zaterdag 17 augustus 2019

Donkere tijden



In The Darkening Age beschrijft Catherine Nixey de verwoestende werking van het zich verbreidende christendom op de antieke wereld. Ze begint haar boek in Palmyra, met de vernietiging van de tempel van de godin Athene, door een horde zeloten. Dat gebeurde in het jaar 385. Aanvallen op 'heidense' heiligdommen door fanatieke christenen vonden regelmatig plaats in de vierde, vijfde en zesde eeuw. Dat onze musea van oudheden voornamelijk beelden tentoon kunnen stellen met afgebroken ledematen, hoofden en geslachtsdelen, hebben we voor een belangrijk deel te danken aan deze haatchristenen. 

Natuurlijk, aardbevingen, oorlogsgeweld en menselijke onachtzaamheid eisten ook hun tol, maar de kans is groot dat de overgeleverde literatuur uit de oudheid veel rijker zou zijn, als christelijke fanaten niet als een brandschattende plaag door het Romeinse Rijk waren getrokken. Monniken in middeleeuwse kloosters (die in deze periode ontstonden, maar dit terzijde) hebben, zo leerden wij op school, veel antieke geschriften gered van de ondergang door ze te kopiëren en voor het nageslacht te bewaren. Dat klopt, zegt Nixey, maar het is wel een fractie van wat in talloze boekverbrandingen is vernietigd.

Wat wij op school ook leerden, was de geschiedenis van de christenvervolgingen. Het verhaal dat zowat alle Romeinse keizers sinds Nero, tot Constantijn de Grote zich bekeerde tot het christendom, zich op bloeddorstige wijze bezighielden met het vervolgen van christenen, die doorgaans zingend en biddend de marteldood tegemoet gingen. Het leverde vele martelaren op, 'het zaad der kerk', volgens onze schoolboeken. Volgens Nixey is het een grote leugen, nepnieuws dat een enorme vlucht nam. Zij stelt dat waarschijnlijk niet meer dan tien van de honderden verhalen over de christenvervolgingen op historische feiten gebaseerd zijn en dat de vervolgingen zich beperkten tot drie, relatief korte perioden in de Romeinse geschiedenis. 

Er worden nog meer mythen door Nixey doorgeprikt. Daarbij is haar toon soms nogal ironisch, misschien omdat ze de dochter is van een uitgetreden monnik en een uitgetreden non. Dat wekt onnodig de schijn dat zij wil afrekenen met het geloof. In sommige christelijke kringen sprong men door The Darkening Age dan ook als een bok op de haverkist. In orthodoxe kring werd het direct beschouwd als een aanval op kerk en christendom. Dat is het niet. Het christendom heeft een geschiedenis van vele eeuwen en in die eeuwen is een waaier van richtingen ontstaan. Van de gekrookte rieters die nog steeds iedere letter van de bijbel voor waar aannemen, tot de remonstranten die een lichtend voorbeeld van vrijzinnigheid en verdraagzaamheid zijn. Je kunt het hedendaagse christendom, aanzienlijk gematigder dan in den beginne, op wat fanatieke rafelranden na, niet vergelijken met dat uit de late oudheid. Toen dachten sommigen dat hun god ermee gediend was als ze hun leven sleten op een metershoge zuil, of op handen en voeten rondgingen, terwijl ze zich voedden met gras. Het boek van Nixey is een tegenwicht tegen de in de late oudheid begonnen mythologisering van het verleden en daar is de geschiedeniswetenschap, volgens historicus Pieter Geyl 'een discussie zonder eind', uiteraard mee gediend.

Catherine Nixey, The Darkening Age. The Christian Destruction of the Classical World (London 2017).

maandag 5 augustus 2019

Iedereen academicus


   Experimentele School van de Aristotelesuniversiteit, Thessaloniki

Omdat mijn vrouw lange tijd werkzaam was in het Griekse voortgezet onderwijs, als lerares Engels in Thessaloniki, heb ik een aardig kijkje kunnen nemen achter de schooldeuren. Een aantal dingen heeft mij altijd verbaasd, zoals het geringe aantal lesuren dat een Griekse docent geeft in verhouding met het grote aantal uren dat leerlingen maken, het relatief lage niveau van het onderwijs, het feit dat niet de docenten beslissen over de lesmethodes, maar het ministerie van onderwijs en geloofszaken, en de slechte staat van veel schoolgebouwen. Een uitzondering op de veelal getraliede kazernes vormt het fraaie gebouw van de Experimentele School van de Aristotelesuniversteit van Thessaloniki, in de Agia Sofiastraat, een ontwerp van architect Dimitris Pikionis. Deze school vormt ook qua niveau een uitzondering en behoort tot de topscholen van Griekenland.

Wat in mijn Nederlandse ogen ook verbazing wekt, is het verplicht meelopen van scholieren in de parades ter ere van de nationale feestdagen op 25 maart en 28 oktober. Op het plein van mijn buurtschool in Thessaloniki zag ik eens een onderwijzer die probeerde, als een sergeant-majoor, een groep tien- en elfjarigen op militaire wijze te laten marcheren. Een potsierlijke vertoning die aan dictatoriale tijden deed denken. Die scholierenparades stammen dan ook uit de dictatuur van Ioannes Metaxas (1936-1940).

Griekse leraren maken heel wat minder uren dan hun Nederlandse collega's, zeker als het voor- en nawerk wordt meegerekend. Zij verdienen ook veel minder. Dat schamele loon vullen veel docenten aan door na schooltijd te werken aan een bijlesinstituut, een frontestirio. Griekse ouders willen, zoals bijna alle ouders ter wereld, het beste voor hun kinderen. Vrijwel iedereen is het erover eens dat dat een universitaire opleiding betekent, niet meer en niet minder. Daar valt niet over te discussiëren. Tot nu toe moet je toelatingsexamen doen voor de universiteit. Het einddiploma van de middelbare school, het lykeio, is niet voldoende. Gezien het tekortschietende niveau van het reguliere onderwijs, voelen ouders zich verplicht hun kinderen naar, uit eigen zak te betalen, bijlesinstituten te sturen, waarvan er, vooral in de steden, een overvloed is. Over deze gang van zaken heerst al heel lang onvrede en een verandering van het systeem is in de maak, maar tot op heden nog niet doorgevoerd.

Het gevolg is dat ouders nodeloos veel geld kwijt zijn en dat de kinderen zelf chronisch overbelast worden door het vele werk dat van hen wordt geeist. Is de felbegeerde plaats aan de universiteit eenmaal veroverd en na een aantal jaren een graad behaald, dan wacht veel afgestudeerden de werkloosheid. Wie het staatsonderwijs in wil, moet jaren wachten voor hij of zij een betrekking krijgt toegewezen. Ook het bedrijfsleven biedt in deze crisisperiode vooralsnog onvoldoende perspectief. Als scholier leerde ik bij geschiedenis over het verschijnsel van 'de ingenieur op de tram,' tijdens de crisis van de jaren dertig. In Thessaloniki is dat onmogelijk. In de jaren zestig heeft men de tram de deur uit gedaan, waardoor de stad het al decennia lang moet doen met een volstrekt inadequaat systeem van openbaar busvervoer. Hier is de ingenieur pizzakoerier, afwasser in de horeca, veegt hij of zij voor de gemeente de straat en prijst zich gelukkig in ieder geval nog werk te hebben. Het verbaast niet dat sinds het begin van de economische crisis al zo'n zeshonderdduizend jongeren, voor het merendeel hoog opgeleiden, naar het buitenland zijn vertrokken. Op grond van recente onderzoeken naar de toekomstverwachtingen van deze migranten moeten we vrezen dat een overgrote meerderheid voorgoed voor Griekenland is verloren. Dat belooft voor de sociaal-economische ontwikkelingen op lange termijn niet veel goeds.

Foto: auteur

Eerder gepubliceerd in Griekenland Magazine, hersft 2018.


dinsdag 28 mei 2019

Herinneringen aan Kruispunt


    v.l.n.r.: Fa Claes, Kees Klok, John Heuzel, Marie-Thérèse van Dycke

Het was in 1974 dat er voor het eerst een bijdrage van mij, een gedicht, in het Vlaamse literair tijdschrift Kruispunt werd opgenomen. Ik meen dat het toen nog Kruispunt-Sumier heette. Ik kende het blad via Han Grüschke, die publiceerde in Letteriek, het Dordtse literaire tijdschrift dat wij een jaar eerder hadden opgericht als onderdeel van onze stichting Bobby Kinghe. Ik had al eerder poëzie gepubliceerd, vooral in Letteriek, maar toch voelde de opname in Kruispunt aan als een soort van debuut. Officiële erkenning door een deskundige redactie en nog wel in het verre buitenland. Zo voelde ik dat toen. Het was het begin van een lange verhouding, die zou duren tot Kruispunt, dat jarenlang fier doorknokte voor zijn leven, vaak geheel of gedeeltelijk zonder subsidie, uiteindelijk ophield te bestaan. Het blad is vijftig geworden. In de middeleeuwen gold dat als een flink gevorderde leeftijd. Nu zou men spreken van te jong gestorven. In het geval van Kruispunt niet dan na de letterkunde indrukwekkend te hebben verrijkt.

Aanvankelijk had ik van doen met hoofdredacteur Georges van Acker aan wie ik nu en dan wat gedichten of een verhaal stuurde, waarvan de betere werden geplaatst. Ik was daar trots op en voelde mij vanaf het begin thuis in Kruispunt. Klein, dapper en flink tegendraads, met een duidelijk eigen stem. Dat sloot wonderwel aan op hoe ik mezelf zag. De naam Letteriek verdween al snel van het literaire toneel, omdat het blad overging in handen van een andere redactie. In Dordrecht begonnen we na enige tijd het tijdschrift Herman, dat nog steeds bestaat, al is het sinds 1979 niet meer verschenen. Ik meen dat Herman en Kruispunt in die tijd een ruilabonnement aangingen, al had ik mij vrijwel direct na de kennismaking zelf op het blad geabonneerd. Voordat de literaire vulkaan Herman insliep maakten wij met de Schiedammer Simon Buschman een themanummer over de haiku. Toen de man uit de jeneverstad opmerkte Kruispunt 'maar een ondermaats blaadje' te vinden, ervoer ik dat als een diepe, persoonlijke belediging. Van enige samenwerking met Buschman is verder nooit meer iets gekomen en de tijd heeft zijn ongelijk bewezen: Kruispunt is een begrip, Simon Buschman is vrijwel vergeten.

George van Acker werd opgevolgd door John Heuzel. Het contact met John zou in de loop der jaren uitgroeien tot een echte vriendschap, niet alleen met hem, maar evenzeer met zijn vrouw Marie-Thérèse. Ik ging meer bijdragen leveren en reisde eind september 1989 naar Brugge voor het feest ter ere van het 30-jarig bestaan, dat groots werd gevierd. Het was een herinneringswaardig jubileum. Het weer was uitzonderlijk mooi en ik maakte er verschillende vrienden, zoals Jan Deloof en Fa Claes. In een dagboeknotitie van maandag 2 oktober wijd ik er een passage aan:

Het was aangenaam om onder gelijkgestemden te verkeren, kennis te maken met allerlei vriendelijke lieden waarvan je tot nu toe alleen de namen kende: Dries Janssen, Fa Claes, Han Grüschke. Na het feest zijn we met een flinke ploeg nog ergens doorgezakt op 't Zand. Erg veel kan ik me er niet meer van herinneren, behalve dat Patrick Spriet voortdurend dacht dat ik Kees Tabak heette, dat ik het cadeau van John Heuzel (een literfles Straffe Hendrik) ergens moet hebben laten staan en dat Fa Claes en Dries Janssen mij tenslotte op de been hebben gehouden op weg naar hotel Groeninghe, waar we alle drie logeerden.

Zo ging het in dat zonnige najaar dat in meerdere opzichten bijzonder was. Op zaterdag 14 oktober hield ik in de prachtig gerestaureerde koepel van de Dordtse Groothoofdspoort een voordracht voor de Haarlem Branch van de Dickens Fellowship, die op bezoek kwam. De lezing ging over Thomas Hardy en Charles Dickens, voor mij twee van de grootste schrijvers uit de Engelse literatuur. Ze liggen naast elkaar begraven in Westminster Abbey, al hebben ze elkaar slechts eenmaal ontmoet en toen was de veel jongere Hardy te verlegen en te veel onder de indruk om het woord tot Dickens te richten. Op zaterdag 21 oktober arriveerde Stella, toen nog mijn vriendin, een jaar later zouden we trouwen, vanuit Thessaloniki in Düsseldorf om daar haar nieuwe betrekking op het onderwijsbureau van het Griekse consulaat te aanvaarden. Het was het laatste weekeinde van 1989 dat er van schitterend najaarsweer te genieten viel. Nog geen maand later zou de Berlijnse Muur vallen, maar dit terzijde.

Al in Duitsland begon Stella Nederlands te leren en met haar uitzonderlijk groot taalgevoel en linguïstische begaafdheid wist ze zich al snel een behoorlijke kennis te verwerven. Eenmaal in Nederland perfectioneerde zij haar Nederlands zo, dat ze haar gedichten in de laatste twee jaar van haar leven allereerst in die taal schreef, waarna zij ze hertaalde in het Grieks. Het duurde niet lang of ze ging ook tot de Kruispuntfamilie behoren. Dat begon met haar optreden als medesamenstelster van het speciale nummer over de geschiedenis en cultuur van Thessaloniki, dat in 1992 verscheen. Het idee voor dat nummer werd geboren op het Woordschuttersfeest dat Kruispunt eind juni 1991 in Brugge organiseerde. Ook over dat feest, dat ik mij letterlijk als een warme gebeurtenis herinner, heb ik een dagboekaantekening gemaakt, op zondag 30 juni:

Brugge was een groot succes. Niet alleen vanwege de respons op mijn poëzie, maar ook Stella en Sofronis*(die weinig van het gelezene verstond) hebben zichtbaar genoten van de goede sfeer. Alles werkte mee. Het St. Joris-kruisboogschuttersgildemuseum is romantisch gelegen in het groen aan de rand van het centrum. Omdat tot ieders verbijstering de zon de hele middag scheen (en ik had mijn hoed verdorie thuisgelaten vanwege het Jan Takkeweer) kon het voorlezen in de fraaie tuin plaatsvinden. De maaltijd werd binnen gehouden, want in de avond was het buiten te kil. Het was ontzettendleuk om de banden met de Vlaamse vrienden weer aan te kunnen halen. Fa Claes (met zijn karakteristieke dichterskop), Dries Janssen, altijd laconiek en vol humor, Jan Deloof, die me een Griekse versie van het Ons Erfdeel-boekje over de geschiedenis van het Nederlands beloofde te sturen. De Heuzels zelf, uiteraard. John is de enige pijpkettingroker die ik ken. Marie-Thérèse, mooi en charmant als altijd, was een voortreffelijke presentatrice. Ook Herman Coenen gesproken, die ik er maar niet aan heb herinnerd dat ik nog een bundel van hem krijg.
Op de valreep met John, Stella en Sofronis de koppen bij elkaar gestoken over Kruispunt. We willen een speciaal Thessaloniki-nummer maken. Stella en Sofronis de literatuur, ik de geschiedenis. In Griekenland gaan we er meteen aan beginnen.
Tijdens de maaltijd verraste Sofronis ons met een fraaie dichtbundel, die hij in 1984 heeft uitgegeven. Stella wist niet dat hij ook dichtte, maar ze was onder de indruk van zijn werk. Gelukkig had ik een paar exemplaren bij me van Maar toch een tuitknak roken, waarvan ik hem er een heb gegeven.
Ter gelegenheid van het feest is een mooi uitgevoerde bloemlezing uitgekomen, waarin 'Mijn schooltijd zit vol idioten' is opgenomen. Ik vond het achteraf niet een van mijn sterkste gedichten, maar na alle lovende kritiek van gisteren, onder andere van Marie-Thérèse, ben ik daar anders over gaan denken. 

Het bleef wat Stella betreft niet bij het Thessaloniki-nummer. In Kruispunt 175 schittert haar Griekse vertaling van mijn gedicht Agia Sophiaen in nummer 184 debuteerde zij met eigen gedichten, die werden gepubliceerd in het Grieks en het Nederlands. Zij werden opgenomen in haar postume bundel Ατελείωτες νύχτες, die in het voorjaar van 2009 in Thessaloniki verscheen en waarvan dit jaar een Nederlandse editie zal uitkomen bij uitgeverij Liverse, onder de titel Eindeloze nachten. We zouden in het vervolg, tot haar overlijden in december 2007, wat Kruispunt betreft vooral samen optrekken. In 1997 stelde ik Kruispunt 169 samen, gewijd aan ego-literatuur. Stella stond mij daarbij krachtig terzijde. Haar steun was ook onontbeerlijk bij het internationale poëzienummer dat ik in 2001 met John Heuzel samenstelde en waarvoor we samen werk van Dinos Christianopoulos, Kiki Dimoula en Nikos Karouzos vertaalden. Dat nummer, onder de titel Kruispunt-Internationaal, werd in juni van dat jaar gepresenteerd in de Rotterdamse Schouwburg, in de marge van het Poetry International festival. Ik herinner me Stella's boosheid en teleurstelling toen bleek dat de in grote getale uitgenodigde journalisten en krantenbesprekers het, op een vertegenwoordigster van het e-zine Meander na, volkomen lieten afweten, terwijl het geringe, belangstellende publiek uitsluitend op de gratis borrel was afgekomen. Dat was het noodlot van Kruispunt: ondanks dat het in de loop der jaren een Fundgrube van de literatuur is geworden, heeft het in Nederland zelden of nooit enige aandacht gekregen in de media. Over Kruispunt-Internationaal werd alleen in Meander geschreven. Ik ervaar dat gebrek aan belangstelling als een grove onrechtvaardigheid. In Kruispunt-Internationaal stonden vele grote namen uit de wereldliteratuur. Het is triest te bedenken hoeveel moois de Nederlandse lezer door de luiheid en ongeïnteresseerdheid van zijn media is onthouden.

Het hoogtepunt van onze verhouding met Kruispunt was de bloemlezing van Cypriotische literatuur, Wij wonen in een taal, die wij in 2004 mochten samenstellen. Het nummer draagt grotendeels het stempel van Stella, die vrijwel alle verhalen en gedichten selecteerde, de vertalingen redigeerde, zelf ook flink mee vertaalde, het contact onderhield met de dichters en schrijvers op Cyprus en een aanzienlijk deel van de bio- en bibliografische informatie samenstelde. John Heuzel gaf ons volkomen de vrije hand, waardoor een bescheiden opgezette bloemlezing kon uitgroeien tot een kloek boek van 470 pagina's, mede doordat alle gedichten ook in de originele taal, Grieks of Turks, werden opgenomen. Wij wonen in een taal was, zo bleek eind 2004, het voorlaatste nummer van Kruispunt. Ook de bloemlezing werd door de Nederlandse media, op twee periodieken na, genegeerd. In Meander verscheen een korte recensie, waarin het nummer werd geprezen en professor Marc Lauxtermann schreef een kritisch, maar voornamelijk positief artikel in het tijdschrift Lychnari. De lof die het nummer op Cyprus werd toegezwaaid kon er bij de zuinige Hollanders niet vanaf. Met Wij wonen in een taal kwam een einde aan onze verhouding met Kruispunt. We zagen het blad met lede ogen verdwijnen. Wat bleef was de vriendschap met John en Marie-Thérèse, die een grote steun voor mij waren tijdens de verschrikkelijke maanden tijdens en na Stella's ziekte en overlijden. Zonder Kruispunt had een aantal vriendschappen in Vlaanderen, op Cyprus en elders in de wereld niet bestaan en hoe het mij ook aan het hart gaat dat dit werkelijk het allerlaatste nummer is, dat extra dat Kruispunt voor mij betekent is van blijvende en onvervangbare waarde.

*Sofronis Hatzisavvidis (1950-2014), hoogleraar Griekse taal- en letterkunde aan de Aristotelesuniversiteit van Thessaloniki en decaan van de Pegaogische Faculteit.

Eerder gepubliceerd in Kruispunt nr. 198, Brugge 2009.

Foto: Stella Timonidou


woensdag 17 april 2019

Thessaloniki: van Balkanmetropool tot regionale hoofdstad


Ik herinner mij mijn eerste kennismaking met Thessaloniki, in oktober 1987. Ik arriveerde in een stad die ogenschijnlijk in voortdurende chaos verkeerde. Vooral door het razende verkeer, maar ook door de rommelige indruk die de straten maakten. Auto's die op de meest willekeurige wijze waren geparkeerd, waar mogelijk op de trottoirs, overal te pas en te onpas achtergelaten scooters en motoren, evenals te vaak uitpuilende vuilcontainers, alsof iemand ze er zomaar had neergesmeten, tussen grauwe, ontsierende hoogbouw. Naarmate ik de stad leerde kennen en vooral haar vriendelijker aspecten, bleek het allemaal wel mee te vallen en nu vind ik Thessaloniki overwegend een prettige stad om in te verblijven, maar zij leek in niets op wat ik ervan in afbeeldingen had gezien. Thessaloniki heeft in de twintigste eeuw een ware metamorfose ondergaan. In dit artikel probeer ik uit te leggen wat daarvan de oorzaken zijn.

Zoals het was

Er bestaat een prentbriefkaart uit 1917 van de Nikis-boulevard, waarop men een groepje heren, waarvan een in uniform, kalmpjes over de kade ziet kuieren. Er liggen wat kaïks, zeilschepen van bescheiden formaat, afgemeerd. Langs de neoklassieke villa’s, waarvan er geen enkele meer dan drie verdiepingen telt, glijdt een elektrische tram en van de andere kant komt welgeteld één auto aangereden. Alles ademt rust en vrede. Aan vrijwel niets, behalve misschien dat uniform, maar dat zou net zo goed van een postbode kunnen zijn, is te merken dat we midden in een wereldoorlog zitten, waarvan vooral de nasleep, in dit geval de Grieks-Turkse oorlog (1919-1923), voor de stad grote gevolgen zou hebben. De kuierende heren hebben uiteraard nog geen enkel vermoeden van de ramp die Thessaloniki later dat jaar zal treffen.
Een even vredige sfeer ademt een tekening van Edward Lear uit het midden van de 19e eeuw. Vanaf de hooggelegen citadel schetst hij een panoramisch beeld van een charmante, oosterse stad met koepels en minaretten, waartussen vele cipressen omhoog steken. Het blauwwazige bergmassief aan de overzijde van de baai is de Olympus, die op heldere dagen vanuit de stad te zien is als herinnering aan andere tijden.
Uiteraard zijn die plaatjes bedrieglijk. Lears verbeelding, die te vinden is in het in 2004 verschenen Salonica City of Ghosts, van de Engelsman Mark Mazower, is wel erg romantisch. In het boek staat ook een foto van de Nikis uit dezelfde tijd als bovengenoemde kaart. Daarop krioelt het van de mensen, die vooral samendrommen om een tentoongesteld Duits militair vliegtuig. Behalve de tram zien we ambulances en vrachtwagens van het leger. Wel staan de villa’s er hier ook nog ongeschonden bij en van enige hoogbouw is nog geen sprake.
Tot zover is er weinig bijzonders aan de hand. Dat steden onder invloed van de tijd van uiterlijk veranderen is even natuurlijk als bij de mens. Niemand van ons is op zijn vijftigste meer de fleurige jongeling die hij eens was. Het bijzondere van Thessaloniki is daarom niet dat het vrijwel onherkenbaar veranderde. Het bijzondere is de manier waarop dat in zijn werk ging.

Factoren

Minstens zes factoren hebben bijgedragen tot de metamorfose van Thessaloniki in de 20e eeuw:
- de verovering door de Grieken in de Balkanoorlogen (1912-1913)
- de grote stadsbrand van 1917
- de bevolkingsuitwisseling tussen Griekenland en Turkije (1923)
- de Duitse bezetting (1941-1944)
- de burgeroorlog (1946-1949)
- de economische ontwikkelingen vanaf 1960

Al deze factoren worden uitgebreid door Mazower behandeld, behalve de laatste, want zijn boek, waarvan ook een Nederlandse vertaling is uitgekomen, gaat niet verder dan 1950. Van de tragische geschiedenis van de Joden van Thessaloniki, die tot na de Eerste Wereldoorlog de grootste bevolkingsgroep vormden, kan men niet alleen kennisnemen bij Mazower. In het voorjaar van 2005 verscheen de bloemlezing Gioconda, de Joden van Thessaloniki in de Griekse literatuur. De stukken die samensteller Hero Hokwerda hier heeft verzameld geven een goed beeld van het Joodse leven en lijden in de stad en vooral van dat laatste.

De Balkanoorlogen

Thessaloniki werd tijdens de Eerste Balkanoorlog (1912) ingenomen door het Griekse leger, na een nek-aan-nek-race tegen de eveneens snel oprukkende Bulgaren. Tijdens de Tweede Balkanoorlog (1913) werd Bulgarije, dat van bondgenoot in vijand was veranderd, verslagen. Bij het Verdrag van Boekarest (1913) werd Grieks-Macedonië en daarmee Thessaloniki onderdeel van Griekenland waarmee een einde kwam aan bijna vijf eeuwen Osmaans bestuur. In Griekenland spreekt men van de 'bevrijding' van Thessaloniki, ten onrechte, omdat de stad nooit eerder deel uitmaakte van de moderne Griekse staat. De these van de historicus Konstantinos Paparrigopoulos (1815-1891), als zou er een continuïteit zijn vanaf de Oudheid, via Byzantium naar het moderne Griekenland is historisch aanvechtbaar, maar het gaat te ver hier te veel in detail te treden. De komst van de Grieken betekende het begin van de vergrieksing van de stad, of wellicht is hergrieksing een betere term. De Macedonische heerser Kassandros stichtte Thessaloniki in 315 v. Chr. en noemde de stad naar zijn vrouw, een halfzuster van Alexander de Grote. Zoals bekend spraken de Macedoniërs een Dorisch-Grieks dialect. Sindsdien is het Grieks nooit uit Thessaloniki verdwenen. Door de eeuwen heen hebben er Grieken gewoond, al vormden zij lange tijd een minderheid, als gevolg van de Osmaanse verovering (1430) en grootschalige immigratie van Joden uit Spanje en Portugal in de loop van de 15e eeuw. In 1912 bestond de bevolking voornamelijk uit Joden, Turken, Grieken en Bulgaren, met daarnaast nog een handvol minderheden van de Balkan. 
Griekse ambtenaren vervingen de Osmaanse bureaucratie en gingen de stad besturen. Op straat werd de orde gehandhaafd door de aanvankelijk vooral uit Kretenzers bestaande Griekse gendarmerie. Het Griekstalig onderwijs werd sterk uitgebreid, vooral met leerkrachten uit de Peloponnesus, want het Grieks werd de enige officiële taal. Zonder kennis van die taal werd het leven een stuk moeilijker. We zien dan ook dat anderstaligen zich gingen aanpassen.
Dat gold in de eerste plaats voor de Joodse gemeenschap. Deze sprak nog grotendeels een eigen Spaans-joods (Sefardisch) dialect, het zogenaamde Ladino. Nu begonnen de Joden zich ook voor het dagelijks gebruik van het Grieks te bedienen. Dat betekende een langzame achteruitgang van het Ladino, tot de taal vrijwel helemaal uit de stad verdween met de deportatie van het overgrote deel van de Joodse gemeenschap tijdens de Duitse bezetting. De 'vrijwillige' bevolkingsuitwisseling tussen Griekenland en Bulgarije, in 1919, had tot gevolg dat de Bulgaren vrijwel allen wegtrokken uit Thessaloniki. Het Verdrag van Lausanne (1923) betekende een verdere stap op weg naar demografische homogenisering, zoals we nog zullen zien.

De fatale brand

Op 18 augustus 1917 brak er brand uit in de Turkse wijk, de Ano Polis (bovenstad). Wat aanvankelijk een eenvoudig brandje leek, veranderde al snel in een verzengende vuurzee, na het opsteken van de Vardaris, de noordenwind die in normale gevallen 's zomers wat verkoeling brengt. De met volkomen ontoereikende middelen uitgeruste brandweer en de te hulp geschoten Geallieerde troepen (sinds 1915 nabij de stad gelegerd), konden slecht uit de voeten in de nauwe straten, die meer en meer verstopt raakten met vluchtende inwoners. Al snel bleek blussen een hopeloze zaak. Het feit dat veel huizen nog van hout waren of houten gevels hadden, droeg naast de Vardaris bij aan een snelle verbreiding van het vuur, dat bijna drie dagen brandde en ongeveer driekwart van de stad in de as legde. Slechts het zuidoostelijke deel bleef gespaard. Het inferno had grote gevolgen.
Allereerst was er de enorme materiële schade en raakten ongeveer 73.000 mensen dakloos. Toonaangevende panden en monumenten als de Agios Dimitrios, de Osmaanse Bank, het Belgische consulaat, alsmede een enorme reeks winkels, cafées, restaurants, hotels en het hoofdkwartier van de Britse troepen werden in de as gelegd. Met behulp van de Geallieerden werden de getroffenen voorlopig zo goed en zo kwaad als het ging in tenten ondergebracht. Een klein aantal vertrok om onderdak te zoeken bij familie in andere plaatsen. Voor een handvol, met name arme Joden, was de brand aanleiding om te emigreren, ondermeer naar de VS.
Zaak was de herbouw van de stad zo snel mogelijk ter hand te nemen. Het negentiende eeuwse karakter van Thessaloniki, met de sterk oriëntaalse inslag, ging voorgoed verloren. Eerste minister Venizelos vond de dichtbevolkte stad onhygiënisch en beschouwde de brand welhaast als een geschenk uit de hemel. Ook meende hij dat het Osmaanse karakter onwaardig was voor de moderne, progressieve staat, die hem voor ogen stond. De overheid wilde daarom de gelegenheid aangrijpen Thessaloniki als symbool van het Griekse modernisme te herbouwen.
Besloten werd het afgebrande gebied tijdelijk te onteigenen en opnieuw op te bouwen volgens een plan dat moest worden opgesteld door een commissie van Griekse en buitenlandse experts. Een dergelijke commissie werd al snel gevormd, aanvankelijk onder leiding van de Britse landschapsarchitect Thomas Mawson, die later werd vervangen door de Franse architect Ernst Hebrard. Al negen maanden later presenteerde de commissie haar plan, dat het aanzien van de stad grondig wilde veranderen. Het centrum zou vooral een bestuurlijk en zakelijk karakter krijgen en minder dat van een woonomgeving. Daarvoor waren de omliggende buurten en de buitenwijken bedoeld. Bij de haven zou een nieuwe, industriële zone moeten worden geschapen en buiten de oostelijke stadsmuur moest een universiteit verrijzen. Straten zouden worden verbreed en volgens een rechthoekig patroon aangelegd.
Het plan stuitte onmiddellijk op bezwaren, vooral vanuit de Joodse gemeenschap, waarvan de leiders vreesden dat het vooral bedoeld was om de Joden uit het stadscentrum, waar zij voor de brand voornamelijk woonden, te verdrijven. Dit werd nadrukkelijk door de Griekse regering ontkend. Ook was niet duidelijk hoe het verder moest met de dakloos geworden centrumbewoners, die voorlopig schadeloos werden gesteld met waardecertificaten waarmee zij konden bieden op kavels, als de herbouw zou starten. Het zag er in elk geval naar uit dat velen, vooral armere inwoners, niet in het centrum zouden terugkeren. Dat het plan, dat nooit in zijn originele vorm is uitgevoerd, geen anti-Joodse opzet had, bewijst het feit dat Joden die kapitaal in de nieuwe opzet van de stad wilden investeren niets in de weg werd gelegd. Veel rijkere Joden investeerden uiteindelijk in de herbouw, waaraan wij mede de markt van Modiano hebben te danken.
Al spoedig bleek het nogal ambitieuze plan niet te stroken met de realiteit en werd het keer op keer aangepast, als gevolg van druk op de regering door allerlei belanghebbenden, en vooral door beperkte financiële mogelijkheden. Daardoor vond de herbouw tenslotte plaats op grond van een sterk verwaterde versie van het oorspronkelijke plan, met als resultaat dat er gebouwd werd, in de woorden van Mark Mazower, 'in een verbijsterende variëteit van stijlen.' Wel werd het stratenpatroon in de benedenstad vrijwel volgens het originele plan aangelegd. Buiten het centrum was dat maar zeer gedeeltelijk het geval. Daardoor heeft de Ano Polis waarvan een deel onder de brandgrens ligt, haar originele stratenpatroon goeddeels behouden.
Onduidelijk is waar de ramp precies begon en hoe hij werd veroorzaakt. Men vermoed dat de brandhaard is ontstaan nabij de kruising tussen de Olympou en de Ion Dragoumi, in de buurt van de overdekte, Turkse markt. De oorzaak heeft men nooit kunnen achterhalen. Hoewel er kort na de brand allerlei geruchten gingen dat hij op diverse plaatsen zou zijn aangestoken, is daar nooit enig bewijs voor gevonden. Het vermoeden is dat het een ongeluk was met een petroleumstel, zulke ongelukken kwamen wel vaker voor, maar zekerheid daarover hebben we niet.

De Grieks-Turkse oorlog

De belangrijkste drijfveer van de Griekse buitenlandse politiek gedurende de 19e en vroege 20e eeuw, was de Megali Idea. Deze gedachte hield kort gezegd het streven in om alle gebieden in de regio waar zich in het verleden Grieken hadden gevestigd, in te lijven bij een Groot-Griekenland, dat de reïncarnatie van het Byzantijnse rijk zou zijn. De hoofdstad van dit rijk moest het in 1453 aan de Osmanen verloren gegane Constantinopel worden.
In 1919 eiste Griekenland op de Parijse vredesconferentie officieel Smyrna en omstreken op, maar nog tijdens de vredesbesprekingen, bezetten Italiaanse troepen het gebied rond Antalya. Een eigenmachtig optreden dat niet alleen de Grieken verontrustte, maar bij de Engelsen, Fransen en Amerikanen in het verkeerde keelgat schoot. Zij gaven Athene daarom toestemming voorlopig een legermacht naar Smyrna te sturen.
De eerste Griekse troepen landden op 15 mei 1919. Zij werden enthousiast ontvangen door de christelijke (Griekse en Armeense) inwoners. De Turken waren minder blij met de komst van de Grieken. Vrijwel onmiddellijk braken er gevechten uit, waarbij zo'n 350 Turkse burgers het leven verloren. Daarmee was de toon gezet voor het drama dat zich in de daarop volgende drie jaar zou voltrekken.
In het binnenland van Anatolië was inmiddels onder leiding van de, in Thessaloniki geboren, officier Mustafa Kemal een krachtige nationalistische beweging gegroeid. Deze kreeg spoedig grote delen van het land in handen. Het was tegen deze nationalisten, die vastbesloten waren om een verdeling van Anatolië te voorkomen, dat de Grieken het moesten opnemen. Daarvoor was de steun van de Geallieerden nodig, maar deze lieten Griekenland een voor een in de steek, op Engeland na, zo dacht men in Athene.
Desondanks begonnen de Grieken in maart 1921 een groot offensief, dat hen tot op veertig kilometer van Ankara, Kemals hoofdkwartier, bracht. Daar liep het front vast. De Grieken hadden zich in een uiterst precaire situatie gemanoeuvreerd. De aanvoerlijnen waren veel te lang en kwetsbaar geworden en Engeland had hen inmiddels ook in de steek gelaten: alle mooie en bemoedigende woorden van de Britse premier Lloyd George ten spijt, verklaarde Londen zich, net als de andere Geallieerden, uiteindelijk strikt neutraal in het conflict.
Op 26 augustus 1922 begonnen de Turken aan een tegenoffensief. Het Griekse front stortte als een kaartenhuis ineen. Op de avond van 9 september braken in de Griekse en Armeense wijken van Smyrna branden uit. Van het Griekse leger was geen spoor meer te bekennen. Onder de neus van een werkeloos toekijkende geallieerde vloot werden zo'n 30.000 Grieken en Armeniërs door Turkse militairen afgeslacht. De Megali Idea ging letterlijk in rook op. Deze gebeurtenis staat in Griekenland bekend als de Grote Catastrofe.
De oorlog werd bezegeld met het verdrag van Lausanne. Daarin werd ondermeer bepaald dat alle Grieks-orthodoxen uit Turkije en alle islamieten uit Griekenland dienden te vertrekken. Er werden alleen uitzonderingen gemaakt voor de islamieten van West-Thracië en de Grieks-orthodoxen van Constantinopel, Tenedos en Imbroz. Naar schatting 1,2 miljoen Grieken kwamen daardoor naar Griekenland, terwijl een kleine 400.000 Turken in tegenovergestelde richting vertrokken. Uitgaande van het Osmaanse millet-systeem werden alle Grieks-orthodoxen als Grieken en alle moslims als Turken beschouwd. Dat had ondermeer tot gevolg dat de kleurrijke groep van de Dönmes, tot de islam bekeerde Joden, uit Thessaloniki moest vertrekken. Tegelijkertijd begon er vanuit de Joodse bevolkingsgroep een migratiebeweging op gang te komen, richting Palestina, Frankrijk en de VS.
Een aanzienlijk deel van de vluchtelingen werd in Thessaloniki, Grieks-Macedonië en Thracië gehuisvest, omdat het voor Athene van groot belang was het Griekse karakter van Noord-Griekenland te benadrukken. Voor de stad, nog niet bekomen van de grote brand, betekende de toevloed van mensen een enorm probleem. Er moest snel onderdak komen voor nog een grote groep ontheemden. Dat had tot gevolg dat de buitenwijken in rap tempo begonnen te groeien. Nieuwbouw daar vond echter zonder veel planning en overleg plaats.

Bezetting en burgeroorlog

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Griekenland bezet door Duitsland en zijn Italiaanse en Bulgaarse bondgenoten. De haven van Thessaloniki was voor de Duitsers te belangrijk om aan de bondgenoten over te laten. Voor de Joodse gemeenschap, die na 1912 van ongeveer 90.000 was teruggelopen tot bijna 50.000 mensen, was de bezetting een ramp. In 1943 werden vrijwel alle Joden naar Auschwitz gedeporteerd en daar vermoord. Slechts zo’n 5% wist, geholpen door Griekse stadgenoten, te ontkomen. Van de slachtoffers keerden slechts een kleine 2000 terug. Tijdens de oorlog waren nog eens tienduizenden vluchtelingen naar de stad gekomen, waarvan het grootste deel op de vlucht was geslagen voor het extreem harde bezettingsregiem van de Bulgaren in oostelijk Macedonië en West-Thracië.
Vanwege zijn bergachtige terrein leende Griekenland zich uitstekend voor gewapend verzet door middel van een guerrilla tegen de bezetters. Vele Grieken trokken 'naar de bergen', zoals het bij het verzet gaan, werd genoemd. Het Griekse verzet werd met wapens gesteund door de Geallieerden en met adviseurs, maar het probleem was dat er, net als in de Griekse samenleving, grote onderlinge verdeeldheid heerste. De leden van de veruit grootste verzetsbeweging, de links georiënteerde ELAS, met de EAM als haar gewapende arm, waren weliswaar niet allemaal communist, maar de communisten domineerden de beweging wel. Dat kwam omdat de Griekse communistische partij (KKE) al voor de oorlog werd verboden en daardoor al vanaf het begin beschikte over een ondergronds netwerk. De ELAS was vooral groot in het noorden van Griekenland. De andere verzetsbewegingen, waarvan EDES en EKKA de belangrijkste waren, hadden een rechtse signatuur. Zelden werkten de bewegingen samen, diverse malen kwam het tot een gewapend treffen onderling. Een uitzondering vormde de aanslag bij Gorgopotamos in november 1942, toen EAM en EDES onder zware druk van de Engelsen samenwerkten om het belangrijke spoorwegviaduct daar te vernietigen.
Na de aftocht van de Duitsers en de terugkeer van de Griekse regering uit haar ballingschap in Cairo, ontstonden conflicten over de ontwapening van de verzetsbewegingen en hun opname in het reguliere leger. In december 1944 raakten Engelse troepen in Athene slaags met leden van de EAM-ELAS, wat leidde tot een bloedbad, waarna de spanningen onderling tussen links en rechts almaar toenamen, ondanks een te Varkiza gesloten akkoord. Toen de regering, tegen de zin van de KKE een referendum organiseerde over de terugkeer van de koning, was dat de druppel die de emmer deed overlopen en trokken veel voormalige EAM strijders opnieuw de bergen van Noord-Griekenland in. Daar woedde vanaf 1946 tot 1949 een bloedige burgeroorlog, die eindigde met een nederlaag van het anti-royalistische en voornamelijk door communisten geleide DSE (Democratische Leger van Griekenland).
Door de burgeroorlog zou het vluchtelingenprobleem en daarmee de wildgroei in de buitenwijken nog groter worden. Hij veroorzaakte opnieuw een grote trek naar steden als Thessaloniki, dit keer van plattelandsbewoners die de strijd ontvluchtten. Een aanzienlijk deel van deze nieuwkomers zou niet meer weggaan. Gevolg was dat de stad langzamerhand als een olievlek over haar grenzen begon te vloeien.

Ontwikkelingen vanaf de jaren zestig

Het aantrekken van de economie vanaf de jaren zestig betekende nogmaals een krachtige bevolkingsgroei. Met name aan de westzijde van de stad was sprake van een aanzienlijke industrialisatie, terwijl de haven profiteerde van de sterk verbeterende relaties met Joegoslavië. De toetreding van Griekenland tot de EU, toen nog Europese Economische Gemeenschap geheten, in 1981, zeven jaar na het bizarre intermezzo van het fascistische kolonelsregime, versterkte de positie van Thessaloniki als toegangspoort tot de Balkan. Dat alles had een aanzuigende werking. In snel tempo veranderde daardoor ook het beeld van de stad. De nieuwbouw vanaf die jaren kenmerkt zich door vergaