zondag 9 juni 2024

Verstrekkende gevolgen




Lezend in Zomervogels van Hans Erkens kreeg ik een sterke aanvechting om af te reizen naar Frankrijk, waar een groot deel van het verhaal zich afspeelt. Erkens is goed in het beschrijven van het decor van zijn verhaal en niet alleen daarin. Op indringende wijze laat hij zijn hoofdpersonen hun verhaal doen, waardoor het een boek is met een steeds wisselend vertelperspectief. Dat zorgt voor een levendig verhaal met een aantal spannende cliff hangers.

We zijn geneigd romans een etiket mee te geven. Ik vroeg me even af: wat voor boek lees ik? Een liefdesverhaal, een thriller, een document humaine? Je kunt, als je dat wil, verschillende kaartjes aan Zomervogels hangen, maar ik ben geen literatuurwetenschapper en eigenlijk interesseert het antwoord op mijn vraag me niet zo veel. Zomervogels is een boek dat gaat om de relatie tussen twee geliefden die ongewild aan veranderingen wordt blootgesteld en wat daarvan de gevolgen zijn. Die gevolgen zijn, zoals de flaptekst ons laat weten, verstrekkend. Verstrekkend en eindigend in een onverwacht drama.

Zomervogels begint en eindigt met een column, waaruit duidelijk wordt waarom deze titel is gekozen. Een bijzondere wijze om een roman 'in te sluiten' om het zo maar te zeggen. Niet geheel toevallig is een van de hoofdfiguren, Frans, journalist en columnist. De andere protagonist, Moon, zijn geliefde, komt uit een streng religieus middenstandsgezin. Tijdens haar universitaire studie ontworstelt zij zich aan de Heere en alles wat daarbij komt kijken. Beiden vinden elkaar in Rotterdam, Erkens geboortestad. Het stel gaat om praktische redenen samenwonen in Utrecht, van waaruit Frans op een gegeven ogenblik naar Frankrijk vertrekt. Moon blijft voorlopig in Nederland en reist hem later achterna. Ondertussen vindt er iets plaats dat bepalend zal zijn voor hun wederzien in het schilderachtige huisje dat het stel in de Dordogne heeft gekocht.

In een vlotte stijl zet Hans Erkens een intrigerende roman neer. Ondanks allerlei onverwachte gebeurtenissen en wendingen blijft het een helder verhaal. Zo'n boek waaraan je begint en dat je per se uit wil lezen voor je met je dagelijkse beslommeringen verder gaat. Het heeft ook nog eens een prachtige omslag, ontworpen door Josefien Egas. Een ontwerp dat je naar zwaluwenzang in Frankrijk doet verlangen.


Hans Erkens, Zomervogels. Avenir Publishing. Dordrecht 2024.


dinsdag 4 juni 2024

Als een razende Europa rond

 



Soms overkomt het me dat ik een roman lees waarin de hoofdpersoon weinig of geen raakvlakken met mij heeft, maar waardoor ik desondanks gefascineerd raak en waarmee ik mij ook kan identificeren. Zelfs als deze persoon muziekstijlen prefereert die geheel de mijne niet zijn en een leven leidt dat haaks staat op mijn nogal honkvaste bestaan. Zo'n roman is Solitaire bomen van Leen Raats.


Solitaire bomen, zegt Raats, zijn bomen die zo diep zijn geworteld, dat ze de bescherming van het bos niet nodig hebben. Ze redden zichzelf wel. Hoofdpersoon Gina is zo iemand die zichzelf wel redt. Ze leidt, zacht gezegd, een nogal onrustig en turbulent bestaan. Ze pakt om de haverklap haar biezen en verdwijnt. Kraakpanden en liefhebbers van heavy metal vormen grotendeels haar wereld, al is ze niet te beroerd om zonodig ook haar intrek in een een hotel te nemen. Niet echt de levensstijl van een boom, die, zeker diep geworteld, rust en vastigheid symboliseert. Dat de titel toch uitstekend gekozen is, wordt duidelijk aan het einde van de roman. Raats typeert Gina ook als een solitaire wolf die voor haar soortgenoten het terrein verkent. Eveneens raak omdat haar avontuur, aanvankelijk naar Noorwegen, haar naar de meest onverwachte plekken in Europa voert.

