopen van het boek De wereld van De Witt. Dat is veel meer dan een fraai uitgevoerde catalogus. Het bevat een aantal buitengewoon interessante en goed uitgewerkte artikelen over onder meer het leven en de betekenis van Jacob de Witt, over de jong gestorven echtgenote van Johan, de Amsterdamse regentendochter Wendela Bicker, over De Witt als gedreven staatsman en zijn relatie tot de Oranjes en de Stuarts. In dat artikel rekent Jean-Marc van Tol overtuigend af met de mythe dat Johan de Witt een grote hater van de Oranjes zou zijn geweest. Het boek, onder redactie van Marianne Eekhout, Ineke Huysman en Carolyn Mensing is een mooie aanvulling op de dubbelbiografie van Johan en Cornelis de Witt, De Ware Vrijheid, door Luc Panhuysen.


De tentoonstelling in het Dordrechts Museum is nog te zien tot 26 oktober 2025.