zaterdag 27 juni 2026

Uit geweld geboren...




Peter Malcontents boek Splijtzwam in de polder gaat in de eerste plaats, de titel zegt het al, over hoe het Israëlisch-Palestijns conflict in Nederland uitgroeide tot een politieke splijtzwam, die tot op de dag van vandaag leidt tot scherpe tegenstellingen in de samenleving. Om te begrijpen hoe het zover is gekomen, dient men goed op de hoogte te zijn van de geschiedenis van het conflict, die teruggaat tot de opkomst van het zionisme in de negentiende eeuw. Daarom besteedt Malcontent daar in het eerste hoofdstuk ruim aandacht aan.

De Balfourverklaring tijdens de Eerste Wereldoorlog, de opdeling daarna van de Arabische delen van het Osmaanse Rijk in mandaatgebieden, waarbij de Britten het voor het zeggen kregen in Palestina, de Joodse immigratie naar Palestina na de Eerste en vooral Tweede Wereldoorlog en de schuldgevoelens in Europa vanwege de Holocaust spelen daarin allemaal een rol. De Zionistische terreur na de Tweede Wereldoorlog, men denke onder meer aan de aanslag op het King David hotel in Jerusalem, leidde uiteindelijk tot de oprichting van de staat Israël en het verdrijven van meer dan zevenhonderdduizend Palestijnen van huis en haard.

Nederland hield zich aanvankelijk zoveel mogelijk afzijdig. Daarbij speelden zowel de angst Nederlands-Indië, met zijn grote moslimbevolking, te verliezen als schuldgevoelens over de Holocaust een rol. Dat veranderde na de Zesdaagse Oorlog in 1967. Er volgden vele jaren van vrijwel kritiekloze steun aan Israël die gepaard ging met een opvallende onverschilligheid ten aanzien van de rechten van de Palestijnen. Die steun was in de Nederlandse samenleving weinig omstreden.

Gedetailleerd verhaalt Malcontent hoe langzaam, heel langzaam de steun voor Israël afbrokkelde, zonder dat de sympathie voor de Palestijnen aanvankelijk significant toenam. Soms moest Nederland als gezworen Israël-vriend toch iets buigen in Palestijnse richting onder druk van de toenemende samenwerking in de EU op buitenlands politiek terrein. Vaak ging dat niet van harte. Meestal was economische steun aan de Palestijnen (in het bijzonder aan de Palestijnse Autoriteit onder leiding van onbekwame en corrupte figuren als Yasser Arafat en Mahmoed Abbas), met name na de Oslo-akkoorden, waar uiteindelijk na eindeloos traineren door Israël weinig van terechtkwam, minder problematisch dan politieke. Nog steeds heeft Nederland Palestina niet als onafhankelijke staat erkend.

Ook aan de orde komt hoe in Nederland de sympathie voor Israël meer en meer afbrokkelde, tot het huidige dieptepunt. Zelfs de 'Atlantische connectie' (waardoor Nederland steeds weer de neiging heeft de VS, die wordt gezien als de enige die het conflict zou kunnen oplossen, niet voor de voeten te lopen), staat door het aantreden van Trump onder druk. Het buitenproportionele geweld waarmee Israël steevast reageert op aanslagen en geweld vanuit het Palestijnse verzet tegen de bezetting van de Westoever en de onderdrukking van de bevolking van Gaza speelt een belangrijke rol in de groeiende Nederlandse afkeer. Malcontent noemt het niet met zoveel woorden, maar al lezend vraag je je af wie eigenlijk de ware terroristische beweging is. Als je kijkt naar de voortdurende mensenrechtenschendingen, het geweld jegens Palestijnse burgers, de genocide in Gaza, het kolonistengeweld op de Westoever en de voortdurende bouw van illegale nederzettingen daar, ontkom je niet aan de conclusie dat dat de staat Israël zelf is.

