dinsdag 11 oktober 2022

Zonder einde




In het Grieks kennen we het woord ιστορία dat zowel verhaal als geschiedenis betekent. De geschiedenis kennen we uit verhalen. Je kunt na historisch onderzoek een aantal feiten op een rij zetten, maar dan ben je er nog niet. Die feiten dienen middels een verhaal met elkaar in verband te worden gebracht en te worden geïnterpreteerd. Over dezelfde feiten kunnen zo verschillende verhalen ontstaan. De bekende historicus Pieter Geijl (1887-1966) zei ooit: 'Geschiedenis is een discussie zonder einde', een uitspraak die ik nog steeds onderschrijf.


Op het niveau van de lokale geschiedenis (ik houd me naast de geschiedenis van het moderne Griekenland en Cyprus de laatste jaren bezig met de geschiedenis van mijn stad, Dordrecht) komen nog wel eens zaken aan de orde die vallen onder die 'discussie zonder einde'. Bijvoorbeeld de plaats waar de zogenaamde 'eerste vrije statenvergadering' in 1572 werd gehouden. Volgens Matthijs Balen was dat in de refter van het voormalige augustijnenklooster dat wij kennen als Het Hof, maar er is geen enkel bewijs voor. Hij schrijft dat meer dan honderd jaar later op in zijn Beschryvinge der stad Dordrecht (1677) zonder een bron te noemen. Historicus Herman van Duinen1 betwijfelt of de vergadering daar plaatsvond en ik deel die twijfel. Ligt het voor de hand dat afgevaardigden van steden die de zijde van de Opstand hebben gekozen gaan vergaderen in een voormalig klooster dat slechts een kleine maand daarvoor door de stad van de monniken was afgenomen, terwijl in het in 1544 gerenoveerde stadhuis voldoende vergaderruimte aanwezig was? Mij lijkt het stadhuis de aangewezen plaats, maar zeker kunnen we het niet weten, want ook daar is vooralsnog geen schriftelijk bewijs voor.


Ook over de betekenis van die 'eerste vrije statenvergadering' wordt nog steeds gediscussieerd. Zo staat tegenover de onhoudbare bewering van prof. dr. Herman Pleij, namelijk dat toen Nederland begon, de mening van collega Henk 't Jong,2 eloquent verwoord op zijn blog Apud Thuredrech. Die aantoonbaar onjuiste stelling van 'hier begon Nederland' werd overigens juichend overgenomen door de televisieserie Het verhaal van Nederland. De statenvergadering wordt in de Nederlandse historiografie pas belangrijk in de negentiende eeuw, de eeuw van het opkomend nationalisme. Daarvoor werd er nauwelijks aandacht aan besteed.


Verhalen die overduidelijk ooit ergens uit een duim zijn gezogen behoeven weinig discussie. Bijvoorbeeld dat over gravin Helena van Beieren, die van 1838 tot 1858 in het smalle pand op de Voorstraat boven de Donkere Steiger zou hebben gewoond. Zij zou daarheen zijn verbannen door haar vader omdat zij weigerde te trouwen met de huwelijkskandidaat die haar ouders voor ogen hadden, maar in plaats daarvan het oog had laten vallen op een jachtopziener. Het is een romantisch verhaal, dat ik graag vertel als ik gasten rondleid door mijn stad, maar ik zeg er wel bij dat het faliekante onzin is. De enige Helena van Beieren die ik in de 19e eeuw heb kunnen vinden leefde van 1834 tot 1890, ver van Dordrecht. Zij was de oudere zus van Elisabeth van Beieren, beter bekend als Sisi, de echtgenote van de Oostenrijkse keizer Franz Josef (1830-1916).


Het verhaal van de wieg, de baby en de kat die tijdens de St. Elisabethsvloed zouden zijn aangespoeld en daardoor de ramp overleefden, leverde een mooi gebrandschilderd raam op in de Grote Kerk en een fraaie wandschildering door Reinier Kennedy in het stadhuis. Er is echter geen enkel bewijs dat het ook werkelijk is gebeurd. Wel kennen we talloze verhalen van dezelfde strekking die de ronde deden na overstromingen elders in Europa. Ik meen me zelfs van colleges over de oudheid te herinneren dat een dergelijk verhaal al voorkomt in het Gilgamesj-epos (ca. 2100 v. Chr.) in Mesopotamië, maar dat zou ik moeten natrekken en dat wordt me even te tijdrovend.


En wat te denken van het verhaal van die twee boeren en dat schaap, dat ze aangekleed als juffrouw de stad probeerden binnen te smokkelen? Een heerlijk verhaal om te vertellen. We hebben er als Dordtenaren de erenaam Schapekoppen aan overgehouden en die fraaie ramskop als mascotte van FC Dordrecht, maar ik geloof er geen sikkepit van. Zulke vertellingen doen het wat mij betreft prima in een collectie volksverhalen, zoals voor Dordrecht verzameld door Ruben A. Koman3, maar ze moeten geen serieus onderdeel van het geschiedverhaal worden.


De meester op mijn lagere school vertelde van een kanonskogel, die Napoleon in november 1813 vanuit Papendrecht in de Grote Kerk zou hebben geschoten. Inderdaad zit hoog in een van de steunberen een kanonskogel, maar om daar terecht te komen (afgezien van het wonder dat hij zo keurig in de muur bleef hangen) zou hij toch echt satelliet gestuurd moeten zijn. Dat ze dat in 1813 konden, gelooft zelfs de meest sneue complotdenker niet. 


1. Herman A. van Duinen, Hier begon Nederland. 1572-feit of fictie? Dordrecht 2020.

2. Henk 't Jong: apudthuredrech.nl/tag/herman-pleij/

3. Ruben A. Koman, Bèèh...! Groot Dordts Volksverhalenboek. Bedum 2005.


Foto: Auteur


vrijdag 22 juli 2022

Een fascinerende en rijk geïllustreerde ontdekkingstocht




Toen ik in 1968 naar de HAVO-top van de Gemeentelijke Pedagogische Akademie te Dordrecht ging, had ik het geluk dat het literatuur- en talenonderwijs heel wat meer voorstelde dan het huidige, voor zover er in het middelbaar onderwijs sowieso nog sprake is van enig literatuuronderwijs. Ik realiseerde mij dat weer eens toen ik enkele dagen geleden een mevrouw op de radio hoorde die vertelde dat nog amper tweehonderd studenten de universitaire opleiding neerlandistiek volgen en dat het met de universitaire studies Frans en Duits nog veel dramatischer is gesteld. Dat was volgens die mevrouw (in mijn woorden) het gevolg van een uit de hand gelopen lobby voor de bèta-vakken en, in het geval van de neerlandistiek, ook van de (weer in mijn woorden) dramatisch ontoereikende en ernstig demotiverende inhoud van het vak Nederlands op de middelbare scholen. 


Nadat ik, na een succesvol afgesloten mulo-opleiding en geheel verkeerd voorgelicht door een onbekwame schooldecaan, niet naar de vierde klas van de HBS ging (dat kon toen nog net), maar naar de vierde van de HAVO, was ik wel van het vermaledijde en overschatte vak wiskunde af. Die vier op mijn eindlijst detoneerde met de reeks negens, achten en een enkele zeven en schreef ik grotendeels toe aan mijn docent wiskunde (die toevallig ook die schooldecaan was), wat ik kon onderbouwen door het feit dat in het enige jaar dat ik wiskunde had van een andere leraar, ik op ieder rapport een acht had voor het vak en dat voor het verwante natuurkunde op mijn eindlijst eveneens een acht prijkte. Ik had echter mijn buik vol van de exacte vakken en koos voor aardrijkskunde, geschiedenis, Nederlands, Frans, Duits en Engels. Toen ik na een omweg via de onderwijzersopleiding geschiedenis ging studeren, kwam de kennis van die talen buitengewoon van pas, maar aan wiskunde had je helemaal niets. Statistieken kun je zonder dat gegoochel ook wel lezen, mocht het een keer nodig zijn. Die voormalige wiskundedocent en schooldecaan kwam ik jaren later, toen ik zelf al doctorandus was en hij nog altijd derdegrader op grond van een of andere duistere applicatiecursus in een ver verleden, weer tegen als collega. Omdat hij in de docentenkamer een bijzonder innemende man bleek te zijn, iets waar we als leerling nooit wat van hadden gemerkt, ben ik maar niet over dat stukje gezamenlijk verleden begonnen. 


Voor het eindexamen moesten wij voor Nederlands vijfentwintig boeken lezen en voor elk van de vreemde talen vijftien. Dat betekende zeventig boeken in twee jaar. Natuurlijk, een enkel boek had al op mijn lijst voor de MULO gestaan, althans voor Nederlands, want wat je daar voor de vreemde talen moest lezen stelde niets voor en was op HAVO-niveau, althans het toenmalige, onbruikbaar. Het was dus al met al veel leeswerk. Aangezien ik toen ook al van lezen hield, was het veel meer een genoegen dan een plicht. Ook het schrijven van de vier vereiste scripties, twee voor aardrijkskunde en twee voor geschiedenis, vond ik eigenlijk wel leuk. Het was in de ware zin van het woord een pretpakket, zoals sommige nerds die wis- natuur- en scheikunde deden weleens smalend zeiden.


Een van de boeken op mijn lijst was Oeroeg van Hella S. Haasse, een novelle die zich afspeelde in Indonesië in de tijd van de oorlog die Nederland daar voerde in een poging te beletten dat het land onafhankelijk zou worden. Oeroeg stond toen bij vrijwel iedere middelbare scholier op de lijst en het zou me niet verbazen als dat nog zo is. Een boek als Revolusi van David van Reybrouck is natuurlijk veel te dik voor de overwerkte leerling van vandaag de dag, die voor Nederlands, als ik me goed heb laten inlichten, op het VWO zomaar vijf werken van letterkunde moet lezen. 


