Posts tonen met het label literatuur. Alle posts tonen
Posts tonen met het label literatuur. Alle posts tonen

dinsdag 11 februari 2025

In memoriam John Burnside (1955-2024)




Gisteren ontdekte ik bij toeval, doordat ik iets moest opzoeken via het internet, dat de dichter en romancier John Burnside, van wie ik een ruime selectie uit zijn poëzie vertaalde en publiceerde in de bloemlezing Het bal in de inrichting (Liverse 2010) op 29 mei 2024 na een kort ziekbed is overleden. Hoe is het mogelijk dat dat bericht mij niet eerder heeft bereikt? 


Waarschijnlijk doordat aan het heengaan van deze belangrijke Schotse schrijver, ook hoogleraar aan de universiteit van St. Andrews, in het Nederlandse taalgebied niet of nauwelijks aandacht is besteed. Ongetwijfeld is zijn overlijden wel ergens gemeld, maar in ieder geval is onder de zoektermen in Google 'dichter John Burnside' en 'John Burnside overleden' geen enkele beschouwing of in memoriam in het Nederlands te vinden. Dat is merkwaardig. In 2007 was John te gast op het Crossing Border festival waar zijn optreden diepe indruk maakte. Of hij ook heeft opgetreden op Poetry International weet ik niet, dat heb ik op de site van Poetry niet kunnen vinden, maar daar wordt wel een pagina aan hem besteed, met zes van zijn gedichten. Zijn overlijden wordt daar niet vermeld.


In het voorjaar van 2007 bezochten Stella en ik John in St. Andrews om de uitgave van Het bal in de inrichting voor te bereiden. We spraken af dat hij ons het jaar daarop zou bezoeken als hij naar Crossing Borders kwam. Dat ging helaas niet door omdat zowel Stella als John's moeder overleden. Daarna onderhielden we enkele jaren contact via e-mail en uiteraard zond mijn uitgever hem de nodige exemplaren van de (tweetalige) bloemlezing. Van lieverlee verwaterde het contact, tot een enkel sporadisch bericht. Wel bleef ik John volgen. Niet goed genoeg kennelijk om het bericht van zijn overlijden tijdig te signaleren.


In 2006 publiceerde ik enkele vertalingen uit John's werk in het tijdschrift De Revisor (jg. 33) met een essay over zijn werk. Dat essay neem ik hier, bij wijze van in memoriam aan deze grote en vooral zeer beminnelijke schrijver over:



Beweging in het merg van mijn beenderen. Enkele opmerkingen bij de poëzie van John Burnside.


Kees Klok


Mijn eerste kennismaking met de poëzie van John Burnside was via een artikel in het voorjaarsnummer 1994 van Poetry Review. Die uitgave was geheel en al gewijd aan de New Generation Poets, het opkomend talent uit het laatste decennium van de vorige eeuw. In het Nederlands werd Burnside, voor zover ik weet, een jaar later voor het eerst gepubliceerd in Dietsche Warande & Belfort (140e jg. nr. 3), door Ortwin de Graef en Herman Servotte. Zij vertaalden vier gedichten uit de bundel The Myth of the Twin (1994). In hun summiere inleiding bestempelden ze Burnside als een ‘postprovinciale’ dichter, zonder duidelijk te maken wat ze daar nu eigenlijk precies mee bedoelden.

De eerste indruk die Burnsides gedichten op mij maakten was er een van een lyrische dromerigheid, een soort van neoromantisch afstand nemen van de dagelijkse werkelijkheid. Het waren verzen die zich kenmerkten door een kalm ritme en een bedachtzaamheid die door De Graef en Servotte werd aangeduid als ‘ietwat bezonken.’ Burnsides werk bleek zo ongeveer het tegendeel van de ‘performance poëzie,’ die in die periode op de Nederlandse podia een bescheiden populariteit begon te verwerven. In zijn poëtica zijn het, om het in de woorden van Herman de Coninck te zeggen, ‘niet de decibellen die het werk moeten doen, maar punten en komma’s.’1  Burnside heeft weinig voeling met de stad en des te meer met het platteland en dan vooral dat van zijn geboortestreek, Fife in Schotland. Bij nadere lezing kwam een drietal hoofdkenmerken uit zijn werk naar voren: de natuur, het thuishoren en iets dat ik voor het gemak maar het metafysische zal noemen.


Op verschillende manieren is Burnsides poëtica doordrongen van de natuur. Ten eerste de fysieke natuur, die overal opduikt, in beschrijvingen van landschappen, het veelvuldig benoemen van struiken en planten (wat soms voor de vertaler een lastig probleem oplevert, vooral als deze geen bioloog is en het genoemde gewas niet in Nederland voorkomt) en het instinctmatig gedrag van mens en dier, bijvoorbeeld in Ganzen:


Ik kon aan toendra denken

besneeuwde berkenbossen

hectaren meren en ozon

en de zonderlinge

flikkering van toevallig licht

tussen de bomen


maar ik kon me geen voorstelling vormen van de kaarten

die ze volgden op reis:

kilometerslange vlakten

in de natte geometrie

van de hersenen gegrift.

(In: Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift, jg. 21, nr. 78, vertaling KK)


De tweede wijze waarop de natuur van belang is, is via natuurwetenschappelijke fenomenen die het onderwerp zijn van de verwondering of het onderzoek van de dichter. In zijn bundels The Asylum Dance, waarvoor hij de Whitbread Book Award 2000 kreeg, en The Light Trap (2002) duiken regelmatig natuurwetenschappelijke experimenten op of wordt daaraan gerefereerd. In laatstgenoemde bundel is er zelfs een hele afdeling aan gewijd, getiteld Φύσις. In The Asylum Dance draagt hij zijn gedicht Zintuiglijke informatie op aan de in Groningen geboren, geniale, maar stokdove en bovendien ook nog eens jong gestorven, Engelse sterrenkundige John Goodricke (1764-1786), die de theorie van het variabele volume van sterren bedacht:


mijn hoofd schuin naar een nachthemel vol licht,

zou ik wachten op muziek die ik kon voelen


als beweging in het merg van mijn beenderen,

zoals Goodricke moet hebben gedaan, iedere nacht weer,


het horen voorbij, meetrillend als een

aangeslagen klok, met harmonieën die

zongen in zijn bloed,

(In: Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift, jg. 21, nr. 78, vertaling KK)

De natuur is eveneens onderwerp van grote bezorgdheid van de dichter. Hij heeft zorgen over bedreiging ervan doordat de mens haar naar zijn hand probeert te zetten, met alle kwalijke gevolgen van dien, maar is zich tevens bewust van de keerzijde, de donkere kanten die de natuur toont ten opzichte van de mens en de mysterieuze kracht, het gevoel van dreiging en noodlot dat van haar uitgaat. Burnside vertoont wat dit betreft enige verwantschap met Edward Thomas.2 Die diepe zorg, maar vooral de voorstelling van de natuur als dreigende kracht, maakt dat Burnsides ‘natuurpoëzie’ ver staat van de vaak sentimentele of sektarische mentaliteit van wat Gerard Reve zo treffend de ‘groenzoeters en bosneukers’ noemt.


