Posts tonen met het label Geschiedenis van Dordrecht. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Geschiedenis van Dordrecht. Alle posts tonen

maandag 22 juni 2026

Stad van beeldende kunstenaars




Het boek De stad als atelier van Jan Willem Boezeman onderstreept op boeiende wijze mijn stelling dat Dordrecht vooral een stad van beeldende kunstenaars is. Over het waarom dat zo is, is al veel geschreven. Het heeft bijvoorbeeld te maken met Dordt als waterstad, met het bijzondere licht dat dat met zich meebrengt. Na de Tweede Wereldoorlog kwam een flink aantal kunstenaars uit Rotterdam naar Dordrecht, omdat daar meer atelierruimte beschikbaar was, zo lees ik in het boek. Onder hen mijn onvergetelijke leraar tekenen Lou ten Bosch.


Het moet een geweldige klus zijn geweest om alle woonadressen en de levensloop van 238 beeldende kunstenaars die vanaf de 16e eeuw in de stad woonden en werkten uit te zoeken, maar Boezeman en zijn vrijwilligers van het Augustijnenhof zijn niet voor een kleintje vervaard. Het boek beperkt zich tot overleden kunstenaars en dat geeft al een indrukwekkend resultaat. Gezien de vele beeldende kunstenaars die nog steeds in de stad actief zijn, mogen we in de toekomst met enige regelmaat een aanvullende druk verwachten, tenzij die het eeuwige leven hebben. Je weet maar nooit met al die nieuwlichterij zoals AI.


Op het voorplat van het prachtig verzorgde boek staat het huis Samson, getekend door Johannes van Lexmond. Dat was ooit het woonhuis van Jacob Gerritsz. Cuyp en zijn zoon Aelbert. De laatste heeft ook een tijd gewoond, zo leert mij het boek, op de plek waar nu de Boterbeurs staat, het gebouw waar in 1842 het Dordrechts Museum het licht zag. Later trok de Openbare Bibliotheek er in, waar toen de legendarische Nel Snouck Hurgronje als directrice de scepter zwaaide. Kees Buddingh', die zelf ook in het boek voorkomt vanwege zijn bekende 'kastjes', schrijft daarover in zijn dagboeken en ik herinner me nog uit mijn vroege jeugd dat ik er met mijn vader boeken ging lenen, maar dit alles terzijde.


Naast bekende schilders als de familie Cuyp, Samuel van Hoogstraten, Cornelis Bisschop, Ferdinand Bol, Arie Scheffer, Reinier Kennedy, Cor Noltee en vele anderen kwam ik ook kunstenaars tegen van wie ik nog nooit had gehoord, ondanks dat ik als bijvak aan de universiteit kunstgeschiedenis deed, en dat maakt het boek dubbel interessant. Het drukt je ook met je neus op het feit dat je kunt lezen en studeren zoveel je wil, maar dat je kennis altijd beperkt zal blijven.


De inhoudsopgave toont de kunstenaars in chronologische volgorde, dat is soms even zoeken, maar dat wordt weer vergemakkelijkt door een stratenindex achterin. Het boek, dat alles behalve een droge opsomming is, is een geweldige bron voor iedereen die belangstelling heeft voor Dordrecht, voor beeldende kunst en voor geschiedenis. De oplage is beperkt, dus wacht niet te lang om langs te gaan bij het Dordtse Augustijnenhof of je plaatselijke boekhandel.


Jan Willem Boezeman, De stad als atelier. Stichting Illustre Dordracum 2026. ISBN 9789403889290.

dinsdag 3 september 2024

Geschiedenis van Dordrecht, enkele leestips




Soms krijg ik vragen van belangstellenden over mijn woonplaats Dordrecht, met name wat men zou kunnen lezen om zich te verdiepen in de stadsgeschiedenis. Ik wil daar graag het een en ander over opmerken.

Je kunt de driedelige Geschiedenis van Dordrecht raadplegen, die is verschenen tussen 1996 en 2000 bij uitgeverij Verloren in samenwerking met het Stadsarchief (nu Regionaal Archief) Dordrecht. Het zijn drie kloeke, fraai uitgevoerde en geïllustreerde naslagwerken, gebaseerd op degelijk onderzoek door een uitgebreide groep deskundigen. Wel kleeft aan met name deel 2 en 3 het nadeel dat zij nogal rommelig van opzet zijn. Ook zijn er inmiddels 24 jaar verstreken sinds het uitkomen van deel drie, waardoor recente ontwikkelingen ontbreken.

Voor wie snel een beeld wil krijgen van de geschiedenis van de stad vormt de Canon van Dordrecht  een handig begin. Deze is in 2020 samengesteld door Jan Willem Boezeman en Ad Bosch van het Historisch Informatiepunt Augustijnenhof en uitgegeven door de Stichting Illustre Dordracum. Dezelfde stichting geeft het e-zine Dordrecht Monumenteel uit, waarop men zich hier gratis kan abonneren. Het e-zine publiceert een wijde variatie van artikelen over de geschiedenis van de oudste stad van Holland.