Over Hella Serafia Haasse (1918-2011), de schrijfster van Oeroeg en van een groot en zeer gevarieerd oeuvre, is onlangs een bijbeldikke biografie verschenen van de hand van Aleid Truijens, die ons eerder onder meer verblijdde met een biografie van Frits Hotz. Het boek ademt degelijkheid, het is om het eens ouderwets te zeggen een zeer doorwrochte studie, waardoor we kennis kunnen nemen van het leven van een bijzondere auteur, geboren in Nederlands-Indië, met niet alleen een bijzonder oeuvre, maar ook een conventioneel lijkend en toch bijzonder (ingewikkeld) huwelijk met een bijzondere man. Wie de schrijfstijl van Truijens kent, is niet verbaasd dat je al lezend door de 536 pagina's vliegt, noten en bibliografie niet meegerekend. Ze heeft naar eigen zeggen bijna acht jaar aan de biografie gewerkt, daarbij onder meer terzijde gestaan door de dochters en kleinkinderen van Haasse en van vele mensen die Haasse hebben gekend of met haar hebben gewerkt. De biografie is een fascinerende en rijk geïllustreerde ontdekkingstocht door het leven van een van de grootste en belangrijkste auteurs van de twintigste en vroege eenentwintigste eeuw. Ik heb een aanzienlijk deel van het werk van Hella Haasse in de loop der jaren gelezen, maar nu ik haar zo goed heb leren kennen dankzij Aleid Truijens, ga ik me zeker in nog meer van haar boeken verdiepen. Misschien een tip voor onze veelgeplaagde middelbare scholieren als ze na het eindexamen eindelijk van hun lessen Nederlands zijn verlost.


Aleid Truijens, Leven in de verbeelding. Hella S. Haasse 1918-2011. Querido 2022. 


dinsdag 25 januari 2022

De fameuze Gemeentelijke Pedagogische Akademie




Het voorplat van Abel ontwaakt, de debuutroman van politicoloog Cor Snijders, wordt gesierd door een foto van twee heren in het stijlvolle café De Tijd in Dordrecht, de stad die voor een groot deel de achtergrond vormt van het boek. Abel ontwaakt is het verhaal van een nog wat naïeve jongeman, geboren en gedeeltelijk opgegroeid in Dordrecht en gedeeltelijk in Oud-Beijerland, die in de jaren dat hij aan de havo-top van de Gemeentelijke Pedagogische Akademie (akademie toen officieel geschreven met een progressieve k, in tegenstelling tot hoe Snijders het spelt) in Dordrecht verkeert, zijn beslissende stappen naar de volwassenheid zet. Een Bildungsroman waarin, volgens het Dankwoord voorin, alle vertellingen op waarheid berusten. Dat ontslaat de lezer van de soms prangende vraag naar wat er werkelijk is gebeurd in een boek, maar roept meteen een andere vraag op: waarom dan gefingeerde namen en niet de echte van de personen die erin voorkomen?

Ik moet iets verklappen. Ik ken Cor Snijders goed, hij verkeert in deels dezelfde vriendenkring als ik. De leraren waarmee hij in zijn havotijd bevriend raakte, een vriendschap die in sommige gevallen nog steeds voortduurt, behoren deels ook tot mijn kring van intimi en ik heb zelf aan die havo-top en daarna op de, toen fameuze, Gemeentelijke Pedagogische Akademie gestudeerd. Wel iets eerder dan Snijders, maar niet veel. Ik bracht er, met een jaar tussen havo en PA, de periode 1968 - 1974 door, een tijd die voor mijn vorming van minstens even groot belang was als die van Cor Snijders. De verdienste van het boek voor mij persoonlijk is dan ook dat het mij terugvoert naar die jaren uit mijn leven, toen ik zelf ook met vallen en opstaan de nodige stappen naar de volwassenheid zette. Daar heeft een toekomstige lezer zonder mijn achtergrond weinig aan, maar ook dan geeft het boek genoeg aanknopingspunten om te lezen. Snijders beschrijft een leeftijdsfase die we allemaal hebben doorgemaakt en die voor ons allemaal even bijzonder en uniek was. Cor slaagt er goed in dat unieke duidelijk te maken, al was het alleen al door zijn omgang met de Surinaamse Naomi en het docentenechtpaar Allard en Cynthia, die hem een levenslange fascinatie met de Surinaamse cultuur opleverde. 

Ook dat is een raakpunt tussen Snijders en mij, de belangstelling voor Suriname. Ik heb dat prachtige, fascinerende land ook bereisd en mij via mijn Surinaamse vrienden, ja, inderdaad, leren kennen op de Dordtse GPA, verrijkt aan de Surinaamse cultuur. Dat in mijn persoonlijk leven Griekenland de grootste plaats ging innemen doordat ik aan de universiteit van Minnesota mijn Griekse vrouw leerde kennen, neemt niet weg dat Suriname altijd een belangrijke plaats in mijn leven heeft ingenomen en nog inneemt. Er is trouwens een opvallend aantal parallellen aan te wijzen tussen de Griekse en Surinaamse cultuur, maar dit terzijde.

