Posts tonen met het label Nederlandse geschiedenis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Nederlandse geschiedenis. Alle posts tonen

dinsdag 18 augustus 2026

Schatrijk met de ziel onder de arm




De vroege negentiende eeuw en dan in het bijzonder de periode van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830) is een periode die in de boeken van historicus en romancier Peter van de Steenoven bijzondere belangstelling geniet. Voor zijn roman Een dolende libertijn eind 2025 verscheen publiceerde hij een trilogie over de Bredase notaris Adriaan Bastiaansen, die ook in deze jaren speelt. Minister van justitie Cornelis F. van Maanen (1769-1846), die regelmatig in het boek ter sprake komt, is voor een trouwe lezer van Van de Steenovens boeken dan ook geen onbekende. De persbreidelende minister speelt echter geen hoofdrol. Dat is Derk van Backenes, telg uit een gegoede familie, die een enorm kapitaal en een kasteeltje in Princenhage bij Breda heeft geërfd.


Na zijn studie rechten loopt de rusteloze Van Backenes een beetje met zijn ziel onder de arm. Wat moet hij van zijn leven maken? Hij is aanhanger van de Verlichting, in het bijzonder van sommige ideeën van Rousseau, waaruit een deel van zijn afkeer van de autoritair regerende koning Willem I en de familie Van Oranje voortkomt. Toch twijfelt hij ernstig aan een maatschappelijke loopbaan of een carrière in de politiek. Vooralsnog zoekt hij het antwoord in reizen, waarbij hij vooral graag in Frankrijk verblijft, waar onder het impopulaire bewind van Karel X van alles broeit. In Parijs ontmoet hij ook Nederlanders die de ideeën van het liberalisme zijn toegedaan, waaronder de gebroeders Ary en Arnold Scheffer. De eerste een beroemde en invloedrijke schilder, geboren in Dordrecht, maar dit terzijde, de tweede een vooruitstrevend journalist. Ary zou het na de revolutie van 1830, die de hertog van Orleans als koning Louis-Philippe aan de macht bracht, brengen tot hofschilder van de vorst waarmee hij zeer bevriend was.


Al dolende worstelt Van Backenes ook met zijn familie, die hem het liefst zou zien trouwen met een adellijke dame met een goede reputatie. Zo ver kwam het niet. Wel beleeft onze dolende libertijn diverse erotische avonturen, die ertoe leiden dat hij niet alleen iemand bezwangert, maar eveneens syfilis oploopt. Een in die tijd moeilijk, maar niet onmogelijk te genezen geslachtsziekte.


Op de achtergrond speelt ook een raadsel in de familie, als blijkt dat de moeder van Van Backenes betrekkingen heeft gehad met het huis van Oranje, waar niemand het fijne vanaf weet, of wil weten, omdat hij op vragen daarover geen antwoord krijgt. Op het moment dat de lezer verwacht dat dit raadsel wordt opgelost, komt het plotselinge, nogal dramatische einde van het boek.


Afgezien van de fictieve figuur van Van Backenes en enkele andere personen, houdt Peter van de Steenoven zich nauwgezet aan de context van die tijd. De hoofdpersoon ontmoet werkelijk bestaande historische figuren, zoals de al eerder genoemde gebroeders Scheffer. De historische achtergronden worden met grote precisie geschetst. De auteur baseert zijn verhaal dan ook mede op zijn onderzoek naar Matthieu Versluys, de laatste heer van het in de negentiende eeuw afgebroken kasteel De Emer bij Princenhage. De combinatie met het verteltalent van Van de Steenoven maakt van Een dolende libertijn een rijke en boeiende historische roman.


Peter van de Steenoven, Een dolende libertijn, Breda 2025. ISBN 978-94-6533-116-4.


Zie ook de website van de auteur.



woensdag 20 augustus 2025

De botheid bleef




Vaak denken mensen als het gaat over de achttiende-eeuw aan een periode van gezapigheid die wordt gekenmerkt door de brave versjes van Hieronymus van Alphen, auteur van het bekende gedicht De pruimeboom. Een eeuw waarin weliswaar allerlei Verlichtingsideeën doorbraken, maar die meer nog gekenmerkt werd door de traagheid van de trekschuit en het steeds meer door concurrenten overvleugeld worden van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Een eeuw waarin allerlei ontwikkelingen ontstonden die uiteindelijk zouden leiden tot onze huidige samenleving, maar daar moest dan nog wel verschrikkelijk veel tijd overheen gaan. Een eeuw die zich eigenlijk niet kon meten met de glorierijke zeventiende.


Wie zulke gedachten over Nederland in de achttiende eeuw koestert moet beslist het boek Verlicht en vilein lezen van Marleen de Vries. Dan kom je in de eerste plaats heel wat zaken tegen die je doen denken aan de dag van vandaag. "Achttiende-eeuwers hadden korte lontjes en waren minstens zo driftig, direct en grofgebekt als de hedendaagse Nederlanders die zich anoniem uitleven op de sociale media - botheid is een constante in de Nederlandse cultuur - maar uiteindelijk stond dat de vooruitgang niet in de weg," schrijft ze op pagina 20. Die vooruitgang hebben we volgens De Vries "te danken aan idealistische burgers die geloofden in verandering en die bleven vechten voor een rechtvaardiger en humanere maatschappij."


Er veranderde nogal wat tussen pakweg 1700 toen in de woorden van De Vries de Republiek nog het meest leek op een hedendaagse bananenrepubliek "met corrupte regenten die de macht onderling verdeelden" en 1800. Aan het eind van de eeuw waren er een grondwet, waren kerk en staat gescheiden, was er gelijkberechtiging van alle religies, kende het land vrijheid van meningsuiting en begon men op nationaal niveau aandacht te besteden aan het onderwijs, waarvan het belang meer en meer werd ingezien. Ideaal was het nog niet, vrouwen hadden nog lang geen stemrecht en stonden nog immer onder de voogdij van een man. De handelingsonbekwaamheid van een gehuwde vrouw werd pas in 1956 afgeschaft en toen ik in 1955 op de kleuterschool zat, raakten we onze geliefde juf halverwege het jaar kwijt omdat ze ging trouwen, wat haar gedwongen ontslag betekende.