Ook het tweede hoofdkenmerk, het thuishoren, loopt als de spreekwoordelijke rode lijn door Burnsides werk. Het gaat hier om het ergens thuishoren als een onvermijdelijk aspect van het op aarde zijn. Een thuishoren in je eigen lichaam, maar ook een thuishoren in een home, een dwelling, die als een soort van noodlot onverbreekbaar is gebonden aan het bestaan. Burnside is in sommige van zijn gedichten, zoals Ganzen nadrukkelijk op zoek naar een verklaring voor dat wonderlijke instinct van sommige dieren om steeds weer terug te keren naar hun ‘thuis.’ Of dit thuis, waar het de mens betreft, ook wel het werkelijke thuis is waar men thuishoort, blijft vaak in het onzekere. Dat heeft sterk te maken met het derde hoofdkenmerk van Burnsides poëtica, het metafysische aspect. Weten we wel wat ons onvermijdelijke thuis is, hoe kunnen we dat weten? In het gedicht Nederzettingen, hier opgenomen, dicht hij bijvoorbeeld:


Het is wat ik nu voor

thuis houd: die waterbron

diep onder het huis

die zij een uur lang proefden en daarna wegstopten


in het laatste deel van het gedicht merkt hij op:


- lumineus als het idee van thuis:

niet iets dat behouden wordt

of weggegeven

maar de pijnlijke ernst

die voortkomt uit het gevestigd zijn op aarde


Er zit voor de mens een akelige, beklemmende kant aan het thuishoren. Het is een fenomeen dat zich buiten de menselijke wil tracht te plaatsen en dat daarom duidelijke schaduwzijden kent. Bijvoorbeeld het thuishoren in het eigen lichaam. Voortdurend komt het gebonden zijn aan het eigen lichaam bij Burnside ter sprake. Het lichaam dat in hoge mate een speelbal is van de natuur en aan het bezit waarvan de mens zich niet kan onttrekken. Steeds weer wordt men aan dat lichaam herinnerd, in een soort van interactie tussen lichaam en geest. In het hier opgenomen vers Het bal in de inrichtingkomt dat bijvoorbeeld tot uiting in onderstaande passage:


         Bij de patiënten waren wij soepel en bedaard:

we deelden onze aalmoezen uit en goedkope lof

en wachtten tot het dansen de pijn uitwiste

van de brok in de keel, de vogelachtige

houding van verworpenheid die drukt tegen de ruggegraat.


Het derde hoofdkenmerk, het metafysische, is wellicht het minst duidbare, maar meest aanwezige in de poëzie van Burnside. In veel van zijn gedichten is sprake van een niet of nauwelijks waarneembare aanwezigheid, alsof hij op zoek is naar een wereld achter de werkelijkheid. De Engelse criticus Charles Bainbridge noemt dit ‘een zoektocht naar de weerspannige magie die ten grondslag ligt aan het gewone en alledaagse.’Burnside zelf zegt dat zijn poëzie vooral gaat over de plaatsbepaling van jezelf in een samenleving van levenden en doden, dat het uiteindelijk een viering is van verwantschap, dood, wedergeboorte en liefde.4 Sarah Wardle karakteriseert het metafysische in een artikel over The Asylum Dance als ‘een strijd tussen de ‘gekende wereld’ en het ‘er is nog iets meer,’ waarbij dat ‘er is nog iets meer,’ geneigd is de overhand te krijgen.’Steeds weer zie je een neiging binnensluipen om dingen te benoemen die zich aan de rand van de waarneembaarheid bevinden en de suggestie wekken van een werkelijkheid daarachter. Zo dicht hij in (het nog ongepubliceerde gedicht) Akkers, eveneens uit The Asylum Dance:

Het werk is nu gereed; maar als de avond is gevallen

voel ik het gedierte huiverend wegkruipen,

het laat een afwezigheid in de steek die wij als

natuurlijk aanvaarden: de hoopverloren bomen;

de stilte waarin de merel verdwijnt.

Af en toe zijn de geesten bijna zichtbaar

tussen latwerk en klapstoelen:

net zoals oude havens soms opnieuw verschijnen

door mist of regen, of marktplaatsen oplossen

om ons een schemering van glanzende lucht te schenken,


Burnside, die in 1955 werd geboren in Dunfermline, heeft een rooms-katholieke opvoeding gehad. Hoewel hij dit geloof niet meer aanhangt, doet het zoeken naar wat er achter deze wereld ligt religieus aan. Hij mag dan wel geen god erkennen, duidelijk is dat er voor Burnside wel degelijk een voor een dichter exploreerbaar universum achter onze alledaagsheid ligt. Op kalme, subtiele, maar niet afhoudende wijze onderzoekt hij dit universum en probeert hij het onzegbare ervan in woorden te vatten. De spanning die dat opwekt maakt het lezen van Burnside tot een bijzondere ervaring.

Behalve dichter is Burnside ook actief als romancier. Hij publiceerde tot nu toe vijf romans, waarvan de jongste, Living Nowhere, in 2003 verscheen. Zijn enigszins bizarre eerste roman Dumb House, die gaat over een gruwelijk experiment waarin een tweeling in totale afzondering wordt gehouden om te zien of zij al dan niet een natuurlijke taal zullen ontwikkelen, is in het Nederlands verschenen onder de titel Huis der stommen (Vassaluci, vertaling Adriaan Krabbendam). Het productiefst is hij echter als dichter. Na zijn debuut in 1988 met The Hoop verschenen nog acht bundels, waarvan The Good Neighbour, die dit voorjaar werd gepubliceerd, voorlopig de laatste is.

Na de middelbare school studeerde Burnside Engels en Europese talen aan het Cambridge College of the Arts and Technology. Na het afbreken van een opleiding als leraar oefende hij verschillende beroepen uit, zoals dat van ambtenaar en software ontwerper. In 1995 keerde hij terug naar Schotland. Een jaar later besloot hij de computerwereld te verlaten om zich geheel aan de literatuur te wijden. Dat doet hij behalve als auteur ook als docent creatief schrijven aan de Universiteit van St. Andrews.

  1. Herman de Coninck, Een aangename posthumiteit. Brieven 1965-1997. Amsterdam/Antwerpen 2005, p. 684.

  1. Edward Thomas, Maar deze dingen ook. Vertaling Jan Eijkelboom, Wagner & Van Santen.

  1. Charles Bainbridge, The shape of the wind. In: The Guardian, 9 juli 2005.

  1. In Poetry Review, vol. 84, nr. 1, spring 1994. p.75.

5. Sarah Wardle, Homing instict. In: Times Literary Supplement, 9 februari 2001.


Foto: Kees Klok



zondag 9 juni 2024

Verstrekkende gevolgen




Lezend in Zomervogels van Hans Erkens kreeg ik een sterke aanvechting om af te reizen naar Frankrijk, waar een groot deel van het verhaal zich afspeelt. Erkens is goed in het beschrijven van het decor van zijn verhaal en niet alleen daarin. Op indringende wijze laat hij zijn hoofdpersonen hun verhaal doen, waardoor het een boek is met een steeds wisselend vertelperspectief. Dat zorgt voor een levendig verhaal met een aantal spannende cliff hangers.

We zijn geneigd romans een etiket mee te geven. Ik vroeg me even af: wat voor boek lees ik? Een liefdesverhaal, een thriller, een document humaine? Je kunt, als je dat wil, verschillende kaartjes aan Zomervogels hangen, maar ik ben geen literatuurwetenschapper en eigenlijk interesseert het antwoord op mijn vraag me niet zo veel. Zomervogels is een boek dat gaat om de relatie tussen twee geliefden die ongewild aan veranderingen wordt blootgesteld en wat daarvan de gevolgen zijn. Die gevolgen zijn, zoals de flaptekst ons laat weten, verstrekkend. Verstrekkend en eindigend in een onverwacht drama.

Zomervogels begint en eindigt met een column, waaruit duidelijk wordt waarom deze titel is gekozen. Een bijzondere wijze om een roman 'in te sluiten' om het zo maar te zeggen. Niet geheel toevallig is een van de hoofdfiguren, Frans, journalist en columnist. De andere protagonist, Moon, zijn geliefde, komt uit een streng religieus middenstandsgezin. Tijdens haar universitaire studie ontworstelt zij zich aan de Heere en alles wat daarbij komt kijken. Beiden vinden elkaar in Rotterdam, Erkens geboortestad. Het stel gaat om praktische redenen samenwonen in Utrecht, van waaruit Frans op een gegeven ogenblik naar Frankrijk vertrekt. Moon blijft voorlopig in Nederland en reist hem later achterna. Ondertussen vindt er iets plaats dat bepalend zal zijn voor hun wederzien in het schilderachtige huisje dat het stel in de Dordogne heeft gekocht.

In een vlotte stijl zet Hans Erkens een intrigerende roman neer. Ondanks allerlei onverwachte gebeurtenissen en wendingen blijft het een helder verhaal. Zo'n boek waaraan je begint en dat je per se uit wil lezen voor je met je dagelijkse beslommeringen verder gaat. Het heeft ook nog eens een prachtige omslag, ontworpen door Josefien Egas. Een ontwerp dat je naar zwaluwenzang in Frankrijk doet verlangen.