De fameuze GPA, schrijf ik. Waarom wordt ook door Snijders duidelijk gemaakt. In de jaren zeventig was studeren aan de havo-top en PA een warm bad vergeleken met het onderwijs aan de doorgaans nog autoritaire, bekrompen, meer op cijfers, orde en braaf gedrag gerichte mavo's. Waarom rijdt Snijders dagelijks, nu ja, als hij niet bij Naomi of bij een bevriende docent overnacht, op zijn brommer het hele eind van Oud-Beijerland naar Dordrecht? Omdat een bekrompen, verzuurde mavo-directeur het 'doorleren' op de plaatselijke havo voor hem onmogelijk maakte. Dat bleek achteraf een zegen, schrijft Cor. Zelf werd ik op de mulo verkeerd voorgelicht door de schooldecaan, waardoor ik op die havo-top terechtkwam in plaats van op de HBS, iets wat voor mij achteraf ook een zegen was. Een school waar aandacht voor je was, waar je creatieve talenten werden gewaardeerd en je puberaal gedrag op begrijpende wijze werd gekanaliseerd en in een positieve richting omgebogen. Een school waar ik me geweldig thuisvoelde, al stond de mentaliteit van 'wij zullen jullie wel vormen' in mijn PA-jaren me weleens wat tegen. Honderd procent geweldig krijg je iets nooit.

De basis van ons latere succes, dat van Snijders en mij, typische stapelaars die uiteindelijk via de mulo/mavo, havo en hbo de universiteit afmaakten, werd gelegd op, ik zeg het nog eens, die fameuze GPA. Dat de gemeente Dordrecht, in de tachtiger jaren nauwelijks geïnteresseerd in hoger onderwijs in de stad, die prachtschool tenslotte heeft verkwanseld en ten onder laten gaan, is een verhaal voor een ander boek. 

Wat mij beslist heeft geraakt, is de ode die het boek ook is aan zijn vriend en leermeester voor het leven Pjotr, de man rechts op het voorplat, van wie Snijders geschiedenisles heeft gehad. Pjotr, in werkelijkheid Piet, waarom die russificering wordt in het boek duidelijk, is ook een van mijn beste vrienden en een aantal jaren waren we collega's. Hij is een van de mensen die mij hebben geïnspireerd geschiedenis te gaan studeren en met wie ik nog graag over ons vak praat. In het boek komt hij naar voren als een wijze, zeer erudiete man. Piet is iemand van wie ik ook nog altijd leer, een belezener mens ken ik niet, al is het wat dat betreft ook goed praten met Allard, eveneens nog steeds een van mijn beste vrienden.

Het verhaal van Cor Snijders is beslist de moeite waard, ook voor mensen die de stappen naar hun volwassenheid hebben gezet in Appingedam of Aardenburg, maar niet altijd makkelijk te volgen. Regelmatig worden personen opgevoerd met te weinig of geen introductie. Ik kan de draad dan meestal nog wel volgen, omdat ik de achtergrond, en veelal de mensen, ken, maar dat maakt het voor de lezer verwarrend. Om een voorbeeld te noemen: in het boek verkeert Snijders met drie bevriende oud-docenten, waar onder een zekere Jean, in een Rotterdams café. Jean tapt biertjes en staat achter de bar. Dan moet je toch voor de volledigheid vertellen dat Jean (misschien niet geheel toevallig mijn zeer gewaardeerde oud-directeur van de locatie Overkampweg van het Stedelijk Dalton Lyceum in Dordrecht) na zijn pensionering in zijn geboortestad Rotterdam een kroeg is begonnen. 

Over één ding moet ik Cor ernstig beknorren. In het begin van het boek citeert hij uit de Ode aan Dordrecht van Kees Buddingh', maar dat schrijft hij als Cees Buddingh. Voor wie het werk van Buddingh' kent is dat een soort doodzonde, maar gelukkig niet van invloed op de rest van het verhaal.


Cor Snijders, Abel ontwaakt. Uitgeverij Boekscout. Baarn 2022.


dinsdag 26 oktober 2021

De Kavafis van Thessaloniki




Tussen Thessaloniki en Athene bestaat een zekere mate van rivaliteit. De bewoners van de 'noordelijke hoofdstad' voelen zich soms tekort gedaan. Zo hoor je vaak gemor over het feit dat de metro van Athene, onder druk van de Olympische Spelen van 2004, relatief snel werd aangelegd, terwijl de bouw van die in Thessaloniki nog steeds een jarenlang, moeizaam slepend proces is. 