Ze is niet de enige solitaire wolf of boom. In Noorwegen ontmoet ze Maya, op reis vanuit Australië, een vrouw met een eigen verhaal dat haar naar Europa bracht. In wat enigszins lijkt op een road novel, zoals On the road van Jack Kerouac, doen Gina en Maya een aantal bijzondere en avontuurlijke ervaringen op, die hun weerslag hebben op hoe zij in het leven staan. Daarbij weet Leen Raats vaart en spanning in het boek te houden. Het cliché 'het leest als een trein' is hier zeker op zijn plaats, als een sneltrein, zou ik zeggen. 

Leen Raats toont zich een vaardig, bij vlagen briljant, vertelster. Daarom begrijp ik niet dat ik nauwelijks een recensie van het boek ben tegengekomen, laat staan in een serieus week- of dagblad. Misschien vanwege het akelige feit dat je bij een grote, bekende uitgeverij moet zitten om door de kritiek serieus te worden genomen. Dit lot gold ook Leens eerste roman, het evenzeer fascinerende De schade beperken, ook een boek over twee bijzondere, zeg maar rebelse, vriendinnen. 

Wie kennis wil nemen van een bijzonder getalenteerd schrijfster (en bovendien ook prijswinnende dichteres), die je meeneemt in een opwindende wereld die je wellicht nog niet kent, raad ik beslist de boeken van Leen Raats aan. Ik kijk reikhalzend uit naar haar volgende roman of bundel korte verhalen, want ook in dat genre is zij een meester. Daarvan getuigt haar bundel 'flitsverhalen' Barst, die in 2015 bij uitgeverij Liverse verscheen.


Leen Raats, Solitaire bomen. Roman. Beefcake Publishing 2023.


zondag 21 januari 2024

Weg met Cees!




Wie maakt uit hoe een auteur zich mag noemen? De auteur zelf of de medewerkers van de Koninklijke Bibliotheek (KB) in Den Haag? Het logische en enig mogelijke antwoord is uiteraard de auteur zelf, maar daar denken ze bij de KB heel anders over. Daar pretendeert men te mogen bepalen hoe jij je als schrijver noemt.


Ik kom hierop via het eeuwigdurend misverstand over hoe de voornaam van de bekende, Dordtse dichter C. Buddingh’ (1918-1985) moet worden geschreven. Als Kees, volgens Buddingh’ zelf, die dat naar mij dunkt toch het beste wist. Toch kom je hem op talloze plaatsen tegen als Cees. Aan die voornaam had Buddingh’ een hekel, aldus zijn biograaf Wim Huijser, die dat uit de mond van Buddingh’ zelf heeft vernomen, evenals ik, want ik heb Buddingh’, met wie ik vanaf 1969 tot aan zijn dood bevriend was, goed gekend.


Zelf schrijft hij op een aantal plaatsen in zijn dagboeken negatief over het verkeerd spellen van zijn voornaam. Ik citeer:


Een heleboel mensen kunnen, vreemd genoeg, niet tegen initialen in een schrijversnaam. Dat je als C. Buddingh’ publiceert nemen ze – bewust of onbewust – ergens niet: die ‘C’ moet en zal een naam worden – en zo prijk je, zonder dat je het zelf wilt – ja, terwijl je het zelfs helemaal niet wilt – op de meest uiteenlopende plaatsen als ‘ Cees’, een voornaam die ik zelf wel als laatste zou uitkiezen.
(En in een mum is het avond, blz. 231, 10-01-1973).


Gisteren kwam ik een stukje tegen op Linkedin van Buddingh’-biograaf Wim Huijser, die het was opgevallen dat in de landelijke catalogus van de bibliotheken overal Cees Buddingh’ staat, terwijl Buddingh’ altijd publiceerde onder de naam C. Buddingh’. Dus niet als Kees en al helemaal niet als Cees. Op Huijsers verzoek een en ander recht te zetten kwam de reactie dat dat te maken had met ‘internationale regels’. Een smoes van heb ik jou daar als je het mij vraagt. Boven het stuk van Huijser staat naar mijn mening terecht ‘KB verschuilt onkunde achter internationale afspraken’. Hij kreeg op zijn verzoek tot correctie van de naam onder meer deze reactie van een medewerker van de KB:


Mijn collega’s die hier over gaan geven aan dat er werk verschenen (sic) van hem onder verschillende namen, en deze zijn allemaal opgenomen als naamsvariant. Maar dat er internationale regels zijn waar wij als KB ons aan houden. Die internationale beschrijfregels en het consequente gebruik daarvan zijn voor de KB het belangrijkst. En die dicteren dat we de naam als Cees Buddingh’ invoeren en publiceren. Mijn collega’s geven aan dat ze bij deze invoer en dit standpunt blijven.


