dinsdag 22 juni 2021

Over een moord en een slimme publiekstrekker




Op de lagere school moesten wij het, wat de geschiedenislessen betreft, doen met de verhalen van de meester en twee flinterdunne boekjes van G. Prop, getiteld Vaderlandse geschiedenis in woord en beeld. In deel 1 behandelde Prop de geschiedenis vanaf de Hunebedbouwers tot en met de dood van Willem de Zwijger. Ook de Hollandse graaf Floris V kwam aan bod. Over hem meldt Prop op pagina 31 van mijn 16e druk (1958):


1. Willem II, graaf van Holland, was door de Duitse vorsten tot Rooms-Koning gekozen; als hij te Aken zou gekroond zijn, was hij keizer geworden; maar in 1256 sneuvelde hij tegen de West-Friezen.

2. Zijn zoon Floris V was de vriend der dorpers en poorters, welke hij beschermde tegen de edelen, die alle mindere volk minachtten: ze noemden Floris spottend: "der kerelen God".

3. Daarom haatten de edelen hem: vooral, toen hij van sommigen het land afnam en 't hun slechts in leen teruggaf. (De graaf heette dan leenheer, de edele leenman).

4. Na een feest te Utrecht namen een aantal ontevreden edelen, o.a. Gerard van VelzenGijsbrecht van Amstel en Herman van Woerden, de graaf gevangen.

5. Ze wilden hem naar Engeland laten brengen, maar toen het landvolk in grote groepen kwam aanlopen, vermoordden de edelen Floris V (1296).




Prop toon zich een meester in de beperking. We vergeven hem graag het foutje 'namen een aantal'. Sprekend verslik ik me ook weleens in dat vaak als meervoud aangeziene enkelvoud, maar ondertussen zat ik als in geschiedenis geïnteresseerde schooljongen wel vast aan dat beeld van die kerelen God, die door ontevreden edelen in het aanzicht van het aanlopende landvolk aan zijn einde kwam. 

Toen ik wat jaren later naar de Pedagogische Akademie ging, om zelf bekwaam te worden in het lesgeven in, onder veel meer, de vaderlandse geschiedenis, gaf Dr. A. van Hulzen in deel 1 van zijn Vaderlandse Geschiedenis (Groningen 1970) een completer beeld van Floris V, uitgaande van wat men toen dacht te weten: Floris was er vooral op uit om de grenzen van zijn graafschap te verleggen. 

Dat laatste nu, blijkt mediëvist Henk 't Jong, in zijn onlangs verschenen boek De tombe van Floris V, niet te onderschrijven. Hij komt tot de conclusie 'Dat hij [Floris V - KK] een behoorlijke invloed heeft gehad op de groei van zijn graafschap, zonder dat er een uitgewerkt plan klaarlag om land te veroveren, zoals in de schoolboekjes en de Canon wordt gesuggereerd' (p. 198)En dat al niet eens meer in de jongste versie van de Canon van de Nederlandse geschiedenis, waaruit Floris V is geschrapt.

In de ogen van 't Jong was Floris V iemand die een rol speelde 'als typisch middeleeuwse vorst met wie dingen gebeurden in plaats dat hij ze veroorzaakte'. In zijn boek stelt Henk 't Jong, op grond van uitgebreid bronnenonderzoek, het niet geheel juiste beeld bij dat wij hadden van deze belangrijke zoon van rooms-koning Willem II. Hij doet dat, zoals we van hem gewend zijn uit zijn eerdere boeken (over het graafschap Holland en over Dordrecht, in de middeleeuwen lange tijd de belangrijkste stad van dat graafschap), in eenvoudige, duidelijke taal, waarin overbodig jargon wordt vermeden, zodat het verhaal ook voor de belangstellende leek begrijpelijk is. Het boek is ruim geïllustreerd, waarbij 't Jong, ook heraldicus, zelf een aanzienlijk deel voor zijn rekening neemt.

De tombe van Floris V gaat niet alleen over het leven en de betekenis van Floris, maar, de titel zegt het al, ook over zijn tombe. Die staat namelijk in de Sint-Laurenskerk in Alkmaar, maar er is iets vreemds mee aan de hand. Volgens de bronnen is de graaf niet in Alkmaar begraven, maar in Rijnsburg. Hij zou wel direct na zijn gewelddadige dood naar Alkmaar zijn gebracht en daar opgebaard hebben gelegen. Bij die gelegenheid zou hij zijn gebalsemd. Een inscriptie van zo'n twee eeuwen later vermeldt dat in de Alkmaarse kerk de ingewanden van de graaf begraven zijn. Inscriptie en tombe dateren van kort nadat de kerk in 1468 door een omvallende toren zo werd beschadigd dat hij opnieuw moest worden opgebouwd. Dat er sprake was van het begraven van ingewanden op de ene en het lichaam op een andere plaats, acht 't Jong niet aannemelijk. Wel dat hier waarschijnlijk sprake is van wat we heden ten dage een slimme truc zouden noemen om publiek te trekken. De wederopbouw van de kerk was immers een dure zaak.