Ook op cultureel gebied voelt Thessaloniki zich door Athene tekort gedaan. De stad heeft onmiskenbaar een bloeiend cultureel leven, maar wie het als schrijver, zanger, acteur of beeldend kunstenaar echt wil maken, vertrekt vroeg of laat naar Athene. Wel kan Thessaloniki zich beroepen op het feit dat een van haar twee universiteiten, de Aristotelesuniversiteit, qua studenten de grootste is van Griekenland. 


Een dichter die zijn geboortestad Thessaloniki wel zijn hele leven trouw is gebleven, is Dinos Christianopoulos, pseudoniem van Konstantinos Dimitriadis (1931-2020). Christianopoulos stond vooral bekend om zijn non-conformisme en zijn soms tegendraadse gedrag. Zo weigerde hij in 2011 een belangrijke literaire prijs, vergelijkbaar met de P.C. Hooftprijs voor poëzie, omdat hij vond dat zulk eerbetoon de menselijke waardigheid aantastte. Dat doet aan W.F. Hermans denken, die de PC Hooftprijs weigerde omdat hij het bedrag toentertijd beledigend laag vond. 


De rode draad in de poëzie van Christianopoulos is zijn pijnlijke zoektocht naar de homoseksuele liefde, vaak in de krochten van de stad, waarbij de toon ligt tussen ironie en wanhoop. Onconventioneel, zeker voor Griekenland in de tweede helft van de vorige eeuw, was het openlijk belijden van de herenliefde, waardoor zijn werk vaak met dat van Kafavis wordt vergeleken, al spreekt uit diens poëzie meer een nostalgisch verlangen, dat je niet bij Christianopoulos vindt.


In 2001 stelde ik met John Heuzel de bloemlezing 'Kruispunt Internationaal' samen, een uitgave van het Vlaamse tijdschrift Kruispunt. Hiervoor vertaalden Stella Timonidou en ik vijf gedichten van Christianopoulos uit zijn verzamelbundel Poëmata (Thessaloniki 1998). Dat bracht ons met hem in contact. Hij ontving zelden mensen bij zich thuis, dus vond de afspraak plaats in de toenmalige boekhandel Rajas in de Ermou, waar zich regelmatig schrijvers en dichters verzamelden en die voor Christianopoulos ook als een soort postadres functioneerde. Wij hadden ons schrap gezet voor een ontmoeting met een lastige, uiterst kritische dichter. We troffen een man die weliswaar sterk van zijn eigen gelijk was overtuigd, maar niettemin beminnelijk overkwam. Hij gaf ons een dringende raad: 'Ga nooit met een grote uitgever in zee.' Hij had dan ook in 1958 zijn eigen uitgeverij, Diagonios, opgericht. Zijn waardering voor onze vertalingen uitte hij door Stella's editie van zijn verzamelbundel voor ons te signeren.


De laatste keer dat ik Christianopoulos ontmoette was een jaar of vier geleden, bij een boekpresentatie in het centrum van Thessaloniki, niet ver van de iconische Witte Toren. Hij was niet meer de krachtige figuur uit 2001, maar maakte een vermoeide, fragiele indruk. Toch was zijn geest nog vlijmscherp, wat bleek uit de vragen die hij aan de inleider stelde. Daarna verstomde het contact. Op 11 augustus kwam het bericht dat hij op 89-jarige leeftijd was overleden.


Eerder gepubliceerd in Griekenland Magazine, herfst 2020.


woensdag 21 juli 2021

De tijd zal het leren




Het is een genoegen om met Frederiek Lommen virtueel door Griekenland op reis te gaan, ook al luidt de titel van haar boek Het verdriet van Griekenland en vraag je je aan het einde van de reis af of het ooit nog wel goed komt met het land. Dat genoegen komt vooral voort uit de aangename verteltrant van Lommen, het feit dat ze van de actualiteit van de afgelopen twaalf jaar goed op de hoogte is en dat ze een fijn oog heeft voor details en het menselijk aspect. Zo zit ze eens naast een honderdjarige Pontiër in het vliegtuig naar Parijs. Ze raakt met deze Michalis in gesprek en tekent in kort bestek zijn bijzondere levensverhaal op, dat een inspiratiebron zou kunnen zijn voor een boek à la Victoria Hislops The Thread.

Lommen begint haar inleiding in Ladádika, de havenbuurt van Thessaloniki, waarin ik een zweem van optimisme ontdekte als ze schrijft over jonge, Griekse ondernemers die tegen de verdrukking in het heft in eigen handen nemen en proberen nieuwe initiatieven te ontplooien. Daarna schrijft ze over de euforie van 2004, het winnen van het EK-voetbal door de Grieken en de Olympische Spelen van dat jaar, evenementen die ik in Griekenland aan den lijve heb meegemaakt. Na de EK-finale barstte een waar volksfeest los in onze wijk in Thessaloniki en met enige regelmaat zag ik een van mijn zwagers op de televisie in actie als hoofdscheidsrechter bij een aantal atletiekonderdelen. Dat voor de vele vrijwilligers geen plek was in het Olympisch dorp en dat die in sommige gevallen in kazernes op uren rijden van Athene werden ondergebracht, is maar bij weinigen bekend. Wat er uiteindelijk van veel Olympische locaties terecht is gekomen en hoe de kosten uit de hand bleken te zijn gelopen, maakt Lommen pijnlijk duidelijk. De euforie was al snel voorbij.