Het is een dom en respectloos antwoord en vanwege dat ‘aangeven’ nog in slecht Nederlands ook. Dom omdat op alle boeken van Buddingh’ (behoudens misschien wat roofdrukken) de naam C. Buddingh’ staat, dom omdat volgens de uitspraakregels van het Nederlands de korte vormen van Cornelis Cor en Kees zijn. Met een K, want Cees dien je uit te spreken als Sees. Respectloos omdat hier het recht van een schrijver zichzelf te spellen zoals hij dat wil, met voeten wordt getreden.


Waar ik helemaal niets van begrijp is dat de nabestaanden van Buddingh’ Cees op zijn grafsteen op de Essenhof hebben laten zetten, maar dit terzijde.


Laten we eindelijk eens ophouden met de nagedachtenis van C. Buddingh’ te onteren door steeds maar weer met die foute Cees op de proppen te komen. Onlangs ook weer in een Dordtse krant. Ik moest er even diep van zuchten.


Foto: auteur



vrijdag 15 december 2023

Leeuw & Zwaard




In november verscheen de tweede roman van Edjo Frank, onder de titel Leeuw & Zwaard. Na zijn sterke debuut met de roman Een joodse erfenis koesterde ik grote verwachtingen van dit nieuwe boek. Terecht naar al lezende bleek. De roman, die begint met wat een 'vergismoord' lijkt op een idyllische plek in de nabijheid van Dordrecht, grijpt je vanaf het eerste ogenblik bij de keel. 

De hoofdpersoon Vincent, weduwnaar van de om het leven gebrachte vrouw, wil bij wijze van spreken de onderste steen boven krijgen om klaarheid in de zaak te brengen, maar van lieverlee raakt hij verstrikt in een wereld die zijn voorstellingsvermogen, en ook dat van de lezer, geheel te boven gaat. Vernuftig weeft Edjo Frank een aantal verhaallijnen dooreen, zonder dat het een warboel wordt. Er opent zich een multi-dimensionale wereld met verbindingen naar de kraakbeweging en andere vormen van activisme, de veiligheidsdiensten, de politieke en zakenelite en de duistere wereld van rechtsextremisme en complottheorieën. De tentakels van het verhaal strekken zich van lieverlee uit over een groot deel van Nederland en Europa.

Ik vroeg mij af wat ik nu eigenlijk las. Een thriller, een politieke thriller, een roman waarin een krachtige waarschuwing doorklinkt voor extremisme en voor zaken die men op het ogenblik in Nederland voor onmogelijk houdt, zoals een goed georchestreerde poging tot het grijpen van de macht? Leeuw & Zwaard, waarvan ik de titel niet zal verklaren om niet te veel van het verhaal weg te geven, bevat het allemaal. Daarbij komt dat Edjo Frank zeer beeldend schrijft en je bij je lurven meesleept in het verhaal. Op de achterflap vermeldt de uitgever dat het om een 'spannend boek' gaat. Iets dat ik van mijn uitgever liever niet zou willen, want of een boek spannend is of niet, maak de lezer zelf wel uit. In het geval van  Leeuw & Zwaard moet ik echter zeggen dat er van dat 'spannend' geen letter is gelogen. Het is een adembenemende, krachtige en prachtig geschreven roman, die een plek hoog in de bestsellerslijst verdient. 


Edjo Frank, Leeuw & Zwaard, Insperience Uitgeverij, Dordrecht 2023. ISBN 976 90 817057 3 8.

dinsdag 5 september 2023

The Miracle of the Greek Revolution (1821-1832)




"... for the greatest miracle of all was surely the outcome of the war itself," writes Mark Mazower (professor of History at Columbia University in New York) on page 460 of his voluminous (573 pages) study of the Greek Revolution that began in 1821 and ended in July 1832 when the Ottoman Sultan Mahmut II officially recognised the Kingdom of Greece. It was the beginning of the Ottoman-Greek and after 1923 Turkish-Greek relationship, which cannot be called entirely unproblematic up to this day.