Tenslotte stelt Malcontent de rol van de Holocaust aan de orde, die na de oorlog is gaan fungeren als een nieuw soort moreel kompas in onze maatschappij. De politieke en maatschappelijke verdeeldheid over het Israëlisch-Palestijns conflict verscherpt zich onder meer door de rol die extreem rechts (PVV, FvD) speelt. Daar heerst blinde steun voor Israël, hoe ernstig het land zich ook keer op keer misdraagt, evenals bij orthodox-christelijk Nederland. Dat van de aanvankelijke steun voor Israël op links, zoals bij de PvdA, niets meer over is verklaart Malcontent uit de verkiezingsnederlagen van de Israëlische Arbeiderspartij en de extreme verrechtsing van de Israëlische politiek, waar huidig premier Netanyahu uit politiek lijfsbehoud volledig afhankelijk is geworden van ultrarechtse partijen. Vooral extreem rechts, maar evenzeer de VVD, hebben de neiging het conflict ook te misbruiken voor electorale redenen.

In het nawoord noemt hij het zich almaar voortslepende conflict, dat steeds weer het Nabije Oosten destabiliseert, een evergreen. Ik vrees dat het dat nog lang zal blijven. Dat de EU de rol van de VS zou kunnen overnemen om Israël uiteindelijk te dwingen tot een oplossing van dit giftige conflict, lijkt me voorlopig een vorm van wensdenken.


Peter Malcontent, Splijtzwam in de polder. Nederland, Israël en Palestina. Amsterdam 2025. ISBN 9789024473892.


maandag 22 juni 2026

Stad van beeldende kunstenaars




Het boek De stad als atelier van Jan Willem Boezeman onderstreept op boeiende wijze mijn stelling dat Dordrecht vooral een stad van beeldende kunstenaars is. Over het waarom dat zo is, is al veel geschreven. Het heeft bijvoorbeeld te maken met Dordt als waterstad, met het bijzondere licht dat dat met zich meebrengt. Na de Tweede Wereldoorlog kwam een flink aantal kunstenaars uit Rotterdam naar Dordrecht, omdat daar meer atelierruimte beschikbaar was, zo lees ik in het boek. Onder hen mijn onvergetelijke leraar tekenen Lou ten Bosch.


Het moet een geweldige klus zijn geweest om alle woonadressen en de levensloop van 238 beeldende kunstenaars die vanaf de 16e eeuw in de stad woonden en werkten uit te zoeken, maar Boezeman en zijn vrijwilligers van het Augustijnenhof zijn niet voor een kleintje vervaard. Het boek beperkt zich tot overleden kunstenaars en dat geeft al een indrukwekkend resultaat. Gezien de vele beeldende kunstenaars die nog steeds in de stad actief zijn, mogen we in de toekomst met enige regelmaat een aanvullende druk verwachten, tenzij die het eeuwige leven hebben. Je weet maar nooit met al die nieuwlichterij zoals AI.


Op het voorplat van het prachtig verzorgde boek staat het huis Samson, getekend door Johannes van Lexmond. Dat was ooit het woonhuis van Jacob Gerritsz. Cuyp en zijn zoon Aelbert. De laatste heeft ook een tijd gewoond, zo leert mij het boek, op de plek waar nu de Boterbeurs staat, het gebouw waar in 1842 het Dordrechts Museum het licht zag. Later trok de Openbare Bibliotheek er in, waar toen de legendarische Nel Snouck Hurgronje als directrice de scepter zwaaide. Kees Buddingh', die zelf ook in het boek voorkomt vanwege zijn bekende 'kastjes', schrijft daarover in zijn dagboeken en ik herinner me nog uit mijn vroege jeugd dat ik er met mijn vader boeken ging lenen, maar dit alles terzijde.