De achttiende eeuw kende vele veranderingen en politieke spanningen, uitlopend op de revolutie van 1780-1787, die eindigde in een korte burgeroorlog en het ingrijpen van de Pruisen. Op cultureel gebied was het op allerlei terrein een bloeiperiode, met vooral de opvallende opkomst van de literatuur in de vorm van de roman. Denk bijvoorbeeld aan de namen Betje Wolff en Aagje Deken, Rhijnvis Feith en Belle van Zuylen. Het was, met name na 1750, de eeuw van de wetenschappelijke en kunstzinnige genootschappen, waarvan sommige nog steeds een rol spelen. Denk aan de Hollandse Maatschappij der Wetenschappen (Haarlem 1752), de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen (Edam 1784), de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (Leiden 1766) en in mijn eigen stad, Dordrecht, het oudste Teekengenootschap van Nederland, Pictura (1774).


De turbulente, allesbehalve gezapige achttiende-eeuw vertoont nogal wat parallellen met onze tijd. De eeuw "stierf van zwendelende aandeelhouders, leugenaars en bedriegers, venijnige dichtstukken en satirische prenten." De laatste twee werden verspreid door middel van pamfletten, de 'sociale' media van die tijd. In die pamfletten werden tegenstanders uitgescholden en soms, even anoniem als bij de computerhelden van nu, met de dood bedreigd. Ook tierden antisemitisme, seksisme en anti-papisme welig en werd van alles wat er misging, de economische crisis, de hopeloos verlopende oorlog met Engeland, de schuld aan 'de buitenlanders' gegeven. In de achttiende-eeuw waren dat vooral arbeidsmigranten en Duitse seizoenarbeiders. Het klinkt nogal modern. Desondanks kwam er tegen het einde van de eeuw ook zoiets op als een moderne publieke opinie, wat vooral te danken was aan de opkomst van de tijdschriften.


In vlot, verfrissend proza beschrijft Marleen de Vries het Nederland van de achttiende-eeuw, de eeuw die ook wel de pruikentijd wordt genoemd. Aan het einde ervan verdween in vooruitstrevende kringen de pruik langzamerhand en begon de samenleving traag te groeien naar een maatschappij zoals we die nu kennen. Daarmee verdwenen niet alle negatieve karaktereigenschappen van de Nederlander, zo leert ons een snelle blik op een internetriool als X.


Marleen de Vries, Verlicht en vilein. Een biografie van achttiende-eeuws Nederland. Amsterdam 2023.

vrijdag 30 mei 2025

Sjoelen met Johan de Witt




Vierhonderd jaar geleden werd Johan de Witt geboren. Het Dordrechts Museum wijdt er een tentoonstelling aan, vergezeld van een fraai uitgevoerde en informatieve catalogus. Deze zomer besteedt ook de Dordtse bibliotheek aandacht aan Johan de Witt. Iedereen die de vestiging in het centrum bezoekt gaat aan het standbeeld van Johan en zijn broer Cornelis voorbij en zet misschien wel de fiets daar neer, want beide broers, stammend uit een geslacht van kooplieden en ondernemers, drijven heden ten dage een fietsenstalling. Daar wordt door allerlei mensen over gemopperd, maar ik vind dat helemaal niet zo gek. Naast de strijd tegen het water, is de fiets een van de kenmerken van 'de' Nederlander, die mag daar van mij best in beeld.


In het weekblad Dordt Centraal van 28 mei lees ik dat veel jongeren niet bekend zijn met de naam De Witt. Dat klopt, vrees ik. Dat is het gevolg van de teloorgang van het geschiedenisonderwijs en van onnozelheid of desinteresse. Soms komt het later goed. Het valt mij bij lezingen steeds weer op dat allerlei mensen die geschiedenis niet in hun 'profiel' hadden of bij de geschiedenisles geen enkele belangstelling toonden, later juist wel die interesse in zekere mate hebben ontwikkeld. Dat er een wachtlijst is voor de cursus Dordtologie stemt mij wat dat betreft ietwat optimistisch en gelukkig heeft Nederland nog enkele bekwame historici die naast wetenschappelijke ook goed leesbare publieksboeken schrijven. Bovendien: jongeren hoeven in hun jeugd niet alles te weten. We doen in Nederland toch aan 'levenslang leren'? Of is dat inmiddels ook al wegbezuinigd door ons kolderkabinet?


"Jongeren zijn denk ik niet bekend met de naam. Hij was echter een groot staatsman en is belangrijk geweest voor onze democratie," zou volgens Dordt Centraal projectleider bij de bibliotheek David Timmer in het Algemeen Dagblad hebben gezegd. Als dat klopt zou hij een opmerkelijk gebrek aan historisch besef hebben geëtaleerd. Johan de Witt belangrijk voor onze democratie? Dat is rabiate onzin. Hij was belangrijk voor allerlei zaken die de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden tijdens zijn raadpensionarisschap betroffen en en-passant ook voor de wiskunde, maar democratie? Daar was in de zeventiende eeuw nog lang geen sprake van. De steden, die via de gewestelijke staten (en indirect dus in de Staten Generaal) van de Republiek de dienst uitmaakten werden bestuurd door een kliek van (invloed)rijke regentenfamilies, die de macht zoveel mogelijk binnen eigen kring hielden. Het volk had niets in te brengen, de ambachtslieden, althans in Dordrecht, een heel klein beetje via de gilden. Dat noemen we oligarchie en bij mijn weten had Johan de Witt daar niets op tegen. Mij is niet bekend dat hij ooit iets in zijn talrijke correspondentie heeft opgemerkt over het begrip democratie, tenzij hij het misschien over het klassieke Athene had, absoluut geen democratie in de zin zoals wij die opvatten. Ik word graag gecorrigeerd als ik het fout heb.


Ik vind het als historicus uitstekend dat er veel aandacht is voor de betekenis van Johan de Witt en dat men daar ook jongeren bij wil betrekken, als het maar niet zo is dat hij er dan als voorwendsel met de lange haren bij wordt gesleept en er historisch onjuiste verbanden worden gelegd, want dan is het misschien nuttiger om met de jongeren te gaan sjoelen.