In De tombe van Floris V leren we niet alleen een andere Floris kennen dan die uit de schoolboekjes, maar we komen ook het nodige te weten over zijn intelligente manier van besturen en zijn rol in de internationale diplomatie. Het op het oog nietige Holland en zijn op tragische wijze omgekomen graaf speelden daarin een niet onbelangrijke rol. Het verhaal van de tombe is daarbij intrigerend en hier ontpopt 't Jong zich als een zorgvuldig speurende detective. Zijn kritiek op sommige van zijn voorgangers, en vooral op de schoolboekenschrijvers, snijdt hout. Dat is allemaal op prettige wijze te lezen in een boek dat mij van begin tot einde heeft geboeid.

Henk 't Jong - De tombe van Floris V. Het tragische einde van de graaf van Holland. Omniboek, Utrecht 2021.

zondag 20 juni 2021

Het berouw van Henry VIII




De lijvige biografie van Thomas Cromwell (1485-1540), geschreven door de Oxfordse hoogleraar in de kerkgeschiedenis Diarmaid MacCulloch, vereist niet alleen enig zitvlees, maar de lezer moet beschikken over een behoorlijke kennis van de geschiedenis van England onder de Tudors en niet bang zijn van enige details. Bij de gemiddelde lezer zal Thomas Cromwell, overigens geen directe voorzaat van Oliver Cromwell, de latere Lord Protector van Engeland, kennen van de trilogie door Hilary Mantel. Mantel heeft voor die serie uitstekend onderzoek gedaan, maar het blijft fictie. Met Thomas Cromwell. A Revolutionary Life beschikken we over een wetenschappelijk verantwoorde levensbeschrijving van deze uitzonderlijke dienaar van koning Henry VIII (1491-1547).


In zijn studie legt MacCulloch de nadruk op de carrière die Cromwell maakte, aanvankelijk als dienaar van kardinaal Wolsey en, nadat deze in ongenade was gevallen, van Henry VIII. De jeugdjaren van Cromwell komen slechts aan de orde waar dat relevant is voor zijn latere carrière, zoals zijn Italiaanse connecties. Cromwell valt op door zijn tomeloze energie en uitzonderlijke, bestuurlijke talenten, waarbij hij, ondanks zijn groeiende macht en invloed, aanvankelijk buiten de schijnwerpers wist te blijven. Vrij laat in zijn carrière werd hij verheven tot baron Cromwell of Wimbledon en in het jaar van zijn dood, 1540, werd hij earl of Essex. Van meer belang waren de ambtelijke functies waarin hij stap voor stap werd benoemd en die getuigden van zijn groeiende macht en invloed. Als Lord Privy Seal werd hij de belangrijkste adviseur van de nogal wispelturige en soms overhaast oordelende Henry VIII.


Cromwell speelde een grote rol in de scheiding van Henry VIII van Catharina van Aragon en het totstandkomen van het huwelijk met Anne Boleyn, waardoor er uiteindelijk een scheuring ontstond tussen de Engelse kerk en Rome. De Anglicaanse kerk die zich daaruit ontwikkelde draagt volgens MacCulloch in sterke mate het stempel van Cromwells bemoeienissen. Een en ander betekende ook dat onder zijn leiding de geleidelijke ondergang van het Engelse kloosterleven een feit werd, een ontwikkeling die de kroon geen windeieren legde. 


Thomas Cromwell speelde ook een belangrijke rol in de val van Anne Boleyn. Nadat de moeder van de latere koningin Elizabeth I wegens hoogverraad in 1536 werd onthoofd, trouwde Hendrik nog hetzelfde jaar met Jane Seymour. Saillant detail: Cromwells zoon Gregory zou een jaar later trouwen met haar zuster Elizabeth, waardoor hij een zwager van de koning werd en oom van de latere koning Edward VI. De Lord Privy Seal was echter ook verantwoordelijk voor het ongelukkige huwelijk van Henry VIII met Anna van Kleef (1540) en die bemoeienis zou uiteindelijk leiden tot zijn val en executie wegens hoogverraad op 28 juli 1540.


Een van de grootste verdiensten van Cromwell is volgens MacCulloch de rol die hij toebedeelde aan het parlement. Waar in de loop van de zestiende eeuw de invloed van veel uit de middeleeuwen stammende parlementen tanende was, door een opkomend centralisme onder de vorsten, was dat bij het Engelse, mede onder invloed van Cromwell, niet het geval en bleef het een factor van betekenis. De val van Cromwell, mede bewerkstelligd door enkele gezworen vijanden, zoals de hertog van Norfolk en Stephen Gardiner, de conservatieve bisschop van Winchester, betekende dat Henry VIII zichzelf beroofde van zijn meest capabele bestuurder. Dat hij spoedig spijt kreeg van zijn ondoordachte optreden, leidt MacCulloch af uit het feit dat niet alleen op allerlei terreinen het door Cromwell ingezette beleid werd voortgezet, maar dat ook zijn belangrijkste dienaren, zoals sir William Cecil and sir Ralph Sadler, hun posities aan het hof behielden. Zijn zoon, baron Gregory Cromwell, raakte na de executie van zijn vader niet uit de gunst bij Hendrik VIII.


MacCullochs studie mag met recht een monumentaal werk worden genoemd, dat berust op uitgebreid bronnen- en literatuuronderzoek en dat naar mijn mening nog vele jaren hét standaardwerk over Thomas Cromwell als rechterhand van Henry VIII zal blijven.


Diarmaid MacCulloch - Thomas Cromwell. A Revolutionary Life. 728p. Viking. New York 2018.

dinsdag 13 april 2021

Jezelf ontplooien in alle vrijheid




Het debuut van Lale Gül heeft nogal wat stof doen opwaaien. Met grote gretigheid hebben de media zich gestort op deze autobiografische roman, die moeiteloos past in de Nederlandse traditie van schrijvers die zich afzetten tegen het milieu waarin ze opgroeiden. Meestal is dat een orthodox gereformeerd milieu, in dit geval een streng islamitisch. Dat laatste verklaart wellicht die opvallende gretigheid. Het komt niet vaak voor dat een vrouw met een dergelijke achtergrond de moed opbrengt een boek te schrijven waarin de worsteling met haar milieu en de drang zich daaruit te bevrijden op weinig verhullende wijze wordt verwoord. De gevolgen daarvan kunnen zeer ingrijpend zijn. Lale is inmiddels door allerlei zeloten en extreem nationalisten bedreigd en woont niet meer thuis.

Ik vind het relaas bij tijd en wijle hartverscheurend en denk dat Lale het in zich heeft om uit te groeien tot een belangrijke schrijfster. Enerzijds leest haar boek als een trein, om maar eens een cliché te gebruiken, anderzijds laat ze soms wel een steekje vallen. Ze komt nu en dan met stevige en behartenswaardige uitspraken, zoals 'Als je religieus bent, ben je geen persoon; je tracht welbewust een soort karikatuur te worden.' Vervang religieus door fundamentalistisch en de spijker wordt op de kop geslagen, maar dat je dat moet doen, toont meteen een zwakheid van het verhaal: er wordt te sterk in veralgemeniseerd. 

Ik heb me laten meeslepen door het verhaal van Büsra, een jonge vrouw die snakt naar bevrijding uit de verstikkende sociale controle en de diep frustrerende opvattingen van de schaamtecultuur waarin ze opgroeit. Sommige passages zijn hilarisch, bijtend kritisch, vooral waar het om de rol van de man, de onderdrukker gaat. Guls kritiek op de domheid, de achterlijkheid waarmee Büsra wordt geconfronteerd, is vlijmscherp, maar tegelijkertijd schildert ze de dingen soms te karikaturaal. Misschien omdat ze zich een goede leerlinge van Multatuli betoont. Bijvoorbeeld in passages waarin zij zich rechtstreeks tot de lezer wendt en wat te denken van 'imam Wawelaar'?

'Weinig zaken snijden dieper dan de ernst van een goede grap,' schrijft ze op bladzijde 15. Het boek is niet gespeend van humor. Haar beschrijving van het dorp van herkomst van Büsra's ouders, die ze consequent de verwekkers noemt, is daar een prachtig voorbeeld van. Aan de andere kant doet Lale het verhaal te kort door slordigheden, onwaarschijnlijkheden en soms overtrokken taalgebruik zoals: 'Ik sta in de keuken linzensoep te componeren...'. Dat is misschien nog niet eens zo onaardig gevonden, maar over Büsra's bibliotheekbezoek schrijven: 'Ik had alle schappen op een gegeven moment uitgespeeld' is iets te gewild. De beschrijving van wat de ontdekking van de bibliotheek voor Büsra betekent, vind ik overigens zeer overtuigend. Minder te spreken ben ik over: 'Het notabele is dat er wijnglazen en luxe wijnflessen van Moêt op tafel staan' en ik hoor de juf van een koranschool echt niet: 'de geleerden divergeren van mening' zeggen. 

De gesprekken van Büsra's medeleerlingen, vwo-ers op Romereis, zijn nogal ongeloofwaardig en van de wijze waarop volgens haar die reis werd georganiseerd (uiteindelijk moesten de leerlingen zelf maar een hotel uitzoeken, een goedkoop vlooienkot met bedwantsen, waaruit de begeleidende docenten terstond vertrokken naar een luxer logies) geloof ik geen woord, maar knap en dodelijk scherp is dan wel weer de manier waarop de hypocrisie van de fundamentalisten aan de kaak wordt gesteld. Het is in die kringen de schijn ophouden van heb ik jou daar. 

Mooi is dat ze haar relaas afsluit met een lang, verhalend gedicht, maar ik heb er toch een beetje moeite mee dat Büsra het uitmaakt met haar geheime, Nederlandse relatie, Freek, en vervolgens wel besluit om voortaan geen hoofddoek meer te dragen, wat een soort bomexplosie in de familie veroorzaakt. 

De essentie van deze roman is dat een dappere, boze, jonge schrijfster er een drama in verwoordt, waarin de hoofdpersoon niet de ruimte wordt gegeven om te doen waarom het, in haar eigen woorden, in het leven draait, namelijk 'jezelf zoeken, jezelf vinden, jezelf zijn en jezelf ontplooien in alle vrijheid.'

Het boek eindigt met 'Wordt (waarschijnlijk) vervolgd.' Ik hoop het.

Lale Gül, Ik ga leven. Prometheus, Amsterdam 2021



dinsdag 12 januari 2021

In het ootje genomen




Eigenlijk verdient het plaatjesboek zonder plaatjes (want die moet de lezer zelf sparen) dat een paar dagen geleden in mijn brievenbus rolde geen enkele aandacht, ware het niet dat de gemeente Dordrecht er veertigduizend euro in heeft gestoken, in het kader van de viering van '800 jaar' Dordrecht. Er is niets mis met aandacht vragen voor de rijke geschiedenis van Dordt, maar wel als dat gebeurt in de vorm van een gedeeltelijk door gemeenschapsgeld gesponsord niemendalletje waarin nogal wat onzin over de geschiedenis van de stad staat. Platitudes en bombastische pocherij rijgen zich aaneen, waardoor de indruk wordt gewekt dat Dordrecht zich nogal als een opscheppertje manifesteert. 

Dat er wat druk- en taalfouten in staan (bijvoorbeeld 'Vrij Statenvergadering', een pand die is gerestaureerd, hoofstraten) ach, dat kan gebeuren. Weinig boeken zijn foutloos, al duidt het wel op een slordige redactie. Wie is die redactie eigenlijk, vroeg ik mij af. In het colofon staat: 


'Tekst- en beeldredactie:

Regionaal Archief Dordrecht, Gemeente Dordrecht, Het Dordt Boek, Ach Lieve Tijd, Dordrecht Marketing'


Geen enkele naam dus van degenen die verantwoordelijk zijn voor de inhoud. Wel het Regionaal Archief, waarvan ik me niet kan voorstellen dat het voor zo'n schaamteloos domme tekst verantwoordelijkheid zou willen nemen. De Gemeente Dordrecht? Hoe dan? Wie dan? Het Dordt Boek? Zouden de auteurs daarvan eigenlijk wel weten dat ze hieraan hebben meegewerkt en zo ja, schamen ze zich dan de ogen niet uit het hoofd? Ach Lieve Tijd? Dat is een interessante verzamelband van katernen over de Dordtse geschiedenis van Uitgeverij Waanders en wat toen nog het Gemeentearchief Dordrecht heette uit de tijd van burgemeester Jan Noorland, die dat ambt van 1985 tot 2000 bekleedde. Hoezo Ach Lieve Tijd? En dan Dordrecht Marketing. Wie van Dordrecht Marketing? Iemand die echt iets meer weet van de stadsgeschiedenis dan wat reclamekreten? Ik krijg enigszins kriebels over mijn rug, dat gebeurt vaker als ik de indruk heb dat ik in het ootje word genomen.

In het colofon staat ook nog dat het 'concept' en de 'productie' in handen waren van Tomorrow, Rotterdam, een bureau dat zich toelegt op lokale promoties. Op hun website vind je het kant en klare concept Verzamel historie van jouw plaats. We weten dus in ieder geval dat de betrokken supermarkten en Dordrecht Marketing het niet zelf hebben verzonnen. Ik ben er niet bij geweest, maar mag ik vrezen dat een enthousiaste amateur van Tomorrow verantwoordelijk is voor de bedroevende inhoud van dit plaatjesboek Dordrecht 800 jaar?


Veertigduizend gemeentelijke euro's, dat is niet niks, dan verwacht je enige kwaliteit, maar wat krijg je? Allereerst de onwaarheid dat Dordrecht in 1220 stadsrechten kreeg van graaf Willem I. Inmiddels is door de Dordtse mediëvist Henk 't Jong overtuigend aangetoond dat het ging om een uitbreiding van al bestaande stadsrechten. Dordrecht is ouder dan 800 jaar, al 1000 geleden was er sprake van bewoning en het was hoogstwaarschijnlijk voor 1200 al een stad.

Ik zou bijna zeggen dat we 'natuurlijk' de foutieve voorstelling tegenkomen van de St. Elizabethsvloed van 1421. Dat er meerdere overstromingen waren en dat er niet in één klap een vloedgolf met duizenden slachtoffers over het land kwam is inmiddels op ruime schaal bekend, maar niet bij de makers van Dordrecht 800 jaar. Gezaghebbende of recente literatuur over de Dordtse geschiedenis (de driedelige Geschiedenis van Dordrecht, de serie Verhalen van Dordrecht, het boek De oudste stad van Holland van Henk 't Jong en de tijdschriften Oud-Dordrecht en Dordrecht Monumenteel) lijkt bij de makers onbekend. Dat is niet erg voor een reclamefoldertje, maar wel als dat in een luxe uitgave met gemeentelijke subsidie is gemaakt.


De makers zijn weinig consequent. Zo wordt ergens geschreven dat Dordrecht sinds 1421 een eiland is. Ergens anders zegt men dan weer dat Dordrecht altijd al een door water omspoeld eiland was. Eerst geen, dan wel en dan altijd een eiland en nog door water omspoeld ook. Toe maar.

Men gaat op thematische wijze door de geschiedenis. Dat is een keuze, maar het maakt de tekst warrig. En slordig. Op bladzijde 10 lezen we 'Sportverenigingen kwamen pas door de toename van de vrije tijd in onze eeuw tot ontwikkeling.'

Pardon, onze eeuw? Het lijkt alsof de makers even in het geschiedenisboekje hebben gekeken dat ze vroeger op de mavo gebruikten en klakkeloos een zinnetje hebben overgeschreven.

Iets natrekken doen ze ook niet. De toren van de Grote Kerk wordt trots schever dan de toren van Pisa genoemd. De Dordtse toren staat volgens de makers maar liefst twee meter uit het lood, 'waardoor deze zelfs schever staat dan de wereldberoemde Toren van Pisa' (blz. 32). Laat die wereldberoemde toren nu ongeveer 4,5 meter uit het lood staan.

Naarmate ik meer doorblader, zie ik meer treurigheid. Jawel, lees ik: 'De rol van Dordrecht in de vorming van de natie is groot' (blz. 29). En dan volgt uiteraard het aanvechtbare verhaal waarin het belang van de eerste 'vrije' statenvergadering nogal wordt overdreven en dat inmiddels door flink wat historici onderuit is gehaald. Op dezelfde bladzijde staat een warrig stuk over het stadsbestuur, waaraan geen touw is vast te knopen en lees ik: 'dat de grafelijkheid de stad in de beginjaren als volledig eigendom bestierde.' Zucht. Ga Henk 't Jongs De dageraad van Holland eens lezen, zou ik zeggen.

Op bladzijde 13 wordt gezegd dat Jan van Brabant in 1418 'de Dordtenaren vijf weken in het nauw' bracht. Ja, maar hij liep daarbij wel een bloedneus op. Een regel later laten ze de Watergeuzen wel de stad veroveren. Althans de tekst leidt tot die foute conclusie. Zo gaat het maar door. Wel de Dordtse Synode noemen (1618/19), maar met geen woord over de Remonstranten reppen. Over de nijverheid in de 17e eeuw schrijven en daarna de scheepswerven van Gips en Schouten noemen, zonder erbij te vermelden dat we het dan toch echt over de 19e eeuw hebben. Oranje Wit opvoeren als 'eerste voetbalvereniging met een levensbeschouwelijke achtergrond' (1925), maar geen woord wijden aan de echt oudste voetbalclub van de stad, DFC, dat is opgericht in 1883. 