Five years earlier, things looked extremely bad for the Greek insurgents. The Ottoman commander-in-chief Ibrahim Pasha, son of Mehmet Ali Pasha, ruler of Egypt and founder of the Egyptian royal family, had reconquered almost all of the mainland of Greece and was about to conquer the islands of Hydra and Spetses, bases of Greek naval power, consisting mainly of pirates and privateers, which would most likely have meant the end of the revolution.

Fate, however, wanted otherwise. On October 20, 1827, the combined Ottoman and Egyptian fleets were routed in Navarino Bay, present-day Pylos, by a Franco-Anglo-Russian fleet commanded by Admiral Codrington. The Russian squadron was commanded by the Dutchman Lodewijk, Count van Heiden, the only Dutch naval hero from Drenthe, who earned his spurs in Russian service. According to tradition, he would be Berend Botje from the well-known children's song, but this aside.

In his well-known, lively style of writing, Mazower presents us with an extremely detailed picture of the beginning and course of the Greek revolution, which began with the invasion of Walachia by Prince Alexander Ypsilantis on February 22, 1821. An invasion that soon failed because the Russian Tsar was unwilling to support the uprising.

In the following March a number of local uprisings broke out in the Morea (Peloponnese), which grew into the revolutionary struggle out of which the Kingdom of Greece would eventually arise, something that the insurgents had not initially envisaged, according to Mazower. For most of the rebellion's leaders, wealthy landowners, such as the Deliyannis family, or former brigands, such as Theodoros Kolokotronis and other warlords, the main concern was power and self-enrichment. Mazower thoroughly does away with the heroic status accorded to men like Kolokotronis, Petros Mavromihalis and Odysseus Androutsos, to name just a few, in later nationalistic Greek historiography. During the war, Greek warlords sometimes fought each other more often and more eagerly than the Ottomans. Shocking are the stories of Greek gangs, 'irregulars' Mazower calls them, who plunder Greek villages and towns, as shocking as the massacre or enslavement by the Greeks of a large part of the Muslim population in the Peloponnese. The massacre on Chios in April 1822, an event that had repercussions throughout the whole of Europe, shows that the Ottomans were just as worse. 

In addition to these horror stories, he also describes heroic deeds, such as the sinking of the Ottoman flagship off Chios by Admiral Kanaris and the tenacious defence of Messolonghi (1825/26), with the valiant, if partly unsuccessful, desperate attempt of the defenders, accompanied by women and children, to break through the lines of the besiegers. It shows the book as a well balanced study.

Mazower discusses the role of Greek intellectuals, often educated abroad, such as Adamantios Koraïs and Alexandros Mavrokordatos vis-a-vis that of followers of the Filiki Etairia, founded by Greeks in Odessa, who, according to the intellectuals, were going way too fast because the time for a revolt was not yet ripe in their eyes. Mavrokordatos understood that the battle could never be won without the support of the European Great Powers and that this required an representative Greek government, something to which the landowning elite and warlords basically were opposed. That something like such a government eventually emerged, although it was usually quite powerless, is a small miracle in itself.

The role of Philhellenism in Europe and America is extensively discussed as well as its influence on the course of the war. The death of Lord Byron in Messolonghi, not by a bullet, but by malaria, sent a shock wave through Europe. Mazower also writes about the connections of Philhellenism with the liberal pursuit of parliamentary democracy in Europe and abolitionism, the struggle for the abolition of slavery in the US and European colonies. It's not for nothing that the subtitle reads '1821 and the Making of Modern Europe'. This makes The Greek Revolution a particularly rich and important study, which in terms of depth and quality will not soon be surpassed in its kind, I believe. An absolute necessity for anyone with an interest in the history of Modern Greece and Europe.

zaterdag 2 september 2023

Het mirakel van de Griekse Revolutie (1821-1832)




"... for the greatest miracle of all was surely the outcome of the war itself," schrijft Mark Mazower (hoogleraar geschiedenis aan de Columbia University in New York) op pagina 460 van zijn lijvige (573 bladzijden) studie over de Griekse revolutie die begon in 1821 en die eindigde in juli 1832 toen de Osmaanse sultan Mahmut II het koninkrijk Griekenland officieel erkende. Dat was het begin van de Osmaans-Griekse na 1923 Turks - Griekse relatie, die tot op de dag van vandaag niet geheel onproblematisch kan worden genoemd. 

Vijf jaar eerder zag het er voor de Griekse opstandelingen buitengewoon slecht uit. De Osmaanse opperbevelhebber Ibrahim Pasja, zoon van Mehmet Ali Pasja, heerser over Egypte en grondlegger van het Egyptische koningshuis, had vrijwel geheel het opstandige vasteland van Griekenland heroverd en stond op het punt de eilanden Hydra en Spetses, bases van de vooral uit piraten en kapers bestaande Griekse zeemacht, te veroveren, wat hoogstwaarschijnlijk het einde van de revolutie zou hebben betekend. 

Het lot wilde echter anders. Op 20 oktober 1827 werden de gecombineerde Osmaanse en Egyptische vloten in de baai van Navarino, het huidige Pylos, vernietigend verslagen door een Frans-Engels-Russische vloot onder opperbevel van admiraal Codrington. Het Russische smaldeel werd aangevoerd door de Nederlander Lodewijk, graaf van Heiden, de enige uit Drenthe afkomstige Nederlandse zeeheld, die zijn sporen verdiende in Russische dienst. Hij zou volgens de overlevering Berend Botje uit het bekende kinderliedje zijn, maar dit terzijde.

In zijn bekende, levendige stijl van schrijven schotelt Mazower ons een uiterst gedetailleerd beeld voor van de aanvang en het verloop van de Griekse revolutie, die begon met inval van prins Alexander Ypsilantis in Walachije op 22 februari 1821. Een inval die al spoedig mislukte omdat de Russische tsaar niet bereid was de opstand te steunen. 

In maart daarop breekt een aantal lokale opstanden uit in de Morea (Peloponnesos) die tenslotte uitgroeiden tot de revolutionaire strijd aan het einde waarvan het koninkrijk Griekenland zou ontstaan, iets dat de opstandelingen volgens Mazower aanvankelijk nog niet voor ogen stond. Voor de meeste leiders van de opstand, grootgrondbezitters, zoals de Deliyannisfamilie, of voormalige roverhoofdmannen, zoals Theodoros Kolokotronis en andere warlords, ging het in de eerste plaats om macht en zelfverrijking. Mazower rekent grondig af met de heldenstatus die mannen als Kolokotronis, Petros Mavromihalis en Odysseus Androutsos, om er slechts enkele te noemen, in de latere nationalistische, Griekse geschiedschrijving werd aangemeten. Gedurende de oorlog bestreden Griekse warlords elkaar soms vaker en gretiger dan de Osmanen. Schokkend zijn de verhalen van Griekse bendes, 'irregulars' noemt Mazower hen, die Griekse dorpen en steden plunderen, even schokkend als het uitmoorden of in slavernij brengen door de Grieken van een groot deel van de moslimbevolking op de Peloponnesos. Dat de Osmanen er ook wat van konden bewijst het plunderen en moorden op Chios in april 1822. Een gebeurtenis die zijn weerslag had in heel Europa.

Naast deze gruwelverhalen beschrijft hij ook heldendaden, zoals het tot zinken brengen van het Osmaanse vlaggenschip bij Chios door admiraal Kanaris en de taaie verdediging van Messolonghi (1825/26), met de dappere, zij het deels mislukte, wanhoopspoging van de verdedigers om met vrouwen en kinderen door de linies van de belegeraars heen te breken. Het maakt het boek tot een evenwichtige studie.

Mazower schetst de rol van, vaak in het buitenland gevormde, Griekse intellectuelen, zoals Adamantios Koraïs en Alexandros Mavrokordatos vis-a-vis die van aanhangers van de Filiki Etairia, opgericht door Grieken in Odessa, die volgens de intellectuelen veel te hard van stapel liepen omdat de tijd voor een opstand in hun ogen nog niet rijp was. Mavrokordatos begreep dat de strijd nooit gewonnen kon worden zonder steun van de Europese mogendheden en dat daarvoor een overkoepelende, representatieve Griekse regering nodig was, iets waar de grootgrondbezitters en warlords eigenlijk niets van moesten hebben. Dat er uiteindelijk iets van zo'n regering ontstond, al had die meestal weinig in de melk te brokkelen, is een klein wonder op zich.

Uitgebreid komt de rol van het filhellenisme in Europa en America aan bod en de invloed ervan op het verloop van de strijd. De dood van lord Byron in Messolonghi, weliswaar niet door een kogel, maar door malaria, veroorzaakte een schokgolf in Europa. Mazower legt ook verbanden met het liberale streven naar parlementaire democratie in Europa en het abolitionisme, de strijd voor afschaffing van de slavernij in de VS en de Europese kolonies. De ondertitel luidt niet voor niets '1821 and the Making of Modern Europe'. Dat maakt van The Greek Revolution een bijzonder rijke en belangrijke studie, die qua diepgang en kwaliteit in zijn soort niet snel zal worden overtroffen, vermoed ik. Een absolute noodzaak voor iedereen die de geschiedenis van Griekenland en Europa een warm hart toedraagt.


Mark Mazower, The Greek Revolution. 1821 and the Making of Modern Europe. Penguin Random House UK, 2021.

zondag 25 juni 2023

Beslist de moeite waard




Onlangs verscheen als deel 43 in de serie Verhalen van Dordrecht Slavernijverleden Dordrecht, geschreven door Sidney Breidel en Rowan van der Stelt. De opzet van het boekje is het slavernijverleden van de stad zichtbaar te maken door middel van een wandeling. Er is een aantal panden in de historische binnenstad van Dordrecht gekozen en daaraan wordt een verhaal gekoppeld waarin de connectie met het slavernijverleden duidelijk wordt gemaakt. Dat is een sympathiek uitgangspunt om een onderdeel van de Dordtse geschiedenis als het ware tastbaar te maken. Het probleem van Slavernijverleden Dordrecht is echter dat de auteurs een beetje op twee gedachten hinken. Zij besteden namelijk ook aandacht aan het systeem van slavernij, een verschijnsel waarvan de meeste mensen zo langzamerhand wel doordrongen zijn van het hoe werkte.

De serie Verhalen van Dordrecht bestaat uit boekjes die maximaal ongeveer 6000 woorden bevatten. Dat biedt eenvoudigweg niet de ruimte voor zowel een behandeling van het systeem van de slavernij als de teksten voor de wandeling. Dan moet je soms met te grote stappen door het verleden heen, zoals dat bijvoorbeeld gebeurt bij de beschrijving van het voormalig woonhuis van de familie Diodati aan de Wijnstraat. Voor wie geen kennis heeft van de artikelen in het e-zine Dordrecht Monumenteel is de tekst over Catharina Zaaijman, de kleindochter van Krotoa niet te begrijpen.

Toen ik deel 38 van de Verhalen van Dordrecht schreef, over de Dordtse letteren, waren er twee eindredacteuren die constructief meedachten. Desondanks bleef er wat het leven van Marie Schmitz betreft een vergissing mijnerzijds in staan. Dat kan gebeuren, maar in dit deel staat geen eindredactie vermeld en dat is wellicht de oorzaak dat ik toch op wat meer beweringen aanmerkingen heb.

De inleiding stelt: 'De historische rijkdom van de stad is voor een groot deel vergaard ten koste van tot slaaf gemaakte mensen.' Me dunkt dat hier een tikje wordt overdreven. De 'gouden eeuw' van Dordrecht duurde grofweg van ongeveer 1340 tot 1421 en de rijkdom die toen werd vergaard was voor een aanzienlijk deel gebaseerd op wijn- hout- en graanhandel. Het huis waarin bijvoorbeeld de gebroeders De Witt opgroeiden en waarin Cornelis de Witt tot zijn dood woonde, is gekocht met opbrengsten uit de houthandel. Het zal zeker zo zijn dat een aantal Dordtenaren zich vanaf het begin van de zeventiende eeuw heeft verrijkt door activiteiten in verband met slavernij, en dat is op allerlei plekken in de stad te zien, vandaar dat ik het idee van die wandeling toejuich, maar ik zou voorzichtig zijn met ietwat vage termen als 'voor een groot deel'. De relatief korte tijd dat het toen economisch al behoorlijk door Rotterdam en zeker door Amsterdam overvleugelde Dordrecht de derde suikerstad van de Republiek was, rechtvaardigt ook dat 'voor een groot deel' niet. De belangrijkste en meest winstgevende handel in de Republiek was de 'moedercommercie', de handel met het Baltische gebied. Niet met de koloniën en daar zal Dordrecht geen uitzondering op zijn geweest

Er wordt beweerd dat 'duizenden Dordtenaren' als matrozen en soldaten naar de koloniën vertrokken. Nou, dat zou ik dan graag eens door harde cijfers onderbouwd willen zien. Het zou best kunnen, maar gezien het inwonertal van Dordrecht lijkt 'honderden' mij waarschijnlijker, tenzij de auteurs misschien de hele periode, voor Indonesië tot 1949 en voor Suriname tot 1975 erbij willen betrekken. 

In de paragraaf 'Systeem van slavernij' wordt met geen woord gerept over de situatie in Afrika, waar de slaven toch vandaan kwamen. Van mij hoefde dat systeem niet te worden uitgelegd, maar als je het wel doet, dan kun je niet aan de wijze waarop in grote delen van Afrika tegen slavernij werd aangekeken voorbij gaan.

Het West-Indisch Huis dankt zijn naam aan één van de daarvoor afgebroken drie huizen, dat werd gebruikt om koopwaar van de WIC op te slaan. Het huidige pand werd in 1735 gebouwd door een suikerraffinadeur. Voor zover mij bekend hebben in het pakhuis en in het huidige West-Indisch Huis geen vergaderingen van de Kamer van de Maze van de WIC plaatsgevonden, maar wellicht vertellen de bronnen anders. Dan geef ik mij graag gewonnen.

Bij het voormalig woonhuis van François Valentijn komt ook de slavernij in Oost-Indië ter sprake. Die is inderdaad lang onderbelicht gebleven en daar wordt nu volop onderzoek naar gedaan. Niet vermeld wordt de rol van de lokale bevolking in de slavenhandel in de Oost en evenmin dat de VOC in de 17e eeuw terdege rekening moest houden met de wensen en verlangens van lokale vorsten met name die van Mataram op Java. Omdat de VOC van lieverlee steeds meer door lokale heersers in hun onderlinge machtsstrijd werd betrokken, evolueerde zij van een maatschappij die een aantal handelsposten bezette tot een territoriale heerser, maar het gaat uiteraard te ver om dat in een katern van ongeveer 6000 woorden allemaal te behandelen. Ik had evenwel graag de vermelding gezien dat de slavernij in de Oost bij lange na niet alleen een zaak van de Nederlanders was.

In de paragraaf over de Grote Kerk en de rol van de kerken wordt beweerd: 'Kerken profiteerden ook van de koloniale handel, omdat plantage-eigenaren, suikerraffinadeurs en andere mensen actief in de koloniale handel donaties deden aan kerken.' Nou, dat is een opzienbarende mededeling. Mag ik vinden dat hier iets wel een klein beetje aan de haren erbij wordt gesleept? Natuurlijk profiteerden ook bezoekers van de koffiehuizen van de slavernij, anders was hun 'bakkie' wellicht niet te betalen geweest om niet te spreken van al die rokers van tabak.

Waar ik me aan stoor is het gebruik van de term 'witte mensen' en 'zwarte mensen'. Zo worden ze misschien wel genoemd in het Engels, maar ik ben nog nooit een wit en evenmin een zwart mens tegengekomen, ook niet op mijn uitgebreide tochten door het binnenland van Suriname. Witte mensen in plaats van blanken en zwarte mensen in plaats van mensen van kleur wordt klakkeloos uit het Amerikaans overgenomen, waar de racistische tegenstellingen beslist anders zijn dan in de Nederlandse maatschappij. Ik vind dat we dat niet moeten doen, evenmin als het gebruik van die ontzettend lelijke uitdrukking 'tot slaaf gemaakten'. Iedere papegaai in de Nederlandse media bouwt die na. In Amerika heeft men het over enslaved, een term waarvoor geen Nederlands equivalent bestaat. Dat is ook niet nodig want iedereen met een beetje verstand begrijpt dat slaven hun situatie niet vrijwillig als beroep hebben gekozen. Daarvoor is dat malle 'tot slaaf gemaakten' volstrekt overbodig.

Jammer, voor wie zich verder wil verdiepen in het onderwerp, is dat in de literatuurlijst het standaardwerk De Nederlandse Slavenhandel 1500-1850 van P.C. Emmer ontbreekt, maar dat neemt niet weg dat Slavernijverleden Dordrecht veel interessants bevat en dat ik iedereen aanraad om aan de hand ervan eens zo'n wandeling door de stad te maken. Het is beslist de moeite waard.


Slavernijverleden Dordrecht is een uitgave van Stichting Historisch Platform Dordrecht en voor euro 4,95 verkrijgbaar bij de plaatselijke boekhandel en Kenniscentrum Augustijnenhof.