Foto: auteur


vrijdag 23 mei 2025

De wereld van De Witt




Het Dordrechts Museum pakt flink uit met de tentoonstelling De wereld van De Witt. Hij wordt gehouden naar aanleiding van het feit dat Johan de Witt vierhonderd jaar geleden aan de Dordtse Houttuinen werd geboren. Dat nemen we tenminste aan, want voor zover ik weet is er geen bewijs van zijn doop gevonden. Johan groeide op in het huis in het Grotekerksbuurt dat vader Jacob in 1630 kocht, het huis waar later zijn oudere broer Cornelis met zijn gezin woonde. Een niet geheel correcte gevelsteen herinnert er nog aan.


De tentoonstelling is zeer veelzijdig, maar de nadruk ligt toch wel op het belang van Johan de Witt als raadpensionaris van Holland, een functie waarin hij zichzelf allereerst zag als dienaar van de Staten. Holland was in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden verreweg het rijkste gewest, dat opdraaide voor het overgrote deel van de kosten voor de oorlog tegen Spanje en de oorlogen die daarop volgden. Holland en daarmee zijn raadpensionaris, maakte in feite de dienst uit in de buitenlandse politiek, een gegeven waaraan ook in de tentoonstelling aandacht wordt besteed.


De zeventiende eeuw geldt als de Gouden Eeuw van de Republiek, al mag je van sommige mensen die term niet meer gebruiken. Ik doe dat wel. Gedurende een belangrijk deel van de zeventiende eeuw was de Republiek economisch en ook heel even militair een wereldmacht. Ik mag Engelse toeristen die Dordrecht bezoeken altijd met enig genoegen vertellen over de Tocht naar Chatham in 1667 en de rol die Cornelis de Witt daarin speelde. Vijf jaar later werden hij en Johan op 20 augustus door de Haagse schutterij vermoord en daarna door het gepeupel op beestachtige wijze aan stukken gesneden, een gruweldaad waar we in Dordrecht ieder jaar op 20 augustus bij stilstaan.


Dat diezelfde Gouden Eeuw ook donkere kanten had blijkt eveneens op de tentoonstelling. Een van die donkere kanten was het kolonialisme en de rol die de Republiek daarin speelde. De persoonlijke rol van de familie De Witt was daarin vooral indirect, maar vrijwel iedere familie uit de bestuurlijke elite van die tijd had wel aandelen in of banden met maatschappijen als de VOC en de WIC. De laatste bemoeide zich flink met de transatlantische slavenhandel, waarin de Republiek in die periode korte tijd koploper was, al bedraagt het totale aandeel in deze slavenhandel over de hele periode tot de afschaffing ervan niet meer dan 5%. Goed dus dat ook aan die donkere kant aandacht wordt besteed, maar waarom dan weer die domme, nergens op slaande term 'tot slaaf gemaakten' gebruikt voor het duidelijke, spijker-op-de-kop-begrip slaven? Over een andere donkere kant van de zeventiende eeuw, het grote verschil tussen arm en rijk en de ellendige levensomstandigheden van de allerarmsten in de steden ben ik weinig tegengekomen, maar zonder dat is de tentoonstelling al rijk en informatief genoeg.


Wat ik beslist en met grote nadruk aanraad is het kopen van het boek De wereld van De Witt. Dat is veel meer dan een fraai uitgevoerde catalogus. Het bevat een aantal buitengewoon interessante en goed uitgewerkte artikelen over onder meer het leven en de betekenis van Jacob de Witt, over de jong gestorven echtgenote van Johan, de Amsterdamse regentendochter Wendela Bicker, over De Witt als gedreven staatsman en zijn relatie tot de Oranjes en de Stuarts. In dat artikel rekent Jean-Marc van Tol overtuigend af met de mythe dat Johan de Witt een grote hater van de Oranjes zou zijn geweest. Het boek, onder redactie van Marianne Eekhout, Ineke Huysman en Carolyn Mensing is een mooie aanvulling op de dubbelbiografie van Johan en Cornelis de Witt, De Ware Vrijheid, door Luc Panhuysen.


De tentoonstelling in het Dordrechts Museum is nog te zien tot 26 oktober 2025.

zaterdag 2 november 2024

Brieven uit Berlijn




Na de bevrijding van Dordrecht leerde mijn tante Ann, jongere zus van mijn moeder, een Engelsman kennen die tijdelijk in de stad was gelegerd. Mijn oom Harold. Ze trouwden in 1947, in hetzelfde jaar als mijn ouders, en gingen in Engeland wonen. Vanaf die tijd tot het overlijden van mijn tante ging er wekelijks een brief van mijn moeder of van een van haar twee zussen naar Engeland en iedere maand, meen ik me te herinneren, kwam er een brief uit Engeland die dan circuleerde in de familie. Ik schrijf 'meen ik me te herinneren,' want helaas is van al die brieven geen enkele bewaard gebleven, iets wat mijn neef Brian, eveneens historicus, en ik nogal betreuren. Wie weet wat voor informatie ze hadden kunnen geven over het leven in Engeland en Nederland, vooral in de vroege jaren vijftig, toen Brian en ik nog piepjong waren en waaraan we maar vage jeugdherinneringen hebben. 

Mijn vader werd in 1944 bij de grote razzia in Rotterdam opgepakt en naar Duitsland gestuurd om daar gedwongen te gaan werken. Hij vertelde er soms iets over, maar dan ging het altijd over de afloop. Hij zat in Bentheim, vlak over de grens met Nederland, werd daar ziek en vervolgens teruggestuurd naar Nederland. Hij liep zo goed en zo kwaad als het ging naar de eerste de beste plaats over de grens, ik meen Oldenzaal, waar het Rode Kruis verder vervoer naar Rotterdam regelde. Of hij vanuit Duitsland brieven aan zijn ouders schreef, mijn moeder leerde hij pas na de oorlog kennen, weet ik niet. Ik heb ze in ieder geval nooit gevonden.

Dat lag anders in het geval van de vader van collega historicus Henk 't Jong. Die vond na het overlijden van zijn moeder in de nalatenschap een doos met brieven die zijn vader tijdens de jaren dat hij als dwangarbeider werkte aan Henks moeder schreef, met wie hij kort voor hij naar Duitsland moest was getrouwd. Een unieke en rijke vondst. Henk 't Jong ging met de brieven aan de slag, las zich grondig in over de periode en publiceerde onlangs een boek op basis van die brieven onder de titel Pa's oorlog.