Een andere aanrader is het tijdschrift van de vereniging Oud-Dordrecht, waarin op gedegen wijze tal van onderwerpen uit de Dordtse geschiedenis worden behandeld. De ware liefhebber wordt uiteraard lid van deze vereniging. Dan krijg je ook het  Jaarboek dat naast oud-Dordrecht verschijnt. Informatie over de vereniging vind je hier.

Een andere ingang is de serie Verhalen van Dordrecht, die wordt uitgegeven door de Stichting Historisch Platform Dordrecht. Het zijn boekjes van ongeveer 6000 woorden over Dordtse onderwerpen, waaronder nogal wat historische. Voordeel is dat je je snel op een onderwerp kunt inlezen. In veel gevallen vormen ze een goed startpunt voor verdere verdieping. Nadeel is de wisselende kwaliteit. Met name deel 43 over het Dordtse slavernijverleden vind ik onder de maat, dat kun je hier lezen. Nummer 44 (over Jacoba van Beieren en het beleg van Dordrecht) stuitte op vernietigende kritiek door de mediëvist Henk 't Jong (zie hier). Over het algemeen is de kwaliteit echter goed. De prijs is zeer aantrekkelijk, nog geen vijf euro per deel.

Ben je op zoek naar Dordtse, historische figuren, dan is het Dordts Biografisch Woordenboek, dat hier in te zien is, bijzonder handig. Er wordt nog steeds aan dit digitale woordenboek gewerkt.


Verder heb ik nog enkele leestips:


Luc Panhuysen - De Ware Vrijheid. De levens van Johan en Cornelis de Witt. Amsterdam 2005.

Henk 't Jong - De oudste stad van Dordrecht. Opkomst en verval van Dordrecht 1000-1421. Utrecht 2020. 

Jan Willem Boezeman - Geraffineerd Dordrecht. Het koloniale en slavernijverleden van de oudste stad van Holland. Dordrecht 2023.

Frits Baarda - Dwars door Dordrecht. Zes zwerftochten door heden en verleden. Dordrecht 2010.

Kees Weltevreden (red.) Dordtenaren onder Napoleon. Aspecten van het dagelijks leven tijdens de inlijving en de bevochten vrijheid 1810-1815. Dordrecht 2015.


Oudere standaardwerken:


C.J.P. Lips - Wandelingen door Oud-Dordrecht, deel 1 en II. Zaltbommel 1974.

J.L van Dalen - Geschiedenis van Dordrecht, deel I en II. Dordrecht 1931-1933.

Matthijs Balen - Beschryvinge der Stad Dordrecht. Deel I en II. Dordrecht 1677.


Al deze werken zijn in de Openbare Bibliotheek, de bibliotheek van het Regionaal Archief Dordrecht en bij het Augustijnenhof te raadplegen.


Foto: auteur




zondag 25 juni 2023

Slordigheid over het Dordtse slavernijverleden




Onlangs verscheen als deel 43 in de serie Verhalen van Dordrecht Slavernijverleden Dordrecht, geschreven door Sidney Breidel en Rowan van der Stelt. De opzet van het boekje is het slavernijverleden van de stad zichtbaar te maken door middel van een wandeling. Er is een aantal panden in de historische binnenstad van Dordrecht gekozen en daaraan wordt een verhaal gekoppeld waarin de connectie met het slavernijverleden duidelijk wordt gemaakt. Zo wil men een onderdeel van de Dordtse geschiedenis als het ware tastbaar te maken. Het probleem van Slavernijverleden Dordrecht is echter dat de auteurs een beetje op twee gedachten hinken. Zij besteden namelijk ook aandacht aan het systeem van slavernij, een verschijnsel waarvan de meeste mensen zo langzamerhand wel doordrongen zijn van het hoe werkte.

De serie Verhalen van Dordrecht bestaat uit boekjes die maximaal ongeveer 6000 woorden bevatten. Dat biedt eenvoudigweg niet de ruimte voor zowel een behandeling van het systeem van de slavernij als de teksten voor de wandeling. Dan moet je soms met te grote stappen door het verleden heen, zoals dat bijvoorbeeld gebeurt bij de beschrijving van het voormalig woonhuis van de familie Diodati aan de Wijnstraat. Voor wie geen kennis heeft van de artikelen in het e-zine Dordrecht Monumenteel is de tekst over Catharina Zaaijman, de kleindochter van Krotoa niet te begrijpen.

Toen ik deel 38 van de Verhalen van Dordrecht schreef, over de Dordtse letteren, waren er twee eindredacteuren die constructief meedachten. In dit deel staat geen eindredactie vermeld en dat is wellicht de oorzaak dat het een rammelend boekje is geworden.