Naast bekende schilders als de familie Cuyp, Samuel van Hoogstraten, Cornelis Bisschop, Ferdinand Bol, Arie Scheffer, Reinier Kennedy, Cor Noltee en vele anderen kwam ik ook kunstenaars tegen van wie ik nog nooit had gehoord, ondanks dat ik als bijvak aan de universiteit kunstgeschiedenis deed, en dat maakt het boek dubbel interessant. Het drukt je ook met je neus op het feit dat je kunt lezen en studeren zoveel je wil, maar dat je kennis altijd beperkt zal blijven.


De inhoudsopgave toont de kunstenaars in chronologische volgorde, dat is soms even zoeken, maar dat wordt weer vergemakkelijkt door een stratenindex achterin. Het boek, dat alles behalve een droge opsomming is, is een geweldige bron voor iedereen die belangstelling heeft voor Dordrecht, voor beeldende kunst en voor geschiedenis. De oplage is beperkt, dus wacht niet te lang om langs te gaan bij het Dordtse Augustijnenhof of je plaatselijke boekhandel.


Jan Willem Boezeman, De stad als atelier. Stichting Illustre Dordracum 2026. ISBN 9789403889290.

zondag 17 mei 2026

De 'tijdgeest' van de achttiende eeuw. Enkele overdenkingen.


    Jacob van Strij - Zomergezicht buiten Dordrecht. Dordrechts Museum.


Onderstaand artikel verscheen in het literaire tijdschrift Ballustrada, jaargang 38, nummer 3/4 in het najaar van 2024. Daarom ontbreekt het hier eerder besproken boek Verlicht en vilein van Marleen de Vries in de literatuuropgave.


Wanneer we spreken over de tijdgeest van de achttiende eeuw, doen we die eeuw tekort. Tussen pakweg 1700 en 1800 zijn verschillende 'tijdgeesten' te ontwaren, perioden waarin bepaalde opvattingen toonaangevend waren. Als we ons tenminste willen houden aan de definitie die Van Dale geeft van het begrip tijdgeest.

De achttiende eeuw stond in de geschiedenisboeken uit mijn lagere schooltijd bekend als een eeuw van saaiheid en gezapigheid. De eeuw die de zoetelijke, moralistische verzen van Hieronymus van Alphen voortbracht. Een eeuw van economische achteruitgang in de Republiek die tenslotte eindigde in de misere van de Franse tijd. Deze Jan Salie-geest zou kenmerkend zijn voor de achttiende eeuw, althans in Nederland. Of dat ook werkelijk zo was, valt te bezien.

Inderdaad, economisch werd de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden na pakweg 1700 overvleugeld door zijn grote Europese concurrenten, Engeland en Frankrijk en dan vooral door de eerste. Dat hield niet in dat de Republiek in snel tempo verarmde, dat gebeurde pas aan het einde van de eeuw, met name door de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784) en de Franse tijd (1795-1813). De Bataafse Republiek (1795-1806) was een zwakke vazalstaat van Frankrijk die door zijn grote broer werd meegesleept in de oorlogen van het revolutionaire bewind in Parijs en vervolgens in die van Napoleon. Het Continentaal Stelsel (1806-1814) was zo rampzalig voor de Nederlandse economie dat zelfs Napoleons broer, koning Lodewijk Napoleon, die van 1806 tot 1810 over het Koninkrijk Holland regeerde, probeerde er de hand mee te lichten, wat hem mede zijn troon kostte.

Tijdens de regering van Lodewijk Napoleon werd wel de bases gelegd voor het latere Rijksmuseum, de Koninklijke Bibliotheek en het Koninklijk Instituut van Wetenschappen. Waar ik als Dordtenaar minder gecharmeerd van ben is des konings besluit om de munt, sinds het laatste kwart van de veertiende eeuw gevestigd in mijn stad, te verplaatsen naar Utrecht. Ook werd onder zijn bewind een begin gemaakt met het scheppen van eenheid in de rechtspraak, een belangrijke, bindende factor in de maatschappij. Dat is formeel al niet meer in de achttiende eeuw, maar ontwikkelingen reiken nu eenmaal vaak over een eeuwwisseling heen.