Als de aanleg van de hogedrukwaterleiding wordt genoemd, vertel je er natuurlijk niet de belangrijkste aanleiding bij, de voortdurende cholera-epidemieën die in de zomers de stad teisteren. Zo kan ik doorgaan, maar het is wel genoeg. Over de reclamepagina's zwijg ik, het is tenslotte een reclameboekje dat zo snel mogelijk de papierbak in moet. De plaatjes zullen best mooi zijn, maar als ik een goed leesbaar, interessant en van mooie illustraties voorzien boekje over de geschiedenis van Dordrecht wil lezen, dan pak ik de Canon van Dordrecht van het Augustijnenhof wel, een mooie leidraad om je verder in de materie te verdiepen. De gemeente Dordrecht had er beter aan gedaan om die veertigduizend euro te besteden aan het huis-aan-huis verbreiden van dat leuke en nuttige boekje.





maandag 28 december 2020

Grieks-Macedonië museaal




Er wordt weleens gekscherend gezegd dat je in Griekenland maar een spade in de grond hoeft te steken om een archeologische vondst te doen. Dat daar iets inzit, blijkt uit de vele plaatsen waar je archeologische musea vindt. Sommige niet meer dan een huisje vol door elkaar staande vondsten met niet of nauwelijks uitleg, andere buitengewoon professioneel opgezet en uitstekend geoutilleerd. Griekenland heeft veel te bieden op museaal gebied en Thessaloniki en omgeving vormen daar geen uitzondering op. Graag neem ik buitenlandse bezoekers mee naar musea in de stad, zoals het Archeologisch Museum, het Byzantijns Museum, het Macedonisch Museum voor Moderne Kunst of het Joods Historisch Museum, maar er zijn er ook die ik liever mijd. Dat geldt voor het Oorlogsmuseum, maar vooral voor het Museum van de Macedonische Strijd. Dat staat bol van nationalistische heldenverering en er wordt, zacht gezegd, een nogal eenzijdige visie op de geschiedenis uitgedragen. 


Een museum waar ik regelmatig tegenover zit, als ik het mooie, Art Deco-café Prigkipos in de Apostel Paulusstraat bezoek, is het geboortehuis van Mustafa Kemal (beter bekend als Atatürk) naast het Turkse consulaat. Het is de plek waar in 1955 een bomaanslag werd gepleegd, die het begin inluidde van bloedige pogroms in Turkije, gericht tegen de Griekse inwoners van Constantinopel en de eilanden Imbros en Tenedos. Dat had te maken met problemen op Cyprus. Om het geboortehuis van Mustafa Kemal te bezoeken moet je een afspraak maken en op de een of andere manier ben ik daar nog steeds niet toe gekomen. Wel is het inmiddels een trekpleister geworden voor Turkse toeristen die in steeds grotere aantallen Thessaloniki bezoeken. De omliggende horeca speelt daar handig op in met menukaarten en aanbiedingen in het Turks en menige Griekse ober blijkt een aardig woordje Turks te spreken. Als historicus doet het me een beetje denken aan de meertalige, multiculturele stad die Thessaloniki in de Osmaanse tijd (1430-1912) was.


Een heel bijzonder museum vind je op ongeveer een uur rijden van Thessaloniki, in Vergina. Daar werd in 1977, tijdens opgravingen onder leiding van professor Manolis Andronikos van de Aristotelesuniversiteit, een aantal in goede staat verkerende graven ontdekt, waaronder zeer waarschijnlijk dat van koning Philippos II, de vader van Alexander de Grote. Doordat ze vrijwel ongeschonden waren en rijkelijk voorzien van goud- en andere schatten, geldt deze vondst als de belangrijkste in Griekenland, op de opgraving van Mycene door Heinrich Schliemann na. Veel voorwerpen bevonden zich tot 2000 in het Archeologisch Museum van Thessaloniki, maar sinds het gereedkomen van het museum in Vergina, is het meeste nu daar te zien.


Het bijzondere is dat het museum zich onder de, deels herstelde, grafheuvel bevindt waarin de tomben werden ontdekt. Je daalt letterlijk af naar de graven. Vochtigheidsgraad en temperatuur worden door een electronisch systeem geregeld, om met name de kwetsbare muurschilderingen in goede staat te houden. De vernuftige belichting, waardoor je in het halfduister loopt, terwijl de tombes en vitrines zijn uitgelicht, zorgt voor een bijzonder effect. Ik vind het, op het Akropolismuseum na, het mooiste en interessantste, Griekse museum dat ik tot nu toe bezocht. Ga er alleen niet eind april of begin mei, het schoolreisseizoen, naartoe want dan is het onmogelijk druk.