Het is een bijzonder boek in die zin dat het niet alleen een verassend gedetailleerd beeld geeft van het leven van Cees 't Jong in de oorlog, waarin hij in de meidagen van 1940 als dienstplichtig soldaat vocht in de buurt van Delft en daarna als dwangarbeider werkte in Reinickendorf in de buurt van Berlijn, maar ook dat Henk 't Jong het verhaal plaatst in zijn historische context. Dat maakt het tot een werk van algemeen belang. Er komen zaken aan de orde die niet alleen interessant zijn voor de familie en nazaten van Cees 't Jong, maar ook voor een breed, geïnteresseerd publiek. Ik noem enkele voorbeelden: de rol van de arbeidsbureaus in Nederland bij de Arbeitseinsatz, de druk die de Nederlandse regering op werklozen uitoefende om al voor de oorlog, in de crisisjaren, in Duitsland te gaan werken, de manier waarop het leven in Berlijn ondanks de geallieerde bombardementen vanaf 1943 zo goed en zo kwaad doorging, de kille, om niet te zeggen hardvochtige manier waarop de terugkerende dwangarbeiders in Nederland werden ontvangen.

Het fraai uitgevoerde boek is rijkelijk voorzien van functionele illustraties en citaten en zoals het een zorgvuldig historicus betaamt heeft Henk 't Jong een uitgebreid overzicht toegevoegd van de gebruikte bronnen en literatuur. Er heeft veel meer werk in het boek gezeten dan je gezien de bescheiden omvang van 140 pagina's in eerste instantie zou denken. Die omvang is ook de kracht van het boek. Henk 't Jong verliest zich niet in allerlei getheoretiseer en onnodige uitwijdingen waar wij historici ons nogal eens schuldig aan maken. Er staat veel in het boek, het boeit van begin tot eind, maar er staat geen letter te veel in. 

Het boek is te bestellen via Dordtsebesteseller of in de reguliere boekhandel.


Henk t' Jong, Pa's oorlog. Belevenissen van Cees 't Jong 1920-1988 mitrailleurschutter en dwangarbeider 1940-1945. Dordrecht 2024. ISBN 9789403758206.


maandag 23 januari 2023

Moord, doodslag en voorspoed




Ineens hoor je alom de opmerking dat het geschiedenisonderwijs in Nederland er belabberd voorstaat. Mijn leermeester Maarten van Rossem kaartte dat onlangs nog eens aan op de televisie, naar aanleiding van de vergaande onwetendheid bij toch als intelligent veronderstelde deelnemers aan De slimste mens, aangaande allerhande simpele, historische feiten en gebeurtenissen. Ik weet er alles van. In de drieëndertig jaar dat ik in het middelbaar onderwijs geschiedenis gaf, was ik getuige van de voortdurende afbraak van mijn vak, alle inspanningen van de VGN (de vereniging van geschiedenisleraren) om het tij te keren ten spijt. Gevolg is dat we nu met verschillende generaties zitten die uitblinken in historisch onbenul en zich totaal niet bewust zijn van het belang van het verleden om het heden te duiden en een koers uit te zetten richting de toekomst.

De al decennia voortgaande, geleidelijke verloedering van het geschiedenisonderwijs baart Maarten van Rossem, maar zeker ook mij, grote zorgen. Toch zie ik heel af en toe een lichtpuntje aan de duistere horizon. Er blijkt in de samenleving wel degelijk een zekere mate van belangstelling voor de geschiedenis te bestaan, vooral voor populair wetenschappelijke publicaties, zeker als die het verhaal van de eigen stad, het eigen dorp of de eigen regio vertellen. Gelukkig gaan ook vakhistorici zich steeds meer met deze vorm van geschiedschrijving bezighouden, die daardoor aan kwaliteit wint, zodat sommige 'publieksboeken' zich qua niveau in feite niet of nauwelijks van wetenschappelijke publicaties onderscheiden. Een van die boeken is Hoogtij van Holland, van de mediëvist Henk 't Jong.

In zijn boek behandelt 't Jong in klare taal en aangenaam duidelijk gestructureerd de geschiedenis van het graafschap Holland in de 14e eeuw, om precies te zijn van 1299 tot 1404. In 1299 overleed graaf Jan I, waarmee een einde kwam aan het zogenaamde Hollandse Huis en vanuit Henegouwen leden van het Huis Avesnes de grafelijke waardigheid gingen bekleden. Halverwege de eeuw kwam het Beierse Huis Wittelsbach in beeld via het huwelijk van gravin Margaretha van Holland met keizer Lodewijk van Beieren. Wat voor gevolgen de opvolging door een vrouw had, wordt door Henk 't Jong duidelijk uiteen gezet, ondanks dat het ontstaan en voortduren van de zogenaamde Hoekse en Kabeljauwse Twisten een uitermate gecompliceerde geschiedenis vormt. Eindelijk hebben we hier een auteur die het goed uitlegt.

De talloze gebeurtenissen en ontwikkelingen maken wel dat de lezer in het boek een veelheid aan namen en jaartallen tegenkomt. Dat kan nu eenmaal niet anders, waarschuwt 't Jong in zijn voorwoord. Heel handig is de lijst met middeleeuwse termen aan het einde van het boek. Een calendarium met de belangrijkste feiten zou ook handig zijn geweest, maar is voor een 'publieksboek' misschien net iets te veel gevraagd en 't Jong behandelt de graven systematisch, netjes achter elkaar, zodat ook zonder dat het verhaal goed te volgen is. Er komt veel geweld voor in de 14e eeuw, maar toch zie je het graafschap Holland zich ontwikkelen tot een economisch steeds welvarender gewest. In deze periode werd in feite de basis gelegd voor de latere, economisch en politiek dominante positie die Holland in de geschiedenis van de Nederlanden zou innemen. Met lichte trots constateer ik als Dordtenaar de belangrijke rol die mijn geboortestad en woonplaats in die ontwikkelingen heeft gespeeld. Henk 't Jong heeft daarover eerder een uitstekend boek gepubliceerd.