De inleiding stelt: 'De historische rijkdom van de stad is voor een groot deel vergaard ten koste van tot slaaf gemaakte mensen.' Dat is een ongenuanceerde en gedeeltelijk onjuiste bewering. De 'gouden eeuw' van Dordrecht duurde grofweg van ongeveer 1340 tot 1421 en de rijkdom die toen werd vergaard was voor een aanzienlijk deel gebaseerd op wijn- hout- en graanhandel. Het huis waarin bijvoorbeeld de gebroeders De Witt opgroeiden en waarin Cornelis de Witt tot zijn dood woonde, is gekocht met opbrengsten uit de houthandel. Het zal zeker zo zijn dat een aantal Dordtenaren zich vanaf het begin van de zeventiende eeuw heeft verrijkt door activiteiten in verband met slavernij, en dat is op allerlei plekken in de stad te zien, maar ik zou voorzichtig zijn met termen als 'voor een groot deel'. De relatief korte tijd dat het toen economisch al behoorlijk door Rotterdam en zeker door Amsterdam overvleugelde Dordrecht de derde suikerstad van de Republiek was, rechtvaardigt ook dat 'voor een groot deel' niet. De belangrijkste en meest winstgevende handel in de Republiek was de 'moedernegotie', de handel met het Baltische gebied. Niet met de koloniën en daar zal Dordrecht geen uitzondering op zijn geweest

Er wordt beweerd dat 'duizenden Dordtenaren' als matrozen en soldaten naar de koloniën vertrokken. Dat zou ik graag eens door harde cijfers onderbouwd zien. Het zou best kunnen, maar gezien het inwonertal van Dordrecht lijkt 'honderden' mij waarschijnlijker, tenzij de auteurs de hele koloniale periode, voor Indonesië tot 1949 en voor Suriname tot 1975 erbij willen betrekken. 

In de paragraaf 'Systeem van slavernij' wordt met geen woord gerept over de situatie in Afrika, waar de slaven toch vandaan kwamen. Van mij hoeft dat systeem niet te worden uitgelegd, maar als je het wel doet, dan kun je niet aan de wijze waarop in grote delen van Afrika tegen slavernij werd aangekeken voorbij gaan.

Het West-Indisch Huis dankt zijn naam aan één van de daarvoor afgebroken drie huizen, dat werd gebruikt om koopwaar van de WIC op te slaan. Het huidige pand werd in 1735 gebouwd door suikerraffinadeur Frederik Wilkens. Het lijkt mij onwaarschijnlijk dat bewindhebbers van de Kamer van de Maze van de WIC (gevestigd te Rotterdam) in een pakhuis in Dordrecht vergaderden of in het huis van een Dordtse suikerraffinadeur, maar wellicht vertellen de bronnen anders. Dan geef ik mij graag gewonnen.

Bij het voormalig woonhuis van François Valentijn komt ook de slavernij in Oost-Indië ter sprake. Die is inderdaad lang onderbelicht gebleven en daar wordt nu volop onderzoek naar gedaan. Niet vermeld wordt de rol van de lokale bevolking in de slavenhandel in de Oost en evenmin dat de VOC in de 17e eeuw terdege rekening moest houden met de wensen en verlangens van lokale vorsten met name die van Mataram op Java. Omdat de VOC van lieverlee steeds meer door lokale heersers in hun onderlinge machtsstrijd werd betrokken, evolueerde zij van een maatschappij die een aantal handelsposten stichtte tot een territoriale heerser, maar het gaat uiteraard te ver om dat in een katern van ongeveer 6000 woorden allemaal te behandelen. Ik had evenwel graag de vermelding gezien dat de slavernij in de Oost bij lange na niet alleen een zaak van de Nederlanders was. Overigens blijkt uit onderzoek door historicus Piet Emmer dat het Nederlandse aandeel in de trans-Atlantische slavenhandel over de hele periode ongeveer 5% bedraagt, met uitzondering van een korte tijd rond 1648, toen de Republiek in deze handel voorop liep.

In de paragraaf over de Grote Kerk en de rol van de kerken wordt beweerd: 'Kerken profiteerden ook van de koloniale handel, omdat plantage-eigenaren, suikerraffinadeurs en andere mensen actief in de koloniale handel donaties deden aan kerken.' Nou, dat is een opzienbarende mededeling. Hier wordt een en ander wel een klein beetje aan de haren erbij gesleept. Natuurlijk 'profiteerden' ook bezoekers van de koffiehuizen van de slavernij, anders was hun 'bakkie' wellicht niet te betalen geweest om niet te spreken van al die rokers van tabak. 

Waar ik me aan stoor is het gebruik van de term 'witte mensen' en 'zwarte mensen'. Zo worden ze misschien wel genoemd in het Engels, maar ik ben nog nooit een wit en evenmin een zwart mens tegengekomen, ook niet op mijn uitgebreide tochten door het binnenland van Suriname. Witte mensen in plaats van blanken en zwarte mensen in plaats van mensen van kleur wordt klakkeloos uit het Amerikaans overgenomen, waar de racistische tegenstellingen beslist anders zijn dan in de Nederlandse maatschappij. Ik vind dat we dat niet moeten doen, evenmin als het gebruik van die ontzettend lelijke uitdrukking 'tot slaaf gemaakten'. Iedere papegaai in de Nederlandse media bouwt die na. In Amerika heeft men het over enslaved, een term waarvoor geen Nederlands equivalent bestaat. Dat is ook niet nodig want iedereen met een beetje verstand begrijpt dat slaven hun situatie niet vrijwillig als beroep hebben gekozen. Daarvoor is dat rare 'tot slaaf gemaakten' volstrekt overbodig.

Jammer, voor wie zich verder wil verdiepen in het onderwerp, is dat in de literatuurlijst het standaardwerk De Nederlandse Slavenhandel 1500-1850 van P.C. Emmer ontbreekt. 

Slavernijverleden Dordrecht is een uitgave van Stichting Historisch Platform Dordrecht en voor euro 4,95 verkrijgbaar bij de plaatselijke boekhandel en Kenniscentrum Augustijnenhof. 


dinsdag 11 oktober 2022

Zonder einde




In het Grieks kennen we het woord ιστορία dat zowel verhaal als geschiedenis betekent. De geschiedenis kennen we uit verhalen. Je kunt na historisch onderzoek een aantal feiten op een rij zetten, maar dan ben je er nog niet. Die feiten dienen middels een verhaal met elkaar in verband te worden gebracht en te worden geïnterpreteerd. Over dezelfde feiten kunnen zo verschillende verhalen ontstaan. De bekende historicus Pieter Geijl (1887-1966) zei ooit: 'Geschiedenis is een discussie zonder einde', een uitspraak die ik nog steeds onderschrijf.


Op het niveau van de lokale geschiedenis (ik houd me naast de geschiedenis van het moderne Griekenland en Cyprus de laatste jaren bezig met de geschiedenis van mijn stad, Dordrecht) komen nog wel eens zaken aan de orde die vallen onder die 'discussie zonder einde'. Bijvoorbeeld de plaats waar de zogenaamde 'eerste vrije statenvergadering' in 1572 werd gehouden. Volgens Matthijs Balen was dat in de refter van het voormalige augustijnenklooster dat wij kennen als Het Hof, maar er is geen enkel bewijs voor. Hij schrijft dat meer dan honderd jaar later op in zijn Beschryvinge der stad Dordrecht (1677) zonder een bron te noemen. Historicus Herman van Duinen1 betwijfelt of de vergadering daar plaatsvond en ik deel die twijfel. Ligt het voor de hand dat afgevaardigden van steden die de zijde van de Opstand hebben gekozen gaan vergaderen in een voormalig klooster dat slechts een kleine maand daarvoor door de stad van de monniken was afgenomen, terwijl in het in 1544 gerenoveerde stadhuis voldoende vergaderruimte aanwezig was? Mij lijkt het stadhuis de aangewezen plaats, maar zeker kunnen we het niet weten, want ook daar is vooralsnog geen schriftelijk bewijs voor.


Ook over de betekenis van die 'eerste vrije statenvergadering' wordt nog steeds gediscussieerd. Zo staat tegenover de onhoudbare bewering van prof. dr. Herman Pleij, namelijk dat toen Nederland begon, de mening van collega Henk 't Jong,2 eloquent verwoord op zijn blog Apud Thuredrech. Die aantoonbaar onjuiste stelling van 'hier begon Nederland' werd overigens juichend overgenomen door de televisieserie Het verhaal van Nederland. De statenvergadering wordt in de Nederlandse historiografie pas belangrijk in de negentiende eeuw, de eeuw van het opkomend nationalisme. Daarvoor werd er nauwelijks aandacht aan besteed.


Verhalen die overduidelijk ooit ergens uit een duim zijn gezogen behoeven weinig discussie. Bijvoorbeeld dat over gravin Helena van Beieren, die van 1838 tot 1858 in het smalle pand op de Voorstraat boven de Donkere Steiger zou hebben gewoond. Zij zou daarheen zijn verbannen door haar vader omdat zij weigerde te trouwen met de huwelijkskandidaat die haar ouders voor ogen hadden, maar in plaats daarvan het oog had laten vallen op een jachtopziener. Het is een romantisch verhaal, dat ik graag vertel als ik gasten rondleid door mijn stad, maar ik zeg er wel bij dat het faliekante onzin is. De enige Helena van Beieren die ik in de 19e eeuw heb kunnen vinden leefde van 1834 tot 1890, ver van Dordrecht. Zij was de oudere zus van Elisabeth van Beieren, beter bekend als Sisi, de echtgenote van de Oostenrijkse keizer Franz Josef (1830-1916).


Het verhaal van de wieg, de baby en de kat die tijdens de St. Elisabethsvloed zouden zijn aangespoeld en daardoor de ramp overleefden, leverde een mooi gebrandschilderd raam op in de Grote Kerk en een fraaie wandschildering door Reinier Kennedy in het stadhuis. Er is echter geen enkel bewijs dat het ook werkelijk is gebeurd. Wel kennen we talloze verhalen van dezelfde strekking die de ronde deden na overstromingen elders in Europa. Ik meen me zelfs van colleges over de oudheid te herinneren dat een dergelijk verhaal al voorkomt in het Gilgamesj-epos (ca. 2100 v. Chr.) in Mesopotamië, maar dat zou ik moeten natrekken en dat wordt me even te tijdrovend.


En wat te denken van het verhaal van die twee boeren en dat schaap, dat ze aangekleed als juffrouw de stad probeerden binnen te smokkelen? Een heerlijk verhaal om te vertellen. We hebben er als Dordtenaren de erenaam Schapekoppen aan overgehouden en die fraaie ramskop als mascotte van FC Dordrecht, maar ik geloof er geen sikkepit van. Zulke vertellingen doen het wat mij betreft prima in een collectie volksverhalen, zoals voor Dordrecht verzameld door Ruben A. Koman3, maar ze moeten geen serieus onderdeel van het geschiedverhaal worden.