Hans Erkens, Zomervogels. Avenir Publishing. Dordrecht 2024.


dinsdag 4 juni 2024

Als een razende Europa rond

 



Soms overkomt het me dat ik een roman lees waarin de hoofdpersoon weinig of geen raakvlakken met mij heeft, maar waardoor ik desondanks gefascineerd raak en waarmee ik mij ook kan identificeren. Zelfs als deze persoon muziekstijlen prefereert die geheel de mijne niet zijn en een leven leidt dat haaks staat op mijn nogal honkvaste bestaan. Zo'n roman is Solitaire bomen van Leen Raats.


Solitaire bomen, zegt Raats, zijn bomen die zo diep zijn geworteld, dat ze de bescherming van het bos niet nodig hebben. Ze redden zichzelf wel. Hoofdpersoon Gina is zo iemand die zichzelf wel redt. Ze leidt, zacht gezegd, een nogal onrustig en turbulent bestaan. Ze pakt om de haverklap haar biezen en verdwijnt. Kraakpanden en liefhebbers van heavy metal vormen grotendeels haar wereld, al is ze niet te beroerd om zonodig ook haar intrek in een een hotel te nemen. Niet echt de levensstijl van een boom, die, zeker diep geworteld, rust en vastigheid symboliseert. Dat de titel toch uitstekend gekozen is, wordt duidelijk aan het einde van de roman. Raats typeert Gina ook als een solitaire wolf die voor haar soortgenoten het terrein verkent. Eveneens raak omdat haar avontuur, aanvankelijk naar Noorwegen, haar naar de meest onverwachte plekken in Europa voert.

Ze is niet de enige solitaire wolf of boom. In Noorwegen ontmoet ze Maya, op reis vanuit Australië, een vrouw met een eigen verhaal dat haar naar Europa bracht. In wat enigszins lijkt op een road novel, zoals On the road van Jack Kerouac, doen Gina en Maya een aantal bijzondere en avontuurlijke ervaringen op, die hun weerslag hebben op hoe zij in het leven staan. Daarbij weet Leen Raats vaart en spanning in het boek te houden. Het cliché 'het leest als een trein' is hier zeker op zijn plaats, als een sneltrein, zou ik zeggen. 

Leen Raats toont zich een vaardig, bij vlagen briljant, vertelster. Daarom begrijp ik niet dat ik nauwelijks een recensie van het boek ben tegengekomen, laat staan in een serieus week- of dagblad. Misschien vanwege het akelige feit dat je bij een grote, bekende uitgeverij moet zitten om door de kritiek serieus te worden genomen. Dit lot gold ook Leens eerste roman, het evenzeer fascinerende De schade beperken, ook een boek over twee bijzondere, zeg maar rebelse, vriendinnen. 

Wie kennis wil nemen van een bijzonder getalenteerd schrijfster (en bovendien ook prijswinnende dichteres), die je meeneemt in een opwindende wereld die je wellicht nog niet kent, raad ik beslist de boeken van Leen Raats aan. Ik kijk reikhalzend uit naar haar volgende roman of bundel korte verhalen, want ook in dat genre is zij een meester. Daarvan getuigt haar bundel 'flitsverhalen' Barst, die in 2015 bij uitgeverij Liverse verscheen.


Leen Raats, Solitaire bomen. Roman. Beefcake Publishing 2023.


zondag 21 januari 2024

Weg met Cees!




Wie maakt uit hoe een auteur zich mag noemen? De auteur zelf of de medewerkers van de Koninklijke Bibliotheek (KB) in Den Haag? Het logische en enig mogelijke antwoord is uiteraard de auteur zelf, maar daar denken ze bij de KB heel anders over. Daar pretendeert men te mogen bepalen hoe jij je als schrijver noemt.


Ik kom hierop via het eeuwigdurend misverstand over hoe de voornaam van de bekende, Dordtse dichter C. Buddingh’ (1918-1985) moet worden geschreven. Als Kees, volgens Buddingh’ zelf, die dat naar mij dunkt toch het beste wist. Toch kom je hem op talloze plaatsen tegen als Cees. Aan die voornaam had Buddingh’ een hekel, aldus zijn biograaf Wim Huijser, die dat uit de mond van Buddingh’ zelf heeft vernomen, evenals ik, want ik heb Buddingh’, met wie ik vanaf 1969 tot aan zijn dood bevriend was, goed gekend.


Zelf schrijft hij op een aantal plaatsen in zijn dagboeken negatief over het verkeerd spellen van zijn voornaam. Ik citeer:


Een heleboel mensen kunnen, vreemd genoeg, niet tegen initialen in een schrijversnaam. Dat je als C. Buddingh’ publiceert nemen ze – bewust of onbewust – ergens niet: die ‘C’ moet en zal een naam worden – en zo prijk je, zonder dat je het zelf wilt – ja, terwijl je het zelfs helemaal niet wilt – op de meest uiteenlopende plaatsen als ‘ Cees’, een voornaam die ik zelf wel als laatste zou uitkiezen.
(En in een mum is het avond, blz. 231, 10-01-1973).


Gisteren kwam ik een stukje tegen op Linkedin van Buddingh’-biograaf Wim Huijser, die het was opgevallen dat in de landelijke catalogus van de bibliotheken overal Cees Buddingh’ staat, terwijl Buddingh’ altijd publiceerde onder de naam C. Buddingh’. Dus niet als Kees en al helemaal niet als Cees. Op Huijsers verzoek een en ander recht te zetten kwam de reactie dat dat te maken had met ‘internationale regels’. Een smoes van heb ik jou daar als je het mij vraagt. Boven het stuk van Huijser staat naar mijn mening terecht ‘KB verschuilt onkunde achter internationale afspraken’. Hij kreeg op zijn verzoek tot correctie van de naam onder meer deze reactie van een medewerker van de KB:


Mijn collega’s die hier over gaan geven aan dat er werk verschenen (sic) van hem onder verschillende namen, en deze zijn allemaal opgenomen als naamsvariant. Maar dat er internationale regels zijn waar wij als KB ons aan houden. Die internationale beschrijfregels en het consequente gebruik daarvan zijn voor de KB het belangrijkst. En die dicteren dat we de naam als Cees Buddingh’ invoeren en publiceren. Mijn collega’s geven aan dat ze bij deze invoer en dit standpunt blijven.


Het is een dom en respectloos antwoord en vanwege dat ‘aangeven’ nog in slecht Nederlands ook. Dom omdat op alle boeken van Buddingh’ (behoudens misschien wat roofdrukken) de naam C. Buddingh’ staat, dom omdat volgens de uitspraakregels van het Nederlands de korte vormen van Cornelis Cor en Kees zijn. Met een K, want Cees dien je uit te spreken als Sees. Respectloos omdat hier het recht van een schrijver zichzelf te spellen zoals hij dat wil, met voeten wordt getreden.


Waar ik helemaal niets van begrijp is dat de nabestaanden van Buddingh’ Cees op zijn grafsteen op de Essenhof hebben laten zetten, maar dit terzijde.


Laten we eindelijk eens ophouden met de nagedachtenis van C. Buddingh’ te onteren door steeds maar weer met die foute Cees op de proppen te komen. Onlangs ook weer in een Dordtse krant. Ik moest er even diep van zuchten.


Foto: auteur



vrijdag 15 december 2023

Leeuw & Zwaard




In november verscheen de tweede roman van Edjo Frank, onder de titel Leeuw & Zwaard. Na zijn sterke debuut met de roman Een joodse erfenis koesterde ik grote verwachtingen van dit nieuwe boek. Terecht naar al lezende bleek. De roman, die begint met wat een 'vergismoord' lijkt op een idyllische plek in de nabijheid van Dordrecht, grijpt je vanaf het eerste ogenblik bij de keel. 

De hoofdpersoon Vincent, weduwnaar van de om het leven gebrachte vrouw, wil bij wijze van spreken de onderste steen boven krijgen om klaarheid in de zaak te brengen, maar van lieverlee raakt hij verstrikt in een wereld die zijn voorstellingsvermogen, en ook dat van de lezer, geheel te boven gaat. Vernuftig weeft Edjo Frank een aantal verhaallijnen dooreen, zonder dat het een warboel wordt. Er opent zich een multi-dimensionale wereld met verbindingen naar de kraakbeweging en andere vormen van activisme, de veiligheidsdiensten, de politieke en zakenelite en de duistere wereld van rechtsextremisme en complottheorieën. De tentakels van het verhaal strekken zich van lieverlee uit over een groot deel van Nederland en Europa.