Liever dan van een tijdgeest te spreken, heb ik het over een aantal opvallende kenmerken van de achttiende eeuw, een periode waarin veel werd gezaaid dat in later eeuwen werd geoogst. Enkele voorbeelden: de uitvinding van de stoommachine door Newcomen en Watt, die een sleutelrol speelde in het op gang komen van de Industriële Revolutie, de uitvinding van de luchtballon door de gebroeders Montgolfier, een bescheiden begin van de luchtvaart, de uitvinding van de bliksemafleider door Benjamin Franklin en de uitvinding van de koepokvaccinatie door Edward Jenner.

Een van de belangrijkste ontwikkelingen in deze eeuw is het steeds prominenter worden van de ideeën van de Verlichting, met filosofen als Jean Jacques Rousseau, Voltaire, David Hume, Adam Smith en anderen. De geletterdheid nam sterk toe, boeken werd steeds belangrijker en verschillende letterkundige stromingen, zoals de Romantiek, hebben hun wortels in de achttiende eeuw. Verlichte opvattingen, zoals die over volkssouvereiniteit, speelden een belangrijke rol bij de ondergang van het Ancient Regime in Frankrijk en het ontstaan van de Verenigde Staten en de Bataafse Republiek.

Het laatste kwart van de achttiende eeuw kenmerkt zich door revoluties. Allereerst de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog (1775-1783), een revolutie tegen het Britse, koloniale gezag. Deze leidde tot het ontstaan van de Verenigde Staten, de eerste (federale) staat die een grondwet kreeg op basis van de Trias Politica, de leer over de scheiding van de staatsmachten die werd uitgewerkt door de Verlichtingsfilosoof Montesquieu.

Ten tweede de Patriottenrevolutie in de Republiek der Verenigde Nederlanden (1780-1787), waarin de door Verlichtingsidealen geïnspireerde regenten en de gegoede burgerij zich keerden tegen het absolutisme van stadhouder Willem V. Hoewel de revolutie uiteindelijk de kop werd ingedrukt door de zwager van Willem V, de koning van Pruisen, keerden veel patriottische ideeën terug in de constitutie van de latere Bataafse Republiek. In deze periode richtten burgers in Holland milities op, exercitiegenootschappen, om zich zonodig tegen de stadhouder te weren. In mijn stad, Dordrecht, werd in 1783 het eerste opgericht onder de veelzeggende naam De Vrijheid.

Ten derde de Franse Revolutie, die begon met de bestorming van de Bastille in Parijs op 14 juli 1789, een dag die nog steeds met veel militair vertoon in Frankrijk wordt gevierd. De overbekende motto van de Franse Revolutie was Egalité, Liberté, Fraternité. Desondanks liep deze revolutie uit op een bloedbad, een schrikbewind onder Robespierre en zijn Comité de salut public, met als slotakkoord de Napoleontische oorlogen met alle ellende van dien, maar dan zitten we alweer in de negentiende eeuw. Nederland heeft er de terugkeer van de Oranjes aan te danken, alsmede de Tiendaagse Veldtocht, maar nu dreigen we ietwat uit de bocht te vliegen.

Tegenover de veronderstelde gezapigheid in de Republiek der Verenigde Nederlanden staat niet alleen het opstandige elan der Patriotten, maar zien we op cultureel gebied de opbloei van tal van genootschappen, al dan niet, in het voetspoor van de Verlichting, met als doel het opheffen van de gemene man. De Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, opgericht in Edam in 1784 is hier een schoolvoorbeeld van. In Dordrecht richtten de schilder Abraham van Strij en enkele andere kunstenaars het Teekengenootschap Pictura op, dat dit jaar zijn 250-jarig bestaan viert. Een ander icoon is de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, die in 1766 het levenslicht zag in Den Haag.

In mijn schooltijd gold onder veel Neerlandici de overtuiging dat het met de vaderlandse letteren in de achttiende eeuw niet veel zaaks was. Ik noemde Hieronymus van Alphen reeds, maar het was toch ook de eeuw van Betje Wolff en Aagje Deken, alsmede van Belle van Zuylen. Misschien gaat het iets te ver om hen als evenknieën te beschouwen van de Engelse schrijfster Mary Wollstonecraft, voorloper van de vrouwenemancipatie, maar hun ideeën zijn tot op heden actueel en misschien is het niet toevallig dat het hier in alle gevallen om dames gaat. Wat te denken ook van Sarah Ponsonby en lady Eleanor Butler, twee vrouwen uit de Anglo-Ierse adel die vluchtten naar Wales en er daar een gezamenlijke huishouding op na hielden in hun landhuis Plas Newydd bij Llangollen. Een huis dat als een magneet werkte op de Britse culturele elite.

Het lijkt me niet gedurfd om te beweren dat de wortels van de vrouwenemancipatie teruggaan tot de achttiende eeuw, zoals dat ook het geval is met het verzet tegen de slavernij, al was dat meer een zaak van de Engelsen dan van de Nederlanders, want wat het abolitionisme aangaat, sukkelde Nederland vooral mee in de achterhoede en duurde het tot ver in de negentiende eeuw voordat het lot van de slaven (en laten we in 's hemelsnaam die lelijke uitdrukking 'tot slaaf gemaakten' nooit meer gebruiken) op enige belangstelling kon rekenen. Dat gold mutatis mutandis wat de overheid betreft ook voor het wel en wee van het vaderlandse proletariaat, maar dit terzijde.

De veelzijdigheid van de achttiende eeuw, waarin de Franse culturele invloed dominant was, althans in continentaal Europa, toont zich ook in een beweging als het Libertinisme. Vooral onder invloed van een op seks beluste, zich in de luxe van Versailles vervelende adel, veranderde deze stroming steeds meer van een spirituele, op de vrije geest gerichte beweging, in eentje van een niets ontziende losbandigheid. Een belangrijke propagandist daarvan was de Markies de Sade, waarvan de boeken in mijn tienerjaren opnieuw in het Nederlands werden vertaald door Hans Warren en die wij, uiteraard, met rode oren lazen. Daar kon de overigens voortreffelijk schrijvende Jan Wolkers niet tegenop. Tegenover die losbandigheid stond dan weer de puriteinse maatschappij zoals die zich na de onafhankelijkheid in de Verenigde Staten ontwikkelde. Lees daar The Scarlett Letter van Daniël Hawthorne maar eens op na.

Kortom, de achttiende eeuw is een caleidoscoop vol veelzijdigheid, boeiende tegenstellingen en ontwikkelingen die doorwerken tot in onze tijd. Ik zou er een boek over kunnen schrijven, ware het niet dat dat recent al is gedaan. Ik noem enkele eigentijdse boeken die zeker het lezen waard zijn, terwijl natuurlijk ook de literatuur uit de periode zelf aanbevolen blijft. Ik heb bijvoorbeeld bij geruchte gehoord dat De historie van mejuffrouw Sara Burgerhart binnenkort wordt heruitgegeven. Mocht dat gerucht niet kloppen, dan is er nog altijd wel een bibliotheek die het boek koestert.

Recent las ik: De adembenemende achttiende eeuw van de Vlaamse historicus Francis Weyns (Gent 2022). Voor wie zijn taaie schrijfstijl aankan is Patriots and Liberators. Revolution in the Netherlands 1780-1813 van Simon Schama (New York 1977) aanbevolen, evenals The Ladies of Llangollen: A Study in Romantic Friendship van Elizabeth Mavor, in 2001 verschenen bij Penguin. Na lezing van dat boek wil je terstond een bezoek aan Plas Newydd, tegenwoordig museum, brengen. Dan ben je echt terug in die geweldige achttiende eeuw.