De meester op mijn lagere school vertelde van een kanonskogel, die Napoleon in november 1813 vanuit Papendrecht in de Grote Kerk zou hebben geschoten. Inderdaad zit hoog in een van de steunberen een kanonskogel, maar om daar terecht te komen (afgezien van het wonder dat hij zo keurig in de muur bleef hangen) zou hij toch echt satelliet gestuurd moeten zijn. Dat ze dat in 1813 konden, gelooft zelfs de meest sneue complotdenker niet. 


1. Herman A. van Duinen, Hier begon Nederland. 1572-feit of fictie? Dordrecht 2020.

2. Henk 't Jong: apudthuredrech.nl/tag/herman-pleij/

3. Ruben A. Koman, Bèèh...! Groot Dordts Volksverhalenboek. Bedum 2005.


Foto: Auteur


dinsdag 12 januari 2021

In het ootje genomen




Eigenlijk verdient het plaatjesboek zonder plaatjes (want die moet de lezer zelf sparen) dat een paar dagen geleden in mijn brievenbus rolde geen enkele aandacht, ware het niet dat de gemeente Dordrecht er veertigduizend euro in heeft gestoken, in het kader van de viering van '800 jaar' Dordrecht. Er is niets mis met aandacht vragen voor de rijke geschiedenis van Dordt, maar wel als dat gebeurt in de vorm van een gedeeltelijk door gemeenschapsgeld gesponsord niemendalletje waarin nogal wat onzin over de geschiedenis van de stad staat. Platitudes en bombastische pocherij rijgen zich aaneen, waardoor de indruk wordt gewekt dat Dordrecht zich nogal als een opscheppertje manifesteert. 

Dat er wat druk- en taalfouten in staan (bijvoorbeeld 'Vrij Statenvergadering', een pand die is gerestaureerd, hoofstraten) ach, dat kan gebeuren. Weinig boeken zijn foutloos, al duidt het wel op een slordige redactie. Wie is die redactie eigenlijk, vroeg ik mij af. In het colofon staat: 


'Tekst- en beeldredactie:

Regionaal Archief Dordrecht, Gemeente Dordrecht, Het Dordt Boek, Ach Lieve Tijd, Dordrecht Marketing'


Geen enkele naam dus van degenen die verantwoordelijk zijn voor de inhoud. Wel het Regionaal Archief, waarvan ik me niet kan voorstellen dat het voor zo'n schaamteloos domme tekst verantwoordelijkheid zou willen nemen. De Gemeente Dordrecht? Hoe dan? Wie dan? Het Dordt Boek? Zouden de auteurs daarvan eigenlijk wel weten dat ze hieraan hebben meegewerkt en zo ja, schamen ze zich dan de ogen niet uit het hoofd? Ach Lieve Tijd? Dat is een interessante verzamelband van katernen over de Dordtse geschiedenis van Uitgeverij Waanders en wat toen nog het Gemeentearchief Dordrecht heette uit de tijd van burgemeester Jan Noorland, die dat ambt van 1985 tot 2000 bekleedde. Hoezo Ach Lieve Tijd? En dan Dordrecht Marketing. Wie van Dordrecht Marketing? Iemand die echt iets meer weet van de stadsgeschiedenis dan wat reclamekreten? Ik krijg enigszins kriebels over mijn rug, dat gebeurt vaker als ik de indruk heb dat ik in het ootje word genomen.

In het colofon staat ook nog dat het 'concept' en de 'productie' in handen waren van Tomorrow, Rotterdam, een bureau dat zich toelegt op lokale promoties. Op hun website vind je het kant en klare concept Verzamel historie van jouw plaats. We weten dus in ieder geval dat de betrokken supermarkten en Dordrecht Marketing het niet zelf hebben verzonnen. Ik ben er niet bij geweest, maar mag ik vrezen dat een enthousiaste amateur van Tomorrow verantwoordelijk is voor de bedroevende inhoud van dit plaatjesboek Dordrecht 800 jaar?


Veertigduizend gemeentelijke euro's, dat is niet niks, dan verwacht je enige kwaliteit, maar wat krijg je? Allereerst de onwaarheid dat Dordrecht in 1220 stadsrechten kreeg van graaf Willem I. Inmiddels is door de Dordtse mediëvist Henk 't Jong overtuigend aangetoond dat het ging om een uitbreiding van al bestaande stadsrechten. Dordrecht is ouder dan 800 jaar, al 1000 geleden was er sprake van bewoning en het was hoogstwaarschijnlijk voor 1200 al een stad.

Ik zou bijna zeggen dat we 'natuurlijk' de foutieve voorstelling tegenkomen van de St. Elizabethsvloed van 1421. Dat er meerdere overstromingen waren en dat er niet in één klap een vloedgolf met duizenden slachtoffers over het land kwam is inmiddels op ruime schaal bekend, maar niet bij de makers van Dordrecht 800 jaar. Gezaghebbende of recente literatuur over de Dordtse geschiedenis (de driedelige Geschiedenis van Dordrecht, de serie Verhalen van Dordrecht, het boek De oudste stad van Holland van Henk 't Jong en de tijdschriften Oud-Dordrecht en Dordrecht Monumenteel) lijkt bij de makers onbekend. Dat is niet erg voor een reclamefoldertje, maar wel als dat in een luxe uitgave met gemeentelijke subsidie is gemaakt.