Foto: auteur

Eerder gepubliceerd in het Griekenland Magazine, winter 2019.


vrijdag 30 oktober 2020

Bejubeld & vereerd, verguisd & veracht




'Van Heutsz is de meest omstreden militair uit de Nederlandse geschiedenis,' meldt de flaptekst van de biografie die Vilan van de Loo schreef over J.B. van Heutsz (1851-1924). Het zou zomaar kunnen, al melden zich onder invloed van de discussie over het koloniale verleden van Nederland inmiddels ook wel wat andere kandidaten. Jan Pietersz. Coen, bijvoorbeeld en in een iets recenter verleden kapitein Raymond Westerling. Hoe dan ook, omstreden is Van Heutsz zeker, wat ondermeer mag blijken uit de naamsverandering van het Van Heutsz-monument in Amsterdam, dat tegenwoordig door het leven gaat als Indië-monument.


Zeker in het huidige tijdsgewricht waarin de debat over het koloniaal verleden nogal eens wordt gedomineerd door vooringenomen leken zonder veel kennis van de feitelijke gang van zaken, is het publiceren van een biografie van Van Heutsz een ietwat hachelijke zaak. Vilan van de Loo is er echter in geslaagd tot een evenwichtige beschrijving van het leven van de oud-gouverneur-generaal van Nederlands-Indië te komen. Kritisch waar nodig, instemmend waar mogelijk, waarbij ze nergens doorslaat en de nuances scherp in de gaten houdt. Na de beschrijving van Van Heutsz zijn jeugd, waarin onder meer aandacht voor de rol van zijn drankzuchtige vader, eveneens militair, en zijn aanvankelijk moeizame carrière bij het leger, is er ruime aandacht voor de betekenis van Van Heutsz voor Nederlands-Indië, met uiteraard veel oog voor zijn rol in Atjeh, maar zeker ook voor het 'pacificeren' van de Buitengewesten. Daaraan lagen ethische, strategische, buitenlands politieke en economische motieven ten grondslag. Van Heutsz had een scherp oog voor de kwetsbare positie van Nederland als koloniale mogendheid. Een kleine natie van geringe militaire betekenis en niet direct behept met een sterk martiale mentaliteit. Als gouverneur-generaal heeft hij krachtig gestreefd naar modernisering van de strijdkrachten, met name in Nederlands-Indië. Daarbij stuitte hij menigmaal op de spreekwoordelijke Nederlandse zuinigheid.

Na afloop van zijn Indische carrière speelt van Heutsz enige tijd als 'bekende Nederlander' een niet onaanzienlijke rol in het maatschappelijk en bedrijfsleven. Langzamerhand zien we hem echter naar de achtergrond verdwijnen, zodat hij in zijn laatste jaren toch vooral een levende legende lijkt te zijn geworden. Op paradoxale wijze neemt zijn rol na zijn dood toe als hij wordt vereerd als een soort uithangbord dat het geloof van de Nederlandse natie in de eigen koloniale voortreffelijkheid moest inspireren.


Vilan van de Loo schetst, zoals het mijns inziens hoort, van de persoon van Van Heutsz een genuanceerd beeld. Ja, hij was een houwdegen bij tijd en wijle, daar konden ze in Atjeh, maar ook op Bali en Lombok van meepraten. Ja, hij was een bemoeial die zijn mond moeilijk kon houden en zich vaak op nogal botte wijze in zaken mengde. Nee, hij was niet de oer-conservatief zoals hij tegenwoordig in discussies nog weleens wordt afgeschilderd. Hij had ook bepaald progressieve opvattingen. Bijvoorbeeld over het inschakelen van 'inlanders' bij het binnenlands bestuur van Indië. Bijvoorbeeld over het streven naar kiesrecht en gelijke rechten voor vrouwen. Bijvoorbeeld over de wenselijkheid het onderwijs onder de Indische bevolking te bevorderen. Van de Loo staat zeker kritisch tegenover het kolonialisme, maar ze heeft niet alleen oog voor de negatieve kanten van hoe dat door Van Heutsz werd belichaamd. 

Interessant is de wederzijdse bewondering tussen Van Heutsz en koningin Wilhelmina. Verrassend de vriendschap tussen mevrouw Van Heutsz en Mina Kruseman, feministe van het eerste uur. Vooral als gouverneur-generaal was Van Heutsz een zeer druk bezet man, een zaak waaronder zijn gezinsleven leed, maar toch vraag je je af in hoeverre zijn echtgenote op de achtergrond een rol heeft gespeeld. Dat komt in het boek niet echt uit de verf. 