Het verdriet van Griekenland is een rijk boek, in de zin dat zowat alle problemen die het land teisterden en nog teisteren de revue passeren, van de eurocrisis tot en met de vluchtelingencrisis. Hoewel ze enerzijds diepe sympathie voor de Grieken toont, spaart ze hen niet. Ze beschrijft bijvoorbeeld het waanzinnige consumentisme dat uitbrak na de toetreding tot de euro, het lenen, lenen, lenen van overheid en burgers, als een van de belangrijkste oorzaken van de crisis, evenals het stemmen kopen met overheidsbanen tijdens het premierschap van Andreas Papandreou, waardoor het, overigens terecht ook als zwak en incompetent beschreven, overheidsapparaat tot relatief reusachtige proporties uitdijde. 

Het gaat, onder veel meer, over de uitzichtloze positie van veel Roma, de opkomst van het neo-nazisme, de immigratiegolf, de hopeloze toestand van het universitair onderwijs, de braindrain, het optreden van de Trojka en de 'steunpakketten' voor Griekenland, die het land schier onherstelbare schade hebben toegebracht. Te veel om op te noemen. Het ene ogenblik word je weggestuurd bij het hek van een goudmijn in Halkidiki, het andere ogenblik kruip je met Frederiek door een gat in het hek rond het vluchtelingenkamp op het vroegere Atheense vliegveld Ellinikon. Dan weer komt het milieu aan bod, op een ander ogenblik het terrorisme.

Wie niet vaak in Griekenland komt en niet al het een en ander van het land weet, moet het weleens duizelen, maar dat duizelen is beslist de moeite waard. Er is weinig uit de actualiteit dat Lommen ontgaat. Toch wil ik enkele kritische kanttekeningen plaatsen. In het hoofdstuk over haar bezoek aan het Joods Historisch Museum(pje) in Athene noemt ze op bladzijde 60 een getal van 50.000 uit die stad gedeporteerde Joden. Dat moet een vergissing zijn. Volgens het Joods Wereldcongres bevonden zich bij aanvang van de deportaties ongeveer 10.000 Joden in Athene, deels gevlucht uit andere plaatsen in Griekenland. Daarvan is ook nog een aantal door Griekse burgers uit handen van de Duitsers gered. Jammer dat ze niet schrijft over het veel grotere Joods Historisch Museum van Thessaloniki, een stad waar zich voor de Duitse bezetting een veel omvangrijkere Joodse gemeenschap bevond dan in Athene.

Als ze het over de verhouding Griekenland - Turkije heeft, schrijft ze op bladzijde 214 dat 'de Grieken zich na een lange reeks oorlogen begin 19e eeuw hadden weten af te scheiden.' Een onafhankelijkheidsstrijd die bestond uit een reeks gewapende conflicten zou er nog mee door kunnen, maar een lange reeks oorlogen? Ze stelt Mustafa Kemal verantwoordelijk voor de Pontische genocide, die zou zijn begonnen na de Griekse bezetting van Smyrna in 1919, terwijl de architect van de genocide op Armeniërs, Pontiërs en andere christelijke gemeenschappen in Turkije, die al begon in 1915, in de eerste plaats Talaat Pasja was. Dat het na de Griekse onafhankelijkheidsstrijd 'nooit meer goed is gekomen' tussen Griekenland en Turkije, doet geen recht aan de geschiedenis, die wel wat genuanceerder is. De verschrijving op bladzijde 23 (1821 in plaats van 1832) vergeef ik haar graag, want in de nuttige jaartallenlijst voorin staan die data wel correct. Bij het Verdrag van Lausanne mochten ook de Grieks-orthodoxen op de eilanden Imbros en Tenedos in Turkije blijven. Tenslotte: op pagina 65 is een stukje tekst weggevallen, dat kan misschien bij de derde druk worden hersteld.

Het zijn relatieve kleinigheden. Al met al heeft Frederiek Lommen een boek geschreven dat een schat aan informatie bevat, dat leest als een trein, maar dat allesbehalve vrolijk maakt, omdat het je confronteert met, letterlijk, het verdriet van Griekenland. Of het ooit met dat prachtige land goed komt? De tijd zal het leren.


Frederiek Lommen - Het verdriet van Griekenland. Passionate Nomads 2021.



zaterdag 17 juli 2021

Indianenverhalen en mythen




Een goede vriend wees mij op de biografie van Eleanor of Aquitaine door Alison Weir, een al wat ouder boek, oorspronkelijk gepubliceerd in 1999 door Jonathan Cape en in 2007 heruitgegeven door Vintage. Ik ben, in wat ook al een wat grijzend verleden begint te worden, afgestudeerd in de contemporaine geschiedenis, maar ook zeer geïnteresseerd in andere perioden van het verleden. Ik ben een schoenmaker die zich liefst van diverse leesten bedient en dus volgde ik het advies op om het boek te lezen.