De makers zijn weinig consequent. Zo wordt ergens geschreven dat Dordrecht sinds 1421 een eiland is. Ergens anders zegt men dan weer dat Dordrecht altijd al een door water omspoeld eiland was. Eerst geen, dan wel en dan altijd een eiland en nog door water omspoeld ook. Toe maar.

Men gaat op thematische wijze door de geschiedenis. Dat is een keuze, maar het maakt de tekst warrig. En slordig. Op bladzijde 10 lezen we 'Sportverenigingen kwamen pas door de toename van de vrije tijd in onze eeuw tot ontwikkeling.'

Pardon, onze eeuw? Het lijkt alsof de makers even in het geschiedenisboekje hebben gekeken dat ze vroeger op de mavo gebruikten en klakkeloos een zinnetje hebben overgeschreven.

Iets natrekken doen ze ook niet. De toren van de Grote Kerk wordt trots schever dan de toren van Pisa genoemd. De Dordtse toren staat volgens de makers maar liefst twee meter uit het lood, 'waardoor deze zelfs schever staat dan de wereldberoemde Toren van Pisa' (blz. 32). Laat die wereldberoemde toren nu ongeveer 4,5 meter uit het lood staan.

Naarmate ik meer doorblader, zie ik meer treurigheid. Jawel, lees ik: 'De rol van Dordrecht in de vorming van de natie is groot' (blz. 29). En dan volgt uiteraard het aanvechtbare verhaal waarin het belang van de eerste 'vrije' statenvergadering nogal wordt overdreven en dat inmiddels door flink wat historici onderuit is gehaald. Op dezelfde bladzijde staat een warrig stuk over het stadsbestuur, waaraan geen touw is vast te knopen en lees ik: 'dat de grafelijkheid de stad in de beginjaren als volledig eigendom bestierde.' Zucht. Ga Henk 't Jongs De dageraad van Holland eens lezen, zou ik zeggen.

Op bladzijde 13 wordt gezegd dat Jan van Brabant in 1418 'de Dordtenaren vijf weken in het nauw' bracht. Ja, maar hij liep daarbij wel een bloedneus op. Een regel later laten ze de Watergeuzen wel de stad veroveren. Althans de tekst leidt tot die foute conclusie. Zo gaat het maar door. Wel de Dordtse Synode noemen (1618/19), maar met geen woord over de Remonstranten reppen. Over de nijverheid in de 17e eeuw schrijven en daarna de scheepswerven van Gips en Schouten noemen, zonder erbij te vermelden dat we het dan toch echt over de 19e eeuw hebben. Oranje Wit opvoeren als 'eerste voetbalvereniging met een levensbeschouwelijke achtergrond' (1925), maar geen woord wijden aan de echt oudste voetbalclub van de stad, DFC, dat is opgericht in 1883. 

Als de aanleg van de hogedrukwaterleiding wordt genoemd, vertel je er natuurlijk niet de belangrijkste aanleiding bij, de voortdurende cholera-epidemieën die in de zomers de stad teisteren. Zo kan ik doorgaan, maar het is wel genoeg. Over de reclamepagina's zwijg ik, het is tenslotte een reclameboekje dat zo snel mogelijk de papierbak in moet. De plaatjes zullen best mooi zijn, maar als ik een goed leesbaar, interessant en van mooie illustraties voorzien boekje over de geschiedenis van Dordrecht wil lezen, dan pak ik de Canon van Dordrecht van het Augustijnenhof wel, een mooie leidraad om je verder in de materie te verdiepen. De gemeente Dordrecht had er beter aan gedaan om die veertigduizend euro te besteden aan het huis-aan-huis verbreiden van dat leuke en nuttige boekje.





dinsdag 2 juni 2020

Dordrecht, onbetwist de oudste stad van Holland



Als iemand van mijn generatie denkt aan de middeleeuwen, dan komen al snel de namen Floris en Ivanhoe bovendrijven. Twee populaire televisieseries uit de jaren zestig. De beelden waren nog in zwart-wit, waardoor veel kleurrijks verloren ging, en als we historicus Henk 't Jong mogen geloven, schortte er hier en daar nog weleens wat aan de correcte uitbeelding van die tijd. Het beeld dat veel mensen van geschiedenis hebben is 'dikwijls gebaseerd op Hollywoodfilms, strips, fantasyboeken' schrijft hij op zijn weblog, Apud Thuredrech, waarin hij onder meer vertelt hoe hij tot de geschiedenis, in zijn geval die van de middeleeuwen, is gekomen. 
Je hoeft geen historicus te zijn om te constateren dat Hollywood en aanklevende lieden die zich bezig houden met geschiedverbeelding er zo nu en dan een potje van maken. Ik vind het daarom een heel aardig idee dat 't Jong in zijn pas verschenen boek, De oudste stad van Holland, bij iedere periode waarover hij schrijft, naast enige uitleg, ook visueel maakt wat de mensen in die tijd droegen. Daarbij komt en-passant het verschil tussen de diverse standen aan bod.