Ik vroeg mij af wat ik nu eigenlijk las. Een thriller, een politieke thriller, een roman waarin een krachtige waarschuwing doorklinkt voor extremisme en voor zaken die men op het ogenblik in Nederland voor onmogelijk houdt, zoals een goed georchestreerde poging tot het grijpen van de macht? Leeuw & Zwaard, waarvan ik de titel niet zal verklaren om niet te veel van het verhaal weg te geven, bevat het allemaal. Daarbij komt dat Edjo Frank zeer beeldend schrijft en je bij je lurven meesleept in het verhaal. Op de achterflap vermeldt de uitgever dat het om een 'spannend boek' gaat. Iets dat ik van mijn uitgever liever niet zou willen, want of een boek spannend is of niet, maak de lezer zelf wel uit. In het geval van  Leeuw & Zwaard moet ik echter zeggen dat er van dat 'spannend' geen letter is gelogen. Het is een adembenemende, krachtige en prachtig geschreven roman, die een plek hoog in de bestsellerslijst verdient. 


Edjo Frank, Leeuw & Zwaard, Insperience Uitgeverij, Dordrecht 2023. ISBN 976 90 817057 3 8.

zondag 7 mei 2023

Voorvechter van het vrije woord




Ergens in de jaren zeventig van de vorige eeuw was Karel van het Reve te gast op een literaire avond van de stichting Bobby Kinghe in Dordrecht. Wij waren als bestuur ook geïnteresseerd in een lezing door zijn broer Gerard. Daarom vroegen we na afloop aan Karel of hij niet een goed woordje bij Gerard wilde doen om voor een redelijk bedrag bij ons op te treden in Het Hof (het huidige museum Hof van Nederland), waar toen die avonden werden gehouden. 'Als ik dat doe dan komt hij waarschijnlijk juist niet,' antwoordde Karel minzaam. Ik moest daar aan terugdenken toen ik in de onlangs verschenen biografie van Karel, door historicus Willem Melching, las over de moeizame verhouding tussen de grote volksschrijver en zijn geleerde broer. Een verhouding die onder meer werd gekenmerkt door de lust tot provoceren van Karel en de zucht tot ruziemaken en jaloezie van de kant van Gerard, die het zelfs bestond om na Karels overlijden een hatelijke, naargeestige fax te verzenden aan diens dochter Jozien.

Er zijn eerdere biografische schetsen gepubliceerd over Karel van het Reve, en zelfs een, volgens Melching 'problematische' biografie door Ger Verrips, waarin veel onjuistheden zouden staan. Prettig dus dat er nu een volwaardige levensbeschrijving is die een grondig overzicht biedt van het leven en werk van de bevlogen schrijver en voormalige hoogleraar Slavische letterkunde aan de Leidse universiteit. 

Karel en Gerard groeiden op in een communistisch gezin, maar kwamen in de loop van hun ontwikkeling los van 'het geloof der kameraden', zoals later de titel van een van Karels boeken zou luiden. De wijze waarop dit geschiedde loopt als een rode draad door het verhaal over Karels jonge jaren. Ook van andere religies moest hij, in tegenstelling tot Gerard, die op latere leeftijd katholiek werd (iets wat Karel niet echt serieus schijnt te hebben genomen) niets hebben. Dat blijkt bijvoorbeeld uit Karels boek De ongelooflijke slechtheid van het opperwezen (1987). 

Hij mocht graag de draak steken met de opvattingen van gelovigen, iets wat hem in religieuze kring weinig geliefd maakte. Onder de studenten was hij echter een populaire hoogleraar, die kennelijk plezier had in het geven van colleges, maar een hartgrondige hekel had aan de universitaire bureaucratie en de bestuurlijke taken van een hoogleraar. Dat levert in het boek een aantal smakelijke anekdotes op.

De wijze waarop de gebroeders Van het Reve de oorlog doorkwamen, Karels verblijf in de Verenigde Staten, zijn 'sabbatical' waarin hij voor het Parool correspondent in de Sovjet-Unie was, gedurende welk tijd hij veel contacten met dissidenten had (wiens manuscripten vaak door hem het land uit werden gesmokkeld), zijn betrokkenheid bij de Alexander Herzenstichting (die tot doel had zulke manuscripten in het Westen te publiceren), passeren allemaal op heldere wijze de revue. 

Melching gaat ook uitgebreid in op Karels rol en betekenis als columnist, zowel onder eigen naam als onder het pseudoniem Henk Broekhuis. Ik heb mij altijd afgevraagd hoe hij aan dat pseudoniem kwam. Het is de naam van de man bij wie hij zijn zeiljacht kocht. Van het Reve hield ervan met die boot de Hollandse wateren te bevaren en ik kan me zo voorstellen dat hij weleens een van de passantenhavens in mijn stad Dordrecht heeft aangedaan, maar dat verhult Melching niet. Dan zou het boek misschien ook al te gedetailleerd worden. Met het rijke leven dat Karel van het Reve heeft geleid, is de biografie al gedetailleerd genoeg.

Melching schrijft vlot en duidelijk en hij verantwoordt zijn verhaal met een uitgebreid bronnenapparaat en een eveneens uitgebreide bibliografie. Zijn biografie is zo'n boek dat je, ondanks de kloeke omvang, in enkele dagen ademloos uitleest. Daarbij toont hij aan dat veel, heel veel, van de opvattingen van Karel van het Reve nog springlevend en actueel zijn. Voor wie daarvan kennis wil nemen is er het veeldelige Verzameld Werk. Hoe dat tot stand kwam is een interessant verhaal binnen het verhaal.


Willem Melching, De zelfdenker. Karel van het Reve 1921-1999. Prometheus Amsterdam 2023.


woensdag 2 november 2022

Zondag, Wiener en De Jong




Uit alles wat ik zo in de afgelopen tijd heb gelezen trokken twee bijzondere boeken, eigenlijk een boek en een pamflet, mijn aandacht. Het boek is  Het vermoeden van Zondag, van de schrijver en journalist Peter Punt. Punt debuteerde in 2019 met de sterke Bildungsroman Arend, die zich afspeelde in zijn woonplaats Dordrecht. Het vermoeden van Zondag is daarentegen gesitueerd in een fictieve streek, vermoedelijk in de biblebelt op het Hollandse platteland. Het zou zomaar de Alblasserwaard kunnen zijn, al blijkt dat niet uit het boek.

Daan Zondag is koster van de Nederlands Hervormde kerk in het dorp Veenweide, maar ook klusjesman en luisterend oor voor jongelui die het om een of andere reden moeilijk hebben. Een vrijgezelle veertiger die de kosterij op eigen wijze met curiosa heeft ingericht en nu en dan iets koopt van de scharrelaar Evert van der Leun, een boerenzoon met een grillig karakter die op school niet wilde deugen. Hij komt uit een gelovig, zij het niet bevindelijk gezin. Evert maakt kennis met Maria Vermeulen, dochter van een weinig kerkelijke aannemer. Evenals Evert is zij een buitenbeentje in het gezin en komt zij nu en dan met haar problemen naar de koster, die luistert, maar niet oordeelt. Uiteindelijk krijgen Maria en Evert iets met elkaar, zeer tegen de zin van Maria's ouders, vooral haar vader.

In het boerengezin waaruit Evert komt is de moeder bij de geboorte van haar laatste kind, Evert, overleden. De vader neemt een diep religieus, bevindelijk echtpaar op dat uiteindelijk een kwalijke invloed blijkt te hebben. Ook als ze, na het ontdekken van vleselijk ongewenste en strafbare neigingen, met de noorderzon vertrekken, blijkt die invloed in het geval van Evert door te werken. Dat wordt duidelijk als hij uiteindelijk met Maria trouwt en met haar op een geïsoleerde boerderij gaat wonen, een dorp verderop. Daar raakt Evert en in zijn kielzog Maria, in de ban van het geloof in het naderende einde der tijden. De gevolgen daarvan zijn dramatisch, zoals aan het einde van het boek duidelijk wordt.