De naam Van Heutsz ging in de loop van de geschiedenis van bejubeld en vereerd naar verguisd en veracht. Dat de waarheid, zoals vaak, ergens in het midden ligt blijkt uit deze biografie, geschreven in een stijl die het lezen tot een waar genoegen maakt, maar dit terzijde.


Vilan van de Loo, Uit naam van de majesteit. Het leven van J.B. van Heutsz 1851-1924. Prometheus 2020.


donderdag 23 juli 2020

Burenruzie in de Egeïsche Zee



Bij diverse gelegenheden heeft de Turkse president Erdogan in een rede zijn onvrede over het Verdrag van Lausanne uitgesproken. Dat maakte in 1923 ondermeer een einde aan de Grieks-Turkse oorlog en legde de basis voor het moderne Turkije. 'Ach, oude koek,' denkt u wellicht, 'waar maakt die man zich druk om?' 

Zodra echter 'Lausanne' in Turkije ter discussie wordt gesteld, beginnen bij de Griekse politici de nekharen overeind te staan. Het verdrag regelt onder andere de grenzen tussen Griekenland en Turkije en bepaalt dat de laatste afziet van verdere gebiedsaanspraken. Dat is van belang omdat Noord-Griekenland en de Egeïsche eilanden, behalve de Dodekanesos, pas in 1913, aan het einde van de Tweede Balkanoorlog, Grieks grondgebied waren geworden. 'Lausanne' werd door Turkije, onder druk van de grote mogendheden, tandenknarsend aanvaard, hoewel het aanzienlijk gunstiger was dan het oorspronkelijke Verdrag van Sèvres, aan het einde van de Eerste Wereldoorlog. Te oordelen naar Erdogans opmerkingen, dat de eilanden vlak voor de Turkse kust zijn 'weggegeven' aan Griekenland, wordt in sommige kringen nog steeds met de tanden geknarst.

Waar Grieken en Turken zich werkelijk druk om maken, zijn niet alleen de eilanden zelf, maar vooral wat er onder ligt. Met andere woorden: wie gaat er over het continentale plat en wie mag eventuele delfstoffen, als olie en gas, uit dat gebied exploiteren? Het van grondstoffen verstoken Turkije is er alles aan gelegen om te bewijzen dat het continentale plat Turks is. De bodem van de Egeïsche Zee is in Turkse ogen simpelweg een voortzetting van het vasteland van Turkije. De Griekse eilanden die daar liggen, zijn een soort van enclaves. Lastig dat ze Grieks zijn, maar wat eronder ligt is Turks. De Grieken zien dat heel anders. Volgens hen zijn het gewone eilanden met eigen territoriale wateren en een eigen economische zone, waarin de Turken niets te zoeken hebben. De vraag wie gelijk heeft, zou mooi kunnen worden voorgelegd aan het Internationale Gerechtshof. De Grieken hebben dat ooit voorgesteld, maar de Turken willen daar tot nu toe niets van weten. 

In het voetspoor van de ruzie over het continentale plat is er onenigheid over de afbakening van het luchtruim, dat volgens de Grieken vrijwel dagelijks door Turkse straaljagers wordt geschonden. Ik ga geregeld van Thessaloniki naar Skyros, waar een basis van de Griekse luchtmacht is. Met eigen ogen zie ik met de regelmaat van de klok Griekse jagers opstijgen om Turkse indringers te onderscheppen.

Volgens het VN-zeerechtverdrag (1982) mag Griekenland haar territoriale wateren uitbreiden van drie naar twaalf zeemijlen. Dat doet het niet, omdat Turkije al jaren dreigt met oorlog, mocht Athene die stap nemen. Zelf heeft Ankara, dat het verdrag niet ondertekende, aan haar noord- en zuidkust wel een twaalfmijlszone ingesteld. Voor de Grieken zijn de bloedige pogroms tegen de Griekse minderheid in Istanboel in 1955 en de Turkse invasie van Cyprus in 1974 bewijzen dat 'Lausanne' door de Turken niet altijd wordt gerespecteerd en de grote angst is dat zij ooit een poging zullen wagen de oostelijke eilanden bij Turkije in te lijven. Vandaar dat bij elke Turkse kritiek op het verdrag in Athene de alarmsirenes afgaan.

Eerder in iets gewijzigde vorm gepubliceerd in Griekenland Magazine, winternummer 2016.

Foto: auteur