De oudste stad van Holland gaat over de geschiedenis van Dordrecht en heeft als ondertitel: Opkomst en verval van Dordrecht 1000-1421. In tweehonderdtien zeer leesbare bladzijden, beschrijft Henk 't Jong het ontstaan van Dordrecht, haar bloeiperiode als belangrijkste stad van het graafschap en het begin van de langzame achteruitgang, die evident werd vroeg in de vijftiende eeuw, door een opeenvolgend aantal stormvloeden, met als gevolg dijkdoorbraken, verzilting van het land en het van lieverlee wegtrekken van de bevolking. Hij prikt daarmee meteen een populaire mythe door, namelijk dat in 1421 in een klap door een stormvloed, die duizenden doden tot gevolg had, de Biesbosch ontstond. Het mooie verhaal van de baby en de wieg, die aanspoelde bij Kinderdijk (soortgelijke mythes doen op diverse plaatsen in Europa de ronde) kan de prullenbak in. 
Hij prikt overigens meer verzinselen door. Bijvoorbeeld dat er in de middeleeuwen maar op los werd gebrandmerkt, gemarteld en in het schandblok werd gestaan. Ook de verhalen over talloze stadsbranden berusten veelal op menselijke verbeelding, al was die van 1457 wel degelijk verwoestend. Dat 't Jong over de gevolgen van die brand schrijft, duidt erop dat hij het jaar 1421 niet al te strikt als einddatum van zijn verhaal hanteert. Hij wijst er terecht op dat Dordrecht nog heel lang werd beschouwd als 'eerste stad van Holland'. Het was met de Dordtse macht en invloed nog lang niet gedaan na 1421, al werd de stad in de loop der tijd meer en meer overvleugeld door steden als Amsterdam, Rotterdam en Leiden. 
Hoe groot de economische schade van het verlies van de Grote Waard voor Dordrecht was, vind ik moeilijk te bepalen, ten noorden, westen en noord-oosten van de stad lagen immers ook belangrijke landbouwgebieden en de internationale handel kwam er niet door tot stilstand. Terecht wijst 't Jong op het belang van het stapelrecht dat bleef bestaan, al was Dordrecht na de drie opeenvolgende St. Elisabeths-vloeden wel gemakkelijker te omzeilen. Wat de stad economisch vooral ook op achterstand heeft gebracht is volgens mij de val van Antwerpen in 1585, die een vloed van, vaak welgestelde of vakbekwame emigranten vanuit de Zuidelijke Nederlanden naar het noorden veroorzaakte. Er kwamen wel zuiderlingen naar Dordrecht, bijvoorbeeld enkele bekende boekdrukkers, maar ik heb de indruk dat, doordat Dordrecht relatief weinig ruimte had om nieuwkomers te herbergen (de eerste inpolderingen na 1421 begonnen pas omstreeks 1600), andere steden veel meer van de immigratiegolf hebben kunnen profiteren. 
Het is interessant om te lezen dat Dordrecht zich tot internationale handelsstad kon ontwikkelen mede dankzij een aantal stormvloeden in de twaalfde eeuw, waardoor onder meer de Oude Maas ontstond, en dat het verval ook weer door een aantal stormvloeden inzette. Tussen deze reeksen gebeurtenissen schetst 't Jong op duidelijke en ook voor niet-historici begrijpbare wijze de ontwikkeling en groei van de stad, met een aantal verhelderende kaarten en illustraties. Hij baseert zich vooral op de in 1996 verschenen Geschiedenis van Dordrecht tot 1572 van Jan van Herwaarden (e.a.), aangevuld met ondertussen veranderde of nieuwe inzichten. Op knappe wijze schetst hij het ontstaan van de Hoekse en Kabeljauwse Twisten, zeker in het kader van de Dordtse geschiedenis geen eenvoudige zaak, en maakt hij duidelijk hoe schadelijk deze burgeroorlog, want daar mogen we toch wel van spreken, voor de stad was.

De oudste stad van Holland is niet alleen interessant voor Dordtenaren, maar voor iedereen die belangstelling heeft voor middeleeuwse en/of stadsgeschiedenis. De titel is in lichte mate provocatief, althans zo zou men dat in Geertruidenberg kunnen opvatten, waarvan de stadsbestuurders enkele jaren geleden betwijfelden of Dordrecht zich wel de oudste stad van Holland mocht noemen. Dat was in hun ogen Geertruidenberg, ooit begonnen als Hollandse stad. 't Jong toont overtuigend aan dat Dordrecht wel degelijk recht op de titel heeft en dat de Merwestad waarschijnlijk al omstreeks 1195 stadsrechten heeft gekregen.
Het boek is, maar dat zijn we van Henk 't Jong gewend na zijn voortreffelijke boek De dageraad van Holland, een degelijke, goed en vooral begrijpelijk geschreven stadsgeschiedenis, waarin hij zoveel mogelijk jargon vermijdt. Een genot om te lezen, een must voor iedere Dordtse stadsgids en ook sterk aanbevolen voor de medewerkers van Dordrecht Marketing, waar men nogal eens slordig met de plaatselijke geschiedenis wil omgaan.