Wie geen rol van betekenis speelt in Hoogtij van Holland is de laatste gravin uit het Huis Wittelsbach, Jacoba van Beieren. In zijn voorwoord verklaart Henk 't Jong dat dat is omdat aan de geschiedenis van deze gravin, die haar graafschap uiteindelijk moest overdragen aan Philips de Goede (van Bourgondië) al ruim voldoende aandacht is besteed. Het boek is deskundig geïllustreerd, waarbij geen prenten of schilderingen uit een latere tijd zijn gebruikt, die soms een geheel verkeerd beeld geven. De illustraties zijn eigentijds, dus uit de periode zelf, of van de hand van Henk 't Jong, die naast historicus ook heraldicus is (vanuit zijn atelier De Raaf) en ons zelfs de wapenschilden uit verschillende perioden binnen de 14e eeuw toont. Ook dat is een verrijking van het verhaal, dat iedere liefhebber van geschiedenis zich niet zou moeten laten ontgaan.


Henk 't Jong, Hoogtij van Holland. Uitgeverij Omniboek 2022. ISBN 978 9401918534

woensdag 7 juli 2021

Een oorlog die nooit overgaat




Joyce de Bos, auteur van Ik vertrouw je tot vandaag, is in hetzelfde jaar geboren als mijn jongere zus. We behoren, als late babyboomers, tot dezelfde generatie en dus groeiden we op in een tijd waarin de Tweede Wereldoorlog vanzelfsprekend een grote rol op de achtergrond speelde. Voor mij, geboren in 1951, was de oorlog aanvankelijk iets uit de oudheid, maar naarmate ik ouder en bewuster werd, kwam hij almaar dichterbij en niet alleen omdat ik geschiedenis ging studeren.

Voor mijn ouders betekende de oorlog een waterscheiding. Ze hadden het er weliswaar regelmatig over, maar ze dachten over hun leven vooral in termen als 'voor de oorlog' en 'na de oorlog'. Anders dan Joyce de Bos zie ik mezelf niet als een tweede generatie oorlogsslachtoffer. Ja, er is in de familie het mysterie van de oudste broer van mijn grootvader, die in 1942 ergens in Saksen-Anhalt is doodgeschoten, maar waarvan niemand het hoe en waarom weet. 'Oorlogsslachtoffer' staat bij zijn naam op het ereveld van Loenen, waar hij ligt begraven en daar moeten we het voorlopig mee doen.

Ja, mijn vader werd als jongen bij een razzia opgepakt en tewerkgesteld in Duitsland, maar daar bleek hij vanwege zijn gezondheid al snel meer een last dan een gemak. De Duitsers stuurden hem naar huis. Hij meende dat zijn uitstekende Duits daar misschien een rol in heeft gespeeld. Over de wijze waarop hij werd behandeld zweeg hij verder. Een keer heb ik hem ontdaan gezien, toen hij in een Duitse douanier een man dacht te herkennen die hem had mishandeld. Verder gingen zijn oorlogsverhalen vooral over het bombardement op Rotterdam en de hongerwinter.

Ja, er waren de verhalen van mijn moeder over een omgekomen Joodse huisvriend, over het onderduiken van mijn oom in het verre Arnhem, vanwege een NSB'er in de straat, en over de verloofde van mijn tante, die pal na de bevrijding bezweek aan tuberculose, maar al met al kwam de familie er redelijk vanaf.

Bij Joyce de Bos ligt dat heel anders. In haar autobiografische roman verhaalt ze over haar zoektocht naar de oorlogservaringen van haar vader, voor zover hij daar zelf niet over vertelde. Die ervaringen zijn heftig, heel heftig. Het lijkt een wonder dat hij als jongen de oorlog heeft overleefd. De vernederingen en mishandelingen die hij onderging drukten niet alleen een levenslang stempel op hem, maar ook op zijn gezin. Uiteindelijk loopt zijn huwelijk erop stuk.

De roman illustreert het feit dat de Tweede Wereldoorlog het leven van de tweede generatie slachtoffers diepgaand kan beïnvloeden, om van de eerste niet te spreken. De relatie van Joyce met haar vader kent zowel tedere als dreigende, warme en schokkende momenten en wordt bij het ouder worden steeds sterker door vaders oorlogsverleden bepaald. Uiteindelijk worden de herinneringen zo bitter en pijnlijk, dat zijn leven ondragelijk wordt en hij kiest voor euthanasie.

Het verhaal is enerzijds fascinerend, anderzijds schokkend om te lezen. Misschien had de schrijfster er goed aan gedaan om zich hier en daar, met name in de slotscènes van het boek, wat minder te verliezen in details. Suggestie in plaats van expliciet benoemen kan een vertelling soms ten goede komen. Dat doet echter niets af aan het feit dat het boek je net als in een goede film meesleurt, waarna je aan het einde, als het doek valt, een tijdje moet bijkomen van alle emoties. Ik besefte na de laatste bladzijde dat niet iedere babyboomer de oorlog even goed doorkomt.


Joyce de Bos - Ik vertrouw je tot vandaag. Avenir Publishing 2021.


dinsdag 22 juni 2021

Over een moord en een slimme publiekstrekker




Op de lagere school moesten wij het, wat de geschiedenislessen betreft, doen met de verhalen van de meester en twee flinterdunne boekjes van G. Prop, getiteld Vaderlandse geschiedenis in woord en beeld. In deel 1 behandelde Prop de geschiedenis vanaf de Hunebedbouwers tot en met de dood van Willem de Zwijger. Ook de Hollandse graaf Floris V kwam aan bod. Over hem meldt Prop op pagina 31 van mijn 16e druk (1958):


1. Willem II, graaf van Holland, was door de Duitse vorsten tot Rooms-Koning gekozen; als hij te Aken zou gekroond zijn, was hij keizer geworden; maar in 1256 sneuvelde hij tegen de West-Friezen.

2. Zijn zoon Floris V was de vriend der dorpers en poorters, welke hij beschermde tegen de edelen, die alle mindere volk minachtten: ze noemden Floris spottend: "der kerelen God".

3. Daarom haatten de edelen hem: vooral, toen hij van sommigen het land afnam en 't hun slechts in leen teruggaf. (De graaf heette dan leenheer, de edele leenman).

4. Na een feest te Utrecht namen een aantal ontevreden edelen, o.a. Gerard van VelzenGijsbrecht van Amstel en Herman van Woerden, de graaf gevangen.