Laat ik met het positieve beginnen. Weir kan schrijven. Ze is in staat een meeslepend verhaal op papier te zetten en zelfs glimpen van Eleanor te laten zien in perioden dat zij weinig, of in het geheel niet in het bronnenmateriaal voorkomt. Ik ben van mening dat geschiedschrijving ook een vorm van literatuur bedrijven is, maar het moet wel geschiedenis blijven en dus moet het verhaal steunen op goed bronnenonderzoek. Het zelf invullen van blinde vlekken ten behoeve van het verhaal moet worden gemeden.

In eerste instantie kreeg ik de indruk dat Weir inderdaad stevig bronnenonderzoek heeft gedaan, maar al lezende begon het hier en daar te kriebelen en tenslotte rees bij mij de vraag of ze wel kritisch genoeg met haar bronnen is omgegaan. Ik heb er een artikel bij gepakt waarin Ralph V. Turner, emeritus hoogleraar geschiedenis aan de Florida State University in Tallahassee over Eleanor schrijft1. Turner publiceerde zelf in 2011 een veelgeprezen biografie over haar. In het bewuste artikel gaat het er onder meer om hoe Eleanor aan haar slechte reputatie komt en welke indianenverhalen en mythen zich in de loop der tijd rondom haar nagedachtenis hebben gevormd. 

Eleanor kwam krachtig op voor haar rechten als erfgenaam van het hertogdom Aquitanië, en later voor het erfgoed van haar zonen, wat leidde tot een breuk met haar eerste echtgenoot, Lodewijk VII van Frankrijk en met haar tweede man, koning Hendrik II van Engeland. Dat was onvoorstelbaar voor een vrouw in de twaalfde eeuw, een tijd die in de woorden van Turner 'submissiveness demanded of wives by a male dominated Church and a militarized aristocracy'. In 'a culture of honor and shame,' schrijft Turner, wordt over vrouwen die zich allerminst onderdanig opstellen al snel gezegd dat hun handelen te wijten is aan 'irrational, sentimental or libidous motives.' Hij noemt een aantal voorbeelden uit bronnen die Weir ook heeft gebruikt, maar waarbij zij dit onvoldoende onderkent. Zo noemt zij de 'adulterous affair' met haar oom Raymond van Antiochië weliswaar niet bewezen, maar wel aannemelijk, evenals de veronderstelde affaire met de vader van Hendrik II, zaken die Turner naar het rijk der fabelen verwijst. Zo neemt ze meer vooroordelen geheel of deels over, waardoor ik aan het verhaal van Weir begon te twijfelen, al bestempelt ze soms ook wel eens iets als een mythe, bijvoorbeeld het bestaan van 'love courts' aan het hertogelijk hof van Eleanor. Daar bloeide wel de troubadourscultuur die in het teken stond van de hoofse liefde, maar niet de carnale interpretatie die het verhaal van de 'love courts' oproept.

Er staat ook een aantal fouten en merkwaardigheden in het boek. Zo noemt ze op bladzijde 68 de beroemde sultan Saladin een 'Turkish Emir'. Nu bestaat over wat Saladin was onder de geleerden onenigheid, aldus een door mij geraadpleegd mediëvist, maar hij was in ieder geval geen Turk. Weliswaar was de uit Centraal-Azië afkomstige, Turkse stam van de Seldsjoeken na de slag bij Manzikert (1071) bezig aan een opmars in het Byzantijnse rijk, maar daar hoorde Saladin niet bij. Consequent noemt ze iedere moslim die ze tegenkomt een 'Turk', zo ook de islamitische inwoners van Sicilië, die duidelijk van Arabische afkomst waren, alsof ze vast vooruitblikt naar het veel later door de Osmaanse Turken ingevoerde millet-systeem.

Weir beweert ook dat Jeruzalem, na de verovering door Saladin (1187) tot in de twintigste eeuw in 'Turkse' handen zou blijven, waarbij ze de kortstondige periode (1229-1244) dat de stad, door toedoen van keizer Frederik II, weer even in christelijke handen was, voor het gemak maar overslaat. Even later laat ze Richard I (Leeuwenhart, een zoon van Eleanor) op de terugweg van de derde kruistocht landen in Pisa, om hem vervolgens door een stormwind naar Corfu te laten blazen, iets wat geografisch nogal onwaarschijnlijk is. Nadat Richard uit zijn Duitse gevangenschap terugkeert naar Engeland, overigens in gezelschap van de inmiddels voor een twaalfde eeuwse dame hoogbejaarde Eleanor, maakt hij kennis met 'de hertog van Leuven'. Hiermee bedoelt ze naar alle waarschijnlijkheid de hertog van Brabant. Onder keizer Frederik Barbarossa werd de graaf van Leuven namelijk verheven tot hertog van Brabant.