Henk 't Jong, De oudste stad van Holland. Opkomst en verval van Dordrecht, 1000 - 1421. Uitgeverij Omniboek, ISBN 9789401916882.


maandag 4 maart 2019

De verrassende geschiedenis van een huis



In het najaar van 2018 verscheen Dijkbewaking, het jongste deel in de serie literaire dagboeken die ik bij uitgeverij Liverse publiceerde. Daarin maak ik op maandag 5 januari 1981 melding van het feit dat mijn vrienden Ton & Nelly van Dalen en Gerard Bouma een huis hebben gekocht in de Wijnstraat te Dordrecht: "Het schijnt een groot pand te zijn, gekocht van een zonderling, waar veel aan verbouwd moet worden." Toen ik er niet veel later een kijkje ging nemen, schrok ik van de enorme berg werk die zou moeten worden verzet om het pand bewoonbaar te maken. 

We zijn inmiddels 38 jaar verder en het huis, dat toen het aanzien van een ruïne had, is beetje bij beetje getransformeerd tot een prachtig gerestaureerd herenhuis. Mijn vrienden wonen er nog steeds en ik hoop dat dat nog lang zo zal blijven. Dat het huis een buitengewoon verrassende geschiedenis blijkt te bezitten, wist niemand nog in 1981. Wel was duidelijk dat het om een pand van indrukwekkende leeftijd ging, waarin sporen waren te zien die teruggingen tot de zestiende eeuw. Hoe indrukwekkend en verrassend de geschiedenis van Vin de Vent, zoals de nieuwe bewoners het noemden, is, blijkt uit het boek Verborgen in Vin de Vent, geschreven door Angenetha Balm, Rosa Paasse en Jan Willem Boezeman, onderzoekers verbonden aan het Historisch Documentatie- en Kenniscentrum Augustijnenhof te Dordrecht.

Het boek is een fascinerende reis door de tijd, waarin we kennismaken met illustere bewoners als Cornelis Pietersz. van Beveren, de eerste gereformeerde burgemeester van Dordrecht, en zijn, voor de omwenteling van 1572 verboden, protestantse bijbel. Zo'n geschrift na de komst van Alva (1567) naar de Nederlanden in bezit hebben, was levensgevaarlijk, zeker in een stad als Dordrecht, waar de schout, Johan van Drenckwaert, nogal fanatiek jacht maakte op ketters. Die liepen groot risico te worden terechtgesteld. Dat een aantal van hen de dans ontsprong is mede te danken aan Cornelis van Beveren en zijn gezin. Het bezit van die bijbel moest zorgvuldig geheim worden gehouden. Als het moest, kon hij worden verstopt in een met lood bekleed kistje, dat in de rookkast in de schoorsteen kon worden verborgen. Na een eeuwenlange omzwerving langs talloze erfgenamen van de Van Beverens, is de bijbel, dankzij het noeste speurwerk van de onderzoekers van het Augustijnenhof, teruggevonden. Resten van de rookkast zijn, na afbraak van de schoorsteen, door de huidige bewoners bewaard. Beiden zijn op het ogenblik te zien in het Dordrechts Museum op de tentoonstelling Werk, bid en bewonder, die nog tot eind mei duurt.

Andere illustere bewoners zijn ondermeer enkele leden van de familie Diodoti, waarvan er één afgevaardigde namens Genève was op de Synode van Dordrecht (1618/19), een theoloog die zich achter de geruchtmakende executie van Johan van Oldenbarnevelt (1619) schaarde en waarvan een nazaat het legaat beschikbaar stelde waaruit het schitterende, gouden avondmaalservies in de Grote Kerk werd bekostigd. Een legaat dat zo ruim was, dat er ook nog twee zilveren serviezen af konden, voor respectievelijk de Augustijnenkerk en de Nieuwkerk. In de 19e eeuw woonde het liberale lid der Tweede Kamer J.P. Bredius enige tijd in het huis. Ook minder illustere bewoners spelen een interessante rol in de geschiedenis van Vin de Vent.

Het boek is bijzonder fraai geïllustreerd, de bouwgeschiedenis van het pand is minutieus onderzocht en gedocumenteerd. Enkele uitgebreide boedelbeschrijvingen zijn voor de leek misschien wat droog om door te nemen, maar trakteren de historicus op een gedetailleerde blik op de maatschappelijke status van de betrokkenen. Niet alleen de illustraties verlevendigen Gevonden in Vin de Vent, dat doen ook de talloze citaten uit koopakten en testamenten. 

Voor mij persoonlijk bevat het boek een kleine, maar ontroerende verrassing, toen ik op een foto op bladzijde 72 prominent mijn in 2007 overleden geliefde Stella tegenkwam. Eerlijk gezegd baal ik een beetje van het feit dat mijn eigen huis slechts van 1914 dateert, dus een geschiedenis van niks heeft, want je zou maar het geluk hebben dat er zo'n verrassend verhaal over je woning boven water komt.


Angenetha Balm, Rosa Paasse, Jan Willem Boezeman - Verborgen in Vin de Vent. ISBN 9789463867535. Euro 19,95.