Punt voegt een tweede verhaallijn in, namelijk het lot van twee Roemeense kinderen, een jongen en een meisje, die illegaal door Evert en Maria worden geadopteerd. In het eerste deel van het boek voegt hij hier en daar dagboeknotities in van de jongen, in het tweede deel spelen zij een directe rol. Hun leven op de boerderij is zacht gezegd uitzonderlijk te noemen. In het verhaal klinken echo's van de zaak Ruinerwold. Koster Zondag krijgt uiteindelijk een vermoeden van de wantoestanden, die worden bevestigd als er bericht komt van de gewezen privélerares van de kinderen. De vraag is dan: wat nu? Uiteindelijk volgt een ontknoping die in menige film niet zou misstaan.

Bij weer een boek dat zich afspeelt in de biblebelt was ik even geneigd te denken 'nu weet ik het wel', maar die gedachte verdween al spoedig. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Jan Wolkers of Franca Treur gaat het in Het vermoeden van Zondag niet om het zich ontworstelen aan een verstikkend bevindelijk milieu, maar juist om de wijze waarop een daarvoor gevoelige geest in het geloof wordt meegezogen tot aan godsdienstwaanzin toe. Punt zijn verhaal is in die zin meer verwant aan het werk van Maarten 't Hart. Hij beschrijft ook met smaak het bij tijd en wijle nogal benauwende dorpsleven, waarin onder de oppervlakte ook van alles gebeurt dat het daglicht niet kan velen. Daarbij is Het vermoeden van Zondag ook gewoon een spannend verhaal. Dat ik het boek van 278 pagina's binnen drie dagen heb uitgelezen, spreekt wat dat betreft voor zich.

Peter Punt, Het vermoeden van Zondag. Uitgeverij Palmslag 2022.





Van geheel andere aard is het pamflet (23 pagina's inclusief colofon) van L.H. Wiener over de op 33-jarige leeftijd aan een hersenbloeding overleden 'vergeten' dichter Max de Jong. In Over tijd en ruimte heen richt Wiener zich tot De Jong in een brief. Ik vind dat een mooie manier om met overleden schrijvers en hun werk in verbinding te treden. Het epistolaire genre levert ook een wat mij persoonlijk betreft aangename manier van schrijven op: je spreekt als het ware tegen de geadresseerde.

De brief is een loftuiting op de dagboeken die Max de Jong van november 1947 tot twee weken voor zijn overlijden in juni 1951 bijhield. Een aantal fragmenten daaruit werd ooit gepubliceerd in Tirade, het tijdschrift waarin Wiener zelf debuteerde. De zuster van De Jong heeft publicatie van het integrale dagboek lang tegengehouden, maar uiteindelijk is het na haar overlijden in 2016 gepubliceerd bij uitgeverij Van Oorschot. Het is de verdienste van dit pamflet dat Wiener mij op het bestaan van het dagboek heeft gewezen. Ik had de publicatie misschien zelf moeten opmerken, maar in de vloedgolf van boeken die jaarlijks verschijnen (en helaas een iets kleinere golf aan recensies) mis je weleens iets. Mea culpa.

In de brief zet Wiener zich op de hem eigen, ietwat vileine wijze af tegen de dagboeknotities van C. (Kees) Buddingh', die in dezelfde periode als die van Max de Jong in Tirade verschijnen. Wiener heeft er geen enkele waardering voor en ergert zich ook aan de komma achter Buddingh's naam. Ik ben een bewonderaar van het werk van Wiener, maar om deze kleine ergernis moest ik toch even hoofdschuddend glimlachen. Er zijn ergere dingen die de bloeddruk verhogen. Zelf lees ik graag de dagboeken van Buddingh', al sla ik passages over als er weer eens boekenlijstjes de revue passeren of cricketwedstrijden. Ik blijf ze allebei maar trouw, Wiener en Buddingh', beiden tenslotte mensen met een grote kennis van en bewondering voor de Engelstalige literatuur. Misschien hebben ze meer in common dan Wiener lief is.

L.H. Wiener, Over tijd en ruimte heen Max de Jong revisited. Uitgeverij Fragment 2022.

vrijdag 22 juli 2022

Een fascinerende en rijk geïllustreerde ontdekkingstocht




Toen ik in 1968 naar de HAVO-top van de Gemeentelijke Pedagogische Akademie te Dordrecht ging, had ik het geluk dat het literatuur- en talenonderwijs heel wat meer voorstelde dan het huidige, voor zover er in het middelbaar onderwijs sowieso nog sprake is van enig literatuuronderwijs. Ik realiseerde mij dat weer eens toen ik enkele dagen geleden een mevrouw op de radio hoorde die vertelde dat nog amper tweehonderd studenten de universitaire opleiding neerlandistiek volgen en dat het met de universitaire studies Frans en Duits nog veel dramatischer is gesteld. Dat was volgens die mevrouw (in mijn woorden) het gevolg van een uit de hand gelopen lobby voor de bèta-vakken en, in het geval van de neerlandistiek, ook van de (weer in mijn woorden) dramatisch ontoereikende en ernstig demotiverende inhoud van het vak Nederlands op de middelbare scholen. 


Nadat ik, na een succesvol afgesloten mulo-opleiding en geheel verkeerd voorgelicht door een onbekwame schooldecaan, niet naar de vierde klas van de HBS ging (dat kon toen nog net), maar naar de vierde van de HAVO, was ik wel van het vermaledijde en overschatte vak wiskunde af. Die vier op mijn eindlijst detoneerde met de reeks negens, achten en een enkele zeven en schreef ik grotendeels toe aan mijn docent wiskunde (die toevallig ook die schooldecaan was), wat ik kon onderbouwen door het feit dat in het enige jaar dat ik wiskunde had van een andere leraar, ik op ieder rapport een acht had voor het vak en dat voor het verwante natuurkunde op mijn eindlijst eveneens een acht prijkte. Ik had echter mijn buik vol van de exacte vakken en koos voor aardrijkskunde, geschiedenis, Nederlands, Frans, Duits en Engels. Toen ik na een omweg via de onderwijzersopleiding geschiedenis ging studeren, kwam de kennis van die talen buitengewoon van pas, maar aan wiskunde had je helemaal niets. Statistieken kun je zonder dat gegoochel ook wel lezen, mocht het een keer nodig zijn. Die voormalige wiskundedocent en schooldecaan kwam ik jaren later, toen ik zelf al doctorandus was en hij nog altijd derdegrader op grond van een of andere duistere applicatiecursus in een ver verleden, weer tegen als collega. Omdat hij in de docentenkamer een bijzonder innemende man bleek te zijn, iets waar we als leerling nooit wat van hadden gemerkt, ben ik maar niet over dat stukje gezamenlijk verleden begonnen. 


Voor het eindexamen moesten wij voor Nederlands vijfentwintig boeken lezen en voor elk van de vreemde talen vijftien. Dat betekende zeventig boeken in twee jaar. Natuurlijk, een enkel boek had al op mijn lijst voor de MULO gestaan, althans voor Nederlands, want wat je daar voor de vreemde talen moest lezen stelde niets voor en was op HAVO-niveau, althans het toenmalige, onbruikbaar. Het was dus al met al veel leeswerk. Aangezien ik toen ook al van lezen hield, was het veel meer een genoegen dan een plicht. Ook het schrijven van de vier vereiste scripties, twee voor aardrijkskunde en twee voor geschiedenis, vond ik eigenlijk wel leuk. Het was in de ware zin van het woord een pretpakket, zoals sommige nerds die wis- natuur- en scheikunde deden weleens smalend zeiden.


Een van de boeken op mijn lijst was Oeroeg van Hella S. Haasse, een novelle die zich afspeelde in Indonesië in de tijd van de oorlog die Nederland daar voerde in een poging te beletten dat het land onafhankelijk zou worden. Oeroeg stond toen bij vrijwel iedere middelbare scholier op de lijst en het zou me niet verbazen als dat nog zo is. Een boek als Revolusi van David van Reybrouck is natuurlijk veel te dik voor de overwerkte leerling van vandaag de dag, die voor Nederlands, als ik me goed heb laten inlichten, op het VWO zomaar vijf werken van letterkunde moet lezen. 