Eleanor komt in het verhaal van Weir naar voren als een zeer belangrijke, misschien wel de belangrijkste, middeleeuwse vorstin, met een wel buitengewoon bewogen leven. Uniek voor een twaalfde eeuwse hoogadellijke vrouw. De vraag is echter of we de historische Eleanor wel op de juiste wijze hebben leren kennen. Daarvoor is meer kritische zin nodig, het vermogen vooroordelen uit bronnen te filteren en minder slordigheid wat betreft de historische feiten. Door het boek heb ik echter wel veel zin gekregen om naar de echte Eleanor of Aquitaine op zoek te gaan.


Alison Weir - Eleanor of Aquitaine. By the Wrath of God, Queen of England. London (1999) 2007.


1. Ralph V. Turner - Eleanor of Aquitaine. In: Groniek nr. 198 (2013) p. 23-33. 


woensdag 7 juli 2021

Een oorlog die nooit overgaat




Joyce de Bos, auteur van Ik vertrouw je tot vandaag, is in hetzelfde jaar geboren als mijn jongere zus. We behoren, als late babyboomers, tot dezelfde generatie en dus groeiden we op in een tijd waarin de Tweede Wereldoorlog vanzelfsprekend een grote rol op de achtergrond speelde. Voor mij, geboren in 1951, was de oorlog aanvankelijk iets uit de oudheid, maar naarmate ik ouder en bewuster werd, kwam hij almaar dichterbij en niet alleen omdat ik geschiedenis ging studeren.

Voor mijn ouders betekende de oorlog een waterscheiding. Ze hadden het er weliswaar regelmatig over, maar ze dachten over hun leven vooral in termen als 'voor de oorlog' en 'na de oorlog'. Anders dan Joyce de Bos zie ik mezelf niet als een tweede generatie oorlogsslachtoffer. Ja, er is in de familie het mysterie van de oudste broer van mijn grootvader, die in 1942 ergens in Saksen-Anhalt is doodgeschoten, maar waarvan niemand het hoe en waarom weet. 'Oorlogsslachtoffer' staat bij zijn naam op het ereveld van Loenen, waar hij ligt begraven en daar moeten we het voorlopig mee doen.

Ja, mijn vader werd als jongen bij een razzia opgepakt en tewerkgesteld in Duitsland, maar daar bleek hij vanwege zijn gezondheid al snel meer een last dan een gemak. De Duitsers stuurden hem naar huis. Hij meende dat zijn uitstekende Duits daar misschien een rol in heeft gespeeld. Over de wijze waarop hij werd behandeld zweeg hij verder. Een keer heb ik hem ontdaan gezien, toen hij in een Duitse douanier een man dacht te herkennen die hem had mishandeld. Verder gingen zijn oorlogsverhalen vooral over het bombardement op Rotterdam en de hongerwinter.

Ja, er waren de verhalen van mijn moeder over een omgekomen Joodse huisvriend, over het onderduiken van mijn oom in het verre Arnhem, vanwege een NSB'er in de straat, en over de verloofde van mijn tante, die pal na de bevrijding bezweek aan tuberculose, maar al met al kwam de familie er redelijk vanaf.

Bij Joyce de Bos ligt dat heel anders. In haar autobiografische roman verhaalt ze over haar zoektocht naar de oorlogservaringen van haar vader, voor zover hij daar zelf niet over vertelde. Die ervaringen zijn heftig, heel heftig. Het lijkt een wonder dat hij als jongen de oorlog heeft overleefd. De vernederingen en mishandelingen die hij onderging drukten niet alleen een levenslang stempel op hem, maar ook op zijn gezin. Uiteindelijk loopt zijn huwelijk erop stuk.

De roman illustreert het feit dat de Tweede Wereldoorlog het leven van de tweede generatie slachtoffers diepgaand kan beïnvloeden, om van de eerste niet te spreken. De relatie van Joyce met haar vader kent zowel tedere als dreigende, warme en schokkende momenten en wordt bij het ouder worden steeds sterker door vaders oorlogsverleden bepaald. Uiteindelijk worden de herinneringen zo bitter en pijnlijk, dat zijn leven ondragelijk wordt en hij kiest voor euthanasie.

Het verhaal is enerzijds fascinerend, anderzijds schokkend om te lezen. Misschien had de schrijfster er goed aan gedaan om zich hier en daar, met name in de slotscènes van het boek, wat minder te verliezen in details. Suggestie in plaats van expliciet benoemen kan een vertelling soms ten goede komen. Dat doet echter niets af aan het feit dat het boek je net als in een goede film meesleurt, waarna je aan het einde, als het doek valt, een tijdje moet bijkomen van alle emoties. Ik besefte na de laatste bladzijde dat niet iedere babyboomer de oorlog even goed doorkomt.


Joyce de Bos - Ik vertrouw je tot vandaag. Avenir Publishing 2021.