5. Ze wilden hem naar Engeland laten brengen, maar toen het landvolk in grote groepen kwam aanlopen, vermoordden de edelen Floris V (1296).




Prop toon zich een meester in de beperking. We vergeven hem graag het foutje 'namen een aantal'. Sprekend verslik ik me ook weleens in dat vaak als meervoud aangeziene enkelvoud, maar ondertussen zat ik als in geschiedenis geïnteresseerde schooljongen wel vast aan dat beeld van die kerelen God, die door ontevreden edelen in het aanzicht van het aanlopende landvolk aan zijn einde kwam. 

Toen ik wat jaren later naar de Pedagogische Akademie ging, om zelf bekwaam te worden in het lesgeven in, onder veel meer, de vaderlandse geschiedenis, gaf Dr. A. van Hulzen in deel 1 van zijn Vaderlandse Geschiedenis (Groningen 1970) een completer beeld van Floris V, uitgaande van wat men toen dacht te weten: Floris was er vooral op uit om de grenzen van zijn graafschap te verleggen. 

Dat laatste nu, blijkt mediëvist Henk 't Jong, in zijn onlangs verschenen boek De tombe van Floris V, niet te onderschrijven. Hij komt tot de conclusie 'Dat hij [Floris V - KK] een behoorlijke invloed heeft gehad op de groei van zijn graafschap, zonder dat er een uitgewerkt plan klaarlag om land te veroveren, zoals in de schoolboekjes en de Canon wordt gesuggereerd' (p. 198)En dat al niet eens meer in de jongste versie van de Canon van de Nederlandse geschiedenis, waaruit Floris V is geschrapt.

In de ogen van 't Jong was Floris V iemand die een rol speelde 'als typisch middeleeuwse vorst met wie dingen gebeurden in plaats dat hij ze veroorzaakte'. In zijn boek stelt Henk 't Jong, op grond van uitgebreid bronnenonderzoek, het niet geheel juiste beeld bij dat wij hadden van deze belangrijke zoon van rooms-koning Willem II. Hij doet dat, zoals we van hem gewend zijn uit zijn eerdere boeken (over het graafschap Holland en over Dordrecht, in de middeleeuwen lange tijd de belangrijkste stad van dat graafschap), in eenvoudige, duidelijke taal, waarin overbodig jargon wordt vermeden, zodat het verhaal ook voor de belangstellende leek begrijpelijk is. Het boek is ruim geïllustreerd, waarbij 't Jong, ook heraldicus, zelf een aanzienlijk deel voor zijn rekening neemt.

De tombe van Floris V gaat niet alleen over het leven en de betekenis van Floris, maar, de titel zegt het al, ook over zijn tombe. Die staat namelijk in de Sint-Laurenskerk in Alkmaar, maar er is iets vreemds mee aan de hand. Volgens de bronnen is de graaf niet in Alkmaar begraven, maar in Rijnsburg. Hij zou wel direct na zijn gewelddadige dood naar Alkmaar zijn gebracht en daar opgebaard hebben gelegen. Bij die gelegenheid zou hij zijn gebalsemd. Een inscriptie van zo'n twee eeuwen later vermeldt dat in de Alkmaarse kerk de ingewanden van de graaf begraven zijn. Inscriptie en tombe dateren van kort nadat de kerk in 1468 door een omvallende toren zo werd beschadigd dat hij opnieuw moest worden opgebouwd. Dat er sprake was van het begraven van ingewanden op de ene en het lichaam op een andere plaats, acht 't Jong niet aannemelijk. Wel dat hier waarschijnlijk sprake is van wat we heden ten dage een slimme truc zouden noemen om publiek te trekken. De wederopbouw van de kerk was immers een dure zaak.

In De tombe van Floris V leren we niet alleen een andere Floris kennen dan die uit de schoolboekjes, maar we komen ook het nodige te weten over zijn intelligente manier van besturen en zijn rol in de internationale diplomatie. Het op het oog nietige Holland en zijn op tragische wijze omgekomen graaf speelden daarin een niet onbelangrijke rol. Het verhaal van de tombe is daarbij intrigerend en hier ontpopt 't Jong zich als een zorgvuldig speurende detective. Zijn kritiek op sommige van zijn voorgangers, en vooral op de schoolboekenschrijvers, snijdt hout. Dat is allemaal op prettige wijze te lezen in een boek dat mij van begin tot einde heeft geboeid.

Henk 't Jong - De tombe van Floris V. Het tragische einde van de graaf van Holland. Omniboek, Utrecht 2021.

woensdag 24 juni 2020

Een boek dat meer verdient



Soms verdient een historische studie meer dan een moeilijk voor het geïnteresseerde publiek te vinden uitgave in semi eigen beheer en dat geldt zeker voor het boek Dordrecht, Stockholm, Londen, waarin historicus Dick Snijders de oorlogsjaren van zijn vader Willem en oom Cornelis (Kees) reconstrueert. Beide uit Dordrecht afkomstige broers waren zeelieden die in 1941 met succes in Zweden (Willem) en Finland (Cornelis) wisten te 'tippelen', dat wil zeggen te deserteren (drossen) van het door de Duitsers gevorderde schip waarop zij voeren. Beiden wisten via Stockholm Londen te bereiken, waar Cornelis in dienst kwam van de Koninklijke Marine en Willem van de koopvaardij.

Zoon, respectievelijk neef, Dick volgt gedetailleerd het wel en wee van beiden, die ondanks de grote verliezen op zee, met name op de trans-Atlantische route, de oorlog overleven, maar het boek is veel meer dan een reconstructie van de oorlogsjaren van Willem en Cornelis. Snijders past deze in in een beknopt, maar bijzonder goed gedocumenteerd verhaal over de strijd op zee en hij geeft heldere, historische achtergronden waar dat nodig is, bijvoorbeeld over de moeilijke positie van Zweden als neutrale mogendheid, in feite bijna geheel omringd door gebied dat door de Duitsers was bezet en de consequenties daarvan voor Engelandvaarders die via de 'noordelijke route' (de 'zuidelijke' liep via Frankrijk en Spanje) het Verenigd Koninkrijk trachtten te bereiken.
Dick Snijders baseert zich niet alleen op getuigenissen van betrokkenen of nabestaanden, maar ook op degelijk bronnenonderzoek in onder meer het Rijksarchief in Stockholm, het Nationaal Archief in Den Haag, het Koninklijk Huisarchief in Den Haag en een aantal regionale archieven, zoals dat te Rotterdam. Hij behandelt onder meer de werkwijze van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Stockholm, de rekrutering van Engelandvaarders in Londen voor de marine of koopvaardij, de manier waarop het (lucht)transport vanuit Zweden naar Engeland werd geregeld en de opvang van Nederlandse vluchtelingen in Zweden. 
Hij geeft informatie over de samenstelling en de diverse routes van de konvooien op de Atlantische Oceaan en die naar het strijdtoneel in Azië, alsmede de wijze waarop in verschillende fases van de oorlog de escortering van de konvooien werd georganiseerd. Dat leidt al met al tot een buitengewoon interessante beschrijving van de strijd op zee, vooral op de Atlantische route, waaruit aanvankelijk de Kriegsmarine zegevierend tevoorschijn leek te komen. Aan het eind van het boek geeft hij een aantal nuttige bijlagen, zoals een gedetailleerd overzicht qua tonnage en mensenlevens van de Nederlandse verliezen op de Atlantische Oceaan.

Samenvattend kan gezegd worden dat de studie naar de lotgevallen van de Engelandvaarders Cornelis en Willem Snijders heeft geleid tot een interessante, goed gedocumenteerde en uitvoerig geïllustreerde bijdrage aan de geschiedenis van de Nederlandse koopvaardij en marine tijdens de Tweede Wereldoorlog. Familie- en maritieme geschiedenis in één, geschreven in een boeiende stijl, want de auteur, die jarenlang docent geschiedenis was, blijkt ook nog een rasverteller. Dit boek verdient het om gelezen te worden, niet alleen door belangstellenden, maar vooral ook door vakhistorici.


Dick Snijders - Dordrecht, Stockholm, LondenDe lotgevallen van wee Engelandvaarders Cornelis en Willem Snijders. ISBN 978 90 827842 2 0. 140 p. Euro 17.95 (Zie: Dick Snijders)

dinsdag 20 november 2018

Licht op donkere jaren



Werk, bid en bewonder heet de tentoonstelling in het Dordrechts Museum naar aanleiding van de herdenking van vierhonderd jaar Synode van Dordrecht. Op de expositie wordt een aantal mythen over het calvinisme doorgeprikt. Zo valt het wel mee met de fameuze soberheid van de calvinisten, die zichzelf liever gereformeerden noemden. Calvinist blijkt in de zeventiende eeuw eerder een scheldwoord. Ook waren ze niet allemaal tegen naakt gekeerd. Als voorbeeld mag een schilderij van Ferdinand Bol gelden, die het echtpaar Wichbold Slicher en Elisabeth Spiegel afbeeldt als Paris en Venus, met Cupido aan de bevallige, blote boezem van Elisabeth. 

IJdelheid en pronken met verworven rijkdom door het verzamelen van kunst en het bewonen van grote huizen, was hen evenmin vreemd. Dat stemt een beetje vrolijker dan het sombere beeld dat wij van calvinisten hebben ('de zwartekousenkerk') en dat volgens conservator van het museum, Marianne Eekhout, moet worden toegeschreven aan Abraham Kuyper. Abraham de Geweldige, zoals hij werd genoemd, oprichter van de ARP, stichter van de Vrije Universiteit te Amsterdam en theoloog in een tijd dat calvinist geen scheldwoord meer was. In de negentiende eeuw werd wel vaker aan mythevorming gedaan. Denk maar aan de heldenverhalen in de geschiedenisboekjes, ontstaan onder invloed van het opkomende nationalisme. Dat alles neemt niet weg dat op de Dordtse Synode scherpslijpers het oordeel voltrokken over de remonstranten in de beklaagdenbank en het toch vooral een manifestatie van verdeeldheid was.

Het lijkt dat het in Dordrecht dit jaar zindert van geschiedenis. De discussie over het al dan niet plaatsen van een beeld van Willem de Zwijger heeft nogal wat stof doen opwaaien. Tot in de landelijke pers toe. Ik begin er niet meer over, de gemeenteraad heeft besloten om het cadeautje te aanvaarden, maar men moet voor de plaatsing nog wel forse kosten maken. Dat men daartoe bereid is, terwijl een fooi van vijfduizend euro voor het benoemen van een stadsdichter te veel is gevraagd, verbaast mij, zoals het me ook verbaast dat niemand van het gemeentebestuur mij tot nu toe heeft kunnen uitleggen waarom Dordrecht geen stadsdichter benoemt. Men vaart hier ter stede nogal blind op ambtelijke adviezen, vrees ik. Tijdens het stadsdichterschap van Marieke van Leeuwen was de ambtelijke belangstelling gering, om niet te zeggen volledig afwezig, maar dat is natuurlijk een te mager gegeven om een conclusie uit te trekken.

Een belangrijke gebeurtenis was de presentatie, te Dordrecht, van het boek De dageraad van Holland. Geschiedenis van het graafschap 1100-1300, geschreven door Henk 't Jong. Henk 't Jong is, onder veel meer, mediëvist en staat ter stede bekend als een kritisch historicus, als zo'n beetje het geweten van de Dordtse geschiedenis. Dat de presentatie in Dordrecht plaatsvond heeft wellicht, ik heb het hem niet gevraagd, te maken met het feit dat de auteur in de Merwestad woont, maar Dordrecht speelt in de opkomst van het graafschap ook onmiskenbaar een belangrijke rol, al gaat het boek over veel meer. 

't Jong heeft het zich niet gemakkelijk gemaakt. Ik herinner mij dat wij op de lagere school, waar toen meer aan geschiedenis werd gedaan dan nu, de graven van Holland uit het hoofd moesten leren, met de jaartallen erbij: Hollandse Huis, Henegouwse Huis, Beierse Huis. Wat die graven hadden betekend en hoe hun positie in groter verband, met name in het Duitse rijk, was, dat kwam nauwelijks aan de orde. De eerste eeuwen van het graafschap waren toch vooral een soort van donkere jaren, waarover allerlei mythes de ronde deden, maar waarover we op school in ieder geval niet al te nauwkeurig werden ingelicht. 't Jong maakt deze donkere jaren zichtbaar en hij doet dat op grond van een degelijk en vooral kritisch bronnenonderzoek, wat ertoe leidt dat een aantal mythen sneuvelt. Hij toont ook het belang aan van de opkomst van Holland voor de latere geschiedenis van Nederland. In deze eeuwen verwerft Holland een voorsprong die het gewest eigenlijk tot op heden heeft behouden.

De dageraad van Holland zal voor vele jaren, vermoed ik, het standaardwerk worden voor de ontstaansgeschiedenis van Holland. Er kleeft eigenlijk maar een nadeel aan het boek. Tussen de hoofdtekst, waarin de auteur in chronologische volgorde de graven tussen 1100-1300 behandelt, is een groot aantal teksten gevoegd, waarin, als een soort noten, nadere uitleg wordt gegeven over de geschiedenis van dorpen en steden, abdijen enzovoorts, alsmede het leven van een aantal historische figuren. Dat is buitengewoon interessant en noodzakelijk voor een goed begrip van de periode, maar het bevordert de leesbaarheid niet, omdat je steeds wordt afgeleid. Het zou overzichtelijker zijn geweest om die stukken in een aparte afdeling achterin het boek te plaatsen. Een andere kleinigheid: de titel verhult een beetje de rol die Zeeland in het verhaalt speelt, maar ach... Je moet als historicus wel kritisch zijn, maar op ieder slakje zout leggen is bij zo'n belangrijk werk als dit misschien een tikje overdreven.

Henk 't Jong - De dageraad van Holland. De geschiedenis van het graafschap 1100-1300. Uitgeverij Omniboek. Utrecht 2018.


zondag 4 november 2018

Hoezo ode?




Op 13 november 1618 begon in Dordrecht de Nationale Synode van de Nederduits Gereformeerde Kerk. Een gebeurtenis die in Dordt op allerlei manieren wordt herdacht, onder de ietwat kolderieke kreet 'Ode aan de Synode'. Een ode is een lofdicht en het is nog maar de vraag of de Synode een lofdicht verdient. De kreet bekt ongetwijfeld lekker, maar is een beetje misplaatst. 

De Synode ging over een theologisch geschil binnen de kerk tussen de Gomaristen (ofwel Contra-Remonstranten) en Arminianen (ofwel de Remonstranten). De kern van het conflict was de interpretatie van het begrip predestinatie, iets waarvan weinig mensen heden ten dage wakker zullen liggen, maar dat in het door godsdiensttwisten verscheurde begin van de zeventiende eeuw de gemoederen hoog deed oplopen. Vooral omdat het godsdienstige geschil verbonden was met een politiek conflict. Dat tussen de opvattingen van landsadvocaat en pensionaris van Holland, Johan van Oldenbarnevelt, die een positie bekleedde die min of meer vergelijkbaar is met een minister-president nu, en die van graaf Maurits van Nassau, sinds de dood van zijn halfbroer Filips Willem (in februari 1618) ook prins van Oranje. Maurits was stadhouder van Holland, Zeeland, Gelderland, Utrecht en Overijssel en kapitein-generaal van het Staatse leger. Twee machtige mannen waarvan de visies op de buitenlandse politiek van de Republiek dermate heftig botsten dat het Van Oldenbarnevelt uiteindelijk letterlijk de kop kostte. De landsadvocaat steunde de Remonstranten, Maurits koos de kant van de Contra-Remonstranten. U kunt in menig geschiedenisboek nalezen hoe het precies zat, bijvoorbeeld in A. Th. van Deursen - Maurits van Nassau. De winnaar die faalde (Amsterdam 2000) of in Geschiedenis van de Nederlanden van J.H.C. Blom (vader van Wolkersbiograaf Onno Blom, maar dit terzijde) en E. Lamberts (Rijswijk 1993). Leuke kost voor donkere winteravonden.

De Synode die, als we de Remonstrantse predikant Bernardus Dwinglo mogen geloven, waarover Kees Sigmond schrijft in jaargang 2018 nummer twee van het tijdschrift van de vereniging oud-Dordrecht [Randverschijnselen bij de Dordtse Synode (1618-1619)], dan was de Synode één grote scheld- en pestpartij van de calvinistische Contra-Remonstranten jegens de Remonstranten, ofwel een voortdurende tirade van de scherpslijpers en fanatiekelingen tegen de meer verdraagzamen. Dwinglo, zo stelt Sigmond, zal enigszins hebben overdreven, maar uiteindelijk werden de Remonstranten de kerk uitgebonjourd en kon je als predikant na de Synode maar beter de op deze vergadering opgestelde Dordtse Leerregels ondertekenen, anders dreigde vervolging en verbanning, wat nooit een pretje is, maar zeker in die tijd niet. De vervolgingen duurden maar kort en uiteindelijk werden de Remonstranten wel weer getolereerd, al konden zij tot het einde van de Republiek geen bestuursfuncties vervullen, een lot dat zij deelden met de katholieken en anderen die niet tot de staatskerk behoorden, maar de Synode is in dit opzicht vooral een manifestatie van verdeeldheid. Hoezo ode?

Wel van positieve betekenis is het synodale besluit om de bijbel in het Nederlands te vertalen. Die vertaling was in 1637 gereed en werd bekrachtigd (en betaald) door de Staten-Generaal, zodat we sindsdien spreken over de Statenbijbel. De Statenbijbel is van groot belang voor het scheppen van meer eenheid in de Nederlandse taal en de ontwikkeling naar het huidige Algemeen Beschaafd Nederlands. Hadden we in de jaren tussen 1637 en nu maar niet zoveel spellingwijzigingen gehad, dan zou je het oorspronkelijke boek ook nu nog min of meer moeiteloos kunnen lezen. 

Het is van belang om invloedrijke historische gebeurtenissen te herdenken of te overdenken. Hopelijk gaan we daardoor ook meer de noodzaak beseffen van goed onderwijs in de geschiedenis. Sinds halverwege de vorige eeuw heeft de overheid een kwalijke rol gespeeld in de geleidelijke afbraak van het geschiedenisonderwijs. Zo'n beetje de helft van de middelbare schooljeugd heeft het vak niet eens meer als eindexamenvak. Daar krijg je mensen van die met een kreet als 'Ode aan de Synode' op de proppen komen.

Afbeelding: Beeldbank Regionaal Archief, Dordrecht.