Over Hella Serafia Haasse (1918-2011), de schrijfster van Oeroeg en van een groot en zeer gevarieerd oeuvre, is onlangs een bijbeldikke biografie verschenen van de hand van Aleid Truijens, die ons eerder onder meer verblijdde met een biografie van Frits Hotz. Het boek ademt degelijkheid, het is om het eens ouderwets te zeggen een zeer doorwrochte studie, waardoor we kennis kunnen nemen van het leven van een bijzondere auteur, geboren in Nederlands-Indië, met niet alleen een bijzonder oeuvre, maar ook een conventioneel lijkend en toch bijzonder (ingewikkeld) huwelijk met een bijzondere man. Wie de schrijfstijl van Truijens kent, is niet verbaasd dat je al lezend door de 536 pagina's vliegt, noten en bibliografie niet meegerekend. Ze heeft naar eigen zeggen bijna acht jaar aan de biografie gewerkt, daarbij onder meer terzijde gestaan door de dochters en kleinkinderen van Haasse en van vele mensen die Haasse hebben gekend of met haar hebben gewerkt. De biografie is een fascinerende en rijk geïllustreerde ontdekkingstocht door het leven van een van de grootste en belangrijkste auteurs van de twintigste en vroege eenentwintigste eeuw. Ik heb een aanzienlijk deel van het werk van Hella Haasse in de loop der jaren gelezen, maar nu ik haar zo goed heb leren kennen dankzij Aleid Truijens, ga ik me zeker in nog meer van haar boeken verdiepen. Misschien een tip voor onze veelgeplaagde middelbare scholieren als ze na het eindexamen eindelijk van hun lessen Nederlands zijn verlost.


Aleid Truijens, Leven in de verbeelding. Hella S. Haasse 1918-2011. Querido 2022. 


dinsdag 25 januari 2022

De fameuze Gemeentelijke Pedagogische Akademie




Het voorplat van Abel ontwaakt, de debuutroman van politicoloog Cor Snijders, wordt gesierd door een foto van twee heren in het stijlvolle café De Tijd in Dordrecht, de stad die voor een groot deel de achtergrond vormt van het boek. Abel ontwaakt is het verhaal van een nog wat naïeve jongeman, geboren en gedeeltelijk opgegroeid in Dordrecht en gedeeltelijk in Oud-Beijerland, die in de jaren dat hij aan de havo-top van de Gemeentelijke Pedagogische Akademie (akademie toen officieel geschreven met een progressieve k, in tegenstelling tot hoe Snijders het spelt) in Dordrecht verkeert, zijn beslissende stappen naar de volwassenheid zet. Een Bildungsroman waarin, volgens het Dankwoord voorin, alle vertellingen op waarheid berusten. Dat ontslaat de lezer van de soms prangende vraag naar wat er werkelijk is gebeurd in een boek, maar roept meteen een andere vraag op: waarom dan gefingeerde namen en niet de echte van de personen die erin voorkomen?

Ik moet iets verklappen. Ik ken Cor Snijders goed, hij verkeert in deels dezelfde vriendenkring als ik. De leraren waarmee hij in zijn havotijd bevriend raakte, een vriendschap die in sommige gevallen nog steeds voortduurt, behoren deels ook tot mijn kring van intimi en ik heb zelf aan die havo-top en daarna op de, toen fameuze, Gemeentelijke Pedagogische Akademie gestudeerd. Wel iets eerder dan Snijders, maar niet veel. Ik bracht er, met een jaar tussen havo en PA, de periode 1968 - 1974 door, een tijd die voor mijn vorming van minstens even groot belang was als die van Cor Snijders. De verdienste van het boek voor mij persoonlijk is dan ook dat het mij terugvoert naar die jaren uit mijn leven, toen ik zelf ook met vallen en opstaan de nodige stappen naar de volwassenheid zette. Daar heeft een toekomstige lezer zonder mijn achtergrond weinig aan, maar ook dan geeft het boek genoeg aanknopingspunten om te lezen. Snijders beschrijft een leeftijdsfase die we allemaal hebben doorgemaakt en die voor ons allemaal even bijzonder en uniek was. Cor slaagt er goed in dat unieke duidelijk te maken, al was het alleen al door zijn omgang met de Surinaamse Naomi en het docentenechtpaar Allard en Cynthia, die hem een levenslange fascinatie met de Surinaamse cultuur opleverde. 

Ook dat is een raakpunt tussen Snijders en mij, de belangstelling voor Suriname. Ik heb dat prachtige, fascinerende land ook bereisd en mij via mijn Surinaamse vrienden, ja, inderdaad, leren kennen op de Dordtse GPA, verrijkt aan de Surinaamse cultuur. Dat in mijn persoonlijk leven Griekenland de grootste plaats ging innemen doordat ik aan de universiteit van Minnesota mijn Griekse vrouw leerde kennen, neemt niet weg dat Suriname altijd een belangrijke plaats in mijn leven heeft ingenomen en nog inneemt. Er is trouwens een opvallend aantal parallellen aan te wijzen tussen de Griekse en Surinaamse cultuur, maar dit terzijde.

De fameuze GPA, schrijf ik. Waarom wordt ook door Snijders duidelijk gemaakt. In de jaren zeventig was studeren aan de havo-top en PA een warm bad vergeleken met het onderwijs aan de doorgaans nog autoritaire, bekrompen, meer op cijfers, orde en braaf gedrag gerichte mavo's. Waarom rijdt Snijders dagelijks, nu ja, als hij niet bij Naomi of bij een bevriende docent overnacht, op zijn brommer het hele eind van Oud-Beijerland naar Dordrecht? Omdat een bekrompen, verzuurde mavo-directeur het 'doorleren' op de plaatselijke havo voor hem onmogelijk maakte. Dat bleek achteraf een zegen, schrijft Cor. Zelf werd ik op de mulo verkeerd voorgelicht door de schooldecaan, waardoor ik op die havo-top terechtkwam in plaats van op de HBS, iets wat voor mij achteraf ook een zegen was. Een school waar aandacht voor je was, waar je creatieve talenten werden gewaardeerd en je puberaal gedrag op begrijpende wijze werd gekanaliseerd en in een positieve richting omgebogen. Een school waar ik me geweldig thuisvoelde, al stond de mentaliteit van 'wij zullen jullie wel vormen' in mijn PA-jaren me weleens wat tegen. Honderd procent geweldig krijg je iets nooit.

De basis van ons latere succes, dat van Snijders en mij, typische stapelaars die uiteindelijk via de mulo/mavo, havo en hbo de universiteit afmaakten, werd gelegd op, ik zeg het nog eens, die fameuze GPA. Dat de gemeente Dordrecht, in de tachtiger jaren nauwelijks geïnteresseerd in hoger onderwijs in de stad, die prachtschool tenslotte heeft verkwanseld en ten onder laten gaan, is een verhaal voor een ander boek. 

Wat mij beslist heeft geraakt, is de ode die het boek ook is aan zijn vriend en leermeester voor het leven Pjotr, de man rechts op het voorplat, van wie Snijders geschiedenisles heeft gehad. Pjotr, in werkelijkheid Piet, waarom die russificering wordt in het boek duidelijk, is ook een van mijn beste vrienden en een aantal jaren waren we collega's. Hij is een van de mensen die mij hebben geïnspireerd geschiedenis te gaan studeren en met wie ik nog graag over ons vak praat. In het boek komt hij naar voren als een wijze, zeer erudiete man. Piet is iemand van wie ik ook nog altijd leer, een belezener mens ken ik niet, al is het wat dat betreft ook goed praten met Allard, eveneens nog steeds een van mijn beste vrienden.

Het verhaal van Cor Snijders is beslist de moeite waard, ook voor mensen die de stappen naar hun volwassenheid hebben gezet in Appingedam of Aardenburg, maar niet altijd makkelijk te volgen. Regelmatig worden personen opgevoerd met te weinig of geen introductie. Ik kan de draad dan meestal nog wel volgen, omdat ik de achtergrond, en veelal de mensen, ken, maar dat maakt het voor de lezer verwarrend. Om een voorbeeld te noemen: in het boek verkeert Snijders met drie bevriende oud-docenten, waar onder een zekere Jean, in een Rotterdams café. Jean tapt biertjes en staat achter de bar. Dan moet je toch voor de volledigheid vertellen dat Jean (misschien niet geheel toevallig mijn zeer gewaardeerde oud-directeur van de locatie Overkampweg van het Stedelijk Dalton Lyceum in Dordrecht) na zijn pensionering in zijn geboortestad Rotterdam een kroeg is begonnen. 

Over één ding moet ik Cor ernstig beknorren. In het begin van het boek citeert hij uit de Ode aan Dordrecht van Kees Buddingh', maar dat schrijft hij als Cees Buddingh. Voor wie het werk van Buddingh' kent is dat een soort doodzonde, maar gelukkig niet van invloed op de rest van het verhaal.


Cor Snijders, Abel ontwaakt. Uitgeverij Boekscout. Baarn 2022.


dinsdag 26 oktober 2021

De Kavafis van Thessaloniki




Tussen Thessaloniki en Athene bestaat een zekere mate van rivaliteit. De bewoners van de 'noordelijke hoofdstad' voelen zich soms tekort gedaan. Zo hoor je vaak gemor over het feit dat de metro van Athene, onder druk van de Olympische Spelen van 2004, relatief snel werd aangelegd, terwijl de bouw van die in Thessaloniki nog steeds een jarenlang, moeizaam slepend proces is. 


Ook op cultureel gebied voelt Thessaloniki zich door Athene tekort gedaan. De stad heeft onmiskenbaar een bloeiend cultureel leven, maar wie het als schrijver, zanger, acteur of beeldend kunstenaar echt wil maken, vertrekt vroeg of laat naar Athene. Wel kan Thessaloniki zich beroepen op het feit dat een van haar twee universiteiten, de Aristotelesuniversiteit, qua studenten de grootste is van Griekenland. 


Een dichter die zijn geboortestad Thessaloniki wel zijn hele leven trouw is gebleven, is Dinos Christianopoulos, pseudoniem van Konstantinos Dimitriadis (1931-2020). Christianopoulos stond vooral bekend om zijn non-conformisme en zijn soms tegendraadse gedrag. Zo weigerde hij in 2011 een belangrijke literaire prijs, vergelijkbaar met de P.C. Hooftprijs voor poëzie, omdat hij vond dat zulk eerbetoon de menselijke waardigheid aantastte. Dat doet aan W.F. Hermans denken, die de PC Hooftprijs weigerde omdat hij het bedrag toentertijd beledigend laag vond. 


De rode draad in de poëzie van Christianopoulos is zijn pijnlijke zoektocht naar de homoseksuele liefde, vaak in de krochten van de stad, waarbij de toon ligt tussen ironie en wanhoop. Onconventioneel, zeker voor Griekenland in de tweede helft van de vorige eeuw, was het openlijk belijden van de herenliefde, waardoor zijn werk vaak met dat van Kafavis wordt vergeleken, al spreekt uit diens poëzie meer een nostalgisch verlangen, dat je niet bij Christianopoulos vindt.


In 2001 stelde ik met John Heuzel de bloemlezing 'Kruispunt Internationaal' samen, een uitgave van het Vlaamse tijdschrift Kruispunt. Hiervoor vertaalden Stella Timonidou en ik vijf gedichten van Christianopoulos uit zijn verzamelbundel Poëmata (Thessaloniki 1998). Dat bracht ons met hem in contact. Hij ontving zelden mensen bij zich thuis, dus vond de afspraak plaats in de toenmalige boekhandel Rajas in de Ermou, waar zich regelmatig schrijvers en dichters verzamelden en die voor Christianopoulos ook als een soort postadres functioneerde. Wij hadden ons schrap gezet voor een ontmoeting met een lastige, uiterst kritische dichter. We troffen een man die weliswaar sterk van zijn eigen gelijk was overtuigd, maar niettemin beminnelijk overkwam. Hij gaf ons een dringende raad: 'Ga nooit met een grote uitgever in zee.' Hij had dan ook in 1958 zijn eigen uitgeverij, Diagonios, opgericht. Zijn waardering voor onze vertalingen uitte hij door Stella's editie van zijn verzamelbundel voor ons te signeren.


De laatste keer dat ik Christianopoulos ontmoette was een jaar of vier geleden, bij een boekpresentatie in het centrum van Thessaloniki, niet ver van de iconische Witte Toren. Hij was niet meer de krachtige figuur uit 2001, maar maakte een vermoeide, fragiele indruk. Toch was zijn geest nog vlijmscherp, wat bleek uit de vragen die hij aan de inleider stelde. Daarna verstomde het contact. Op 11 augustus kwam het bericht dat hij op 89-jarige leeftijd was overleden.


Eerder gepubliceerd in Griekenland Magazine, herfst 2020.


woensdag 7 juli 2021

Een oorlog die nooit overgaat




Joyce de Bos, auteur van Ik vertrouw je tot vandaag, is in hetzelfde jaar geboren als mijn jongere zus. We behoren, als late babyboomers, tot dezelfde generatie en dus groeiden we op in een tijd waarin de Tweede Wereldoorlog vanzelfsprekend een grote rol op de achtergrond speelde. Voor mij, geboren in 1951, was de oorlog aanvankelijk iets uit de oudheid, maar naarmate ik ouder en bewuster werd, kwam hij almaar dichterbij en niet alleen omdat ik geschiedenis ging studeren.

Voor mijn ouders betekende de oorlog een waterscheiding. Ze hadden het er weliswaar regelmatig over, maar ze dachten over hun leven vooral in termen als 'voor de oorlog' en 'na de oorlog'. Anders dan Joyce de Bos zie ik mezelf niet als een tweede generatie oorlogsslachtoffer. Ja, er is in de familie het mysterie van de oudste broer van mijn grootvader, die in 1942 ergens in Saksen-Anhalt is doodgeschoten, maar waarvan niemand het hoe en waarom weet. 'Oorlogsslachtoffer' staat bij zijn naam op het ereveld van Loenen, waar hij ligt begraven en daar moeten we het voorlopig mee doen.

Ja, mijn vader werd als jongen bij een razzia opgepakt en tewerkgesteld in Duitsland, maar daar bleek hij vanwege zijn gezondheid al snel meer een last dan een gemak. De Duitsers stuurden hem naar huis. Hij meende dat zijn uitstekende Duits daar misschien een rol in heeft gespeeld. Over de wijze waarop hij werd behandeld zweeg hij verder. Een keer heb ik hem ontdaan gezien, toen hij in een Duitse douanier een man dacht te herkennen die hem had mishandeld. Verder gingen zijn oorlogsverhalen vooral over het bombardement op Rotterdam en de hongerwinter.

Ja, er waren de verhalen van mijn moeder over een omgekomen Joodse huisvriend, over het onderduiken van mijn oom in het verre Arnhem, vanwege een NSB'er in de straat, en over de verloofde van mijn tante, die pal na de bevrijding bezweek aan tuberculose, maar al met al kwam de familie er redelijk vanaf.

Bij Joyce de Bos ligt dat heel anders. In haar autobiografische roman verhaalt ze over haar zoektocht naar de oorlogservaringen van haar vader, voor zover hij daar zelf niet over vertelde. Die ervaringen zijn heftig, heel heftig. Het lijkt een wonder dat hij als jongen de oorlog heeft overleefd. De vernederingen en mishandelingen die hij onderging drukten niet alleen een levenslang stempel op hem, maar ook op zijn gezin. Uiteindelijk loopt zijn huwelijk erop stuk.

De roman illustreert het feit dat de Tweede Wereldoorlog het leven van de tweede generatie slachtoffers diepgaand kan beïnvloeden, om van de eerste niet te spreken. De relatie van Joyce met haar vader kent zowel tedere als dreigende, warme en schokkende momenten en wordt bij het ouder worden steeds sterker door vaders oorlogsverleden bepaald. Uiteindelijk worden de herinneringen zo bitter en pijnlijk, dat zijn leven ondragelijk wordt en hij kiest voor euthanasie.

Het verhaal is enerzijds fascinerend, anderzijds schokkend om te lezen. Misschien had de schrijfster er goed aan gedaan om zich hier en daar, met name in de slotscènes van het boek, wat minder te verliezen in details. Suggestie in plaats van expliciet benoemen kan een vertelling soms ten goede komen. Dat doet echter niets af aan het feit dat het boek je net als in een goede film meesleurt, waarna je aan het einde, als het doek valt, een tijdje moet bijkomen van alle emoties. Ik besefte na de laatste bladzijde dat niet iedere babyboomer de oorlog even goed doorkomt.


Joyce de Bos - Ik vertrouw je tot vandaag. Avenir Publishing 2021.


dinsdag 13 april 2021

Jezelf ontplooien in alle vrijheid




Het debuut van Lale Gül heeft nogal wat stof doen opwaaien. Met grote gretigheid hebben de media zich gestort op deze autobiografische roman, die moeiteloos past in de Nederlandse traditie van schrijvers die zich afzetten tegen het milieu waarin ze opgroeiden. Meestal is dat een orthodox gereformeerd milieu, in dit geval een streng islamitisch. Dat laatste verklaart wellicht die opvallende gretigheid. Het komt niet vaak voor dat een vrouw met een dergelijke achtergrond de moed opbrengt een boek te schrijven waarin de worsteling met haar milieu en de drang zich daaruit te bevrijden op weinig verhullende wijze wordt verwoord. De gevolgen daarvan kunnen zeer ingrijpend zijn. Lale is inmiddels door allerlei zeloten en extreem nationalisten bedreigd en woont niet meer thuis.

Ik vind het relaas bij tijd en wijle hartverscheurend en denk dat Lale het in zich heeft om uit te groeien tot een belangrijke schrijfster. Enerzijds leest haar boek als een trein, om maar eens een cliché te gebruiken, anderzijds laat ze soms wel een steekje vallen. Ze komt nu en dan met stevige en behartenswaardige uitspraken, zoals 'Als je religieus bent, ben je geen persoon; je tracht welbewust een soort karikatuur te worden.' Vervang religieus door fundamentalistisch en de spijker wordt op de kop geslagen, maar dat je dat moet doen, toont meteen een zwakheid van het verhaal: er wordt te sterk in veralgemeniseerd. 

Ik heb me laten meeslepen door het verhaal van Büsra, een jonge vrouw die snakt naar bevrijding uit de verstikkende sociale controle en de diep frustrerende opvattingen van de schaamtecultuur waarin ze opgroeit. Sommige passages zijn hilarisch, bijtend kritisch, vooral waar het om de rol van de man, de onderdrukker gaat. Guls kritiek op de domheid, de achterlijkheid waarmee Büsra wordt geconfronteerd, is vlijmscherp, maar tegelijkertijd schildert ze de dingen soms te karikaturaal. Misschien omdat ze zich een goede leerlinge van Multatuli betoont. Bijvoorbeeld in passages waarin zij zich rechtstreeks tot de lezer wendt en wat te denken van 'imam Wawelaar'?

'Weinig zaken snijden dieper dan de ernst van een goede grap,' schrijft ze op bladzijde 15. Het boek is niet gespeend van humor. Haar beschrijving van het dorp van herkomst van Büsra's ouders, die ze consequent de verwekkers noemt, is daar een prachtig voorbeeld van. Aan de andere kant doet Lale het verhaal te kort door slordigheden, onwaarschijnlijkheden en soms overtrokken taalgebruik zoals: 'Ik sta in de keuken linzensoep te componeren...'. Dat is misschien nog niet eens zo onaardig gevonden, maar over Büsra's bibliotheekbezoek schrijven: 'Ik had alle schappen op een gegeven moment uitgespeeld' is iets te gewild. De beschrijving van wat de ontdekking van de bibliotheek voor Büsra betekent, vind ik overigens zeer overtuigend. Minder te spreken ben ik over: 'Het notabele is dat er wijnglazen en luxe wijnflessen van Moêt op tafel staan' en ik hoor de juf van een koranschool echt niet: 'de geleerden divergeren van mening' zeggen. 

De gesprekken van Büsra's medeleerlingen, vwo-ers op Romereis, zijn nogal ongeloofwaardig en van de wijze waarop volgens haar die reis werd georganiseerd (uiteindelijk moesten de leerlingen zelf maar een hotel uitzoeken, een goedkoop vlooienkot met bedwantsen, waaruit de begeleidende docenten terstond vertrokken naar een luxer logies) geloof ik geen woord, maar knap en dodelijk scherp is dan wel weer de manier waarop de hypocrisie van de fundamentalisten aan de kaak wordt gesteld. Het is in die kringen de schijn ophouden van heb ik jou daar. 

Mooi is dat ze haar relaas afsluit met een lang, verhalend gedicht, maar ik heb er toch een beetje moeite mee dat Büsra het uitmaakt met haar geheime, Nederlandse relatie, Freek, en vervolgens wel besluit om voortaan geen hoofddoek meer te dragen, wat een soort bomexplosie in de familie veroorzaakt. 

De essentie van deze roman is dat een dappere, boze, jonge schrijfster er een drama in verwoordt, waarin de hoofdpersoon niet de ruimte wordt gegeven om te doen waarom het, in haar eigen woorden, in het leven draait, namelijk 'jezelf zoeken, jezelf vinden, jezelf zijn en jezelf ontplooien in alle vrijheid.'

Het boek eindigt met 'Wordt (waarschijnlijk) vervolgd.' Ik hoop het.

Lale Gül, Ik ga leven. Prometheus, Amsterdam 2021



woensdag 13 november 2019

De Dordtse letteren, 1572-2019



Vandaag is mijn boekje De Dordtse letteren, 1572-2019 verschenen als deel 38 in de serie Verhalen van Dordrecht. Ik ben er blij mee. De uitgave is mooi verzorgd en het resultaat mag er zijn, al is de weg daarheen niet helemaal effen geweest. Dat is een beetje mijn eigen schuld. Toen ik de opdracht van de Stichting Historisch Platform Dordrecht aanvaardde, heb ik niet gevraagd hoe omvangrijk de tekst mocht zijn. Ik bekeek enkele eerdere delen uit de reeks en schatte die op ongeveer tienduizend woorden. Toen ik een tekst van die omvang inleverde, vernam ik dat het maximaal zesduizend woorden mocht zijn.

Schrijven is schrappen, hoor je weleens. Dat was nu zeker het geval, maar door dat schrappen viel er wel erg veel vlees van de botten en aangezien ik geen vegetariër ben, ging mij dat wel een beetje ter harte. Het is gelukt, niet het minst door enkele nuttige suggesties van tekstredacteur Cees Esseboom. De andere redacteur, Herman van Duinen, heeft het eindresultaat in een puike vorm gegoten. De heren verdienen mijn dank daarvoor. Ik heb de oorspronkelijke tekst zorgvuldig opgeslagen. Wie weet wat voor aardigs ik daar in de toekomst nog eens mee kan doen, maar voorlopig hebben we dit boekje.

Je kunt het maar beter zelf vermelden, voordat een ander er triomfantelijk mee aan de haal gaat, maar helemaal foutloos is het eindresultaat niet. Door een onopgemerkte typefout is de dichter Job Degenaar ineens twee jaar ouder geworden, want zijn geboortejaar staat vermeld als 1950, terwijl dat 1952 moet zijn. Over dichter, romancier en kinderboekenschrijfster Marie Schmitz (1883-1972) meld ik dat ze, geboren in Haarlem, voor haar huwelijk met de kunstenaar Leen Verhoeven naar Dordrecht kwam. Het boekje lag al bij de drukker toen ik ontdekte dat dat al veel eerder was. Ze kwam namelijk als zeer jong kind mee met haar moeder, nadat die weduwe was geworden. Dank aan Saskia Lensink, van wiens hand binnenkort het boek Dochters van Dordrecht verschijnt, voor de nadere informatie. 

In de inleiding van de oorspronkelijke tekst, stelde ik mij de vraag: wanneer kun je iemand een Dordtse schrijver noemen? Is dat iemand die in de stad is geboren en getogen en daar altijd is blijven wonen? Is iemand die tijdelijk in de stad woonde en daar het een en ander schreef (Jacob Cats bijvoorbeeld) ook een Dordtse schrijver? Of iemand die in Dordrecht is geboren, maar daar al vroeg uit is vertrokken (Job Degenaar, Amarantha Groen, Jacques Perk)? Of een schrijver die van buiten Dordrecht naar de stad kwam? Een eenduidig antwoord heb ik niet kunnen vinden. Prima dus dat die inleiding door het schrappen moest vervallen. Met te nauwe definities zijn de letteren namelijk niet gediend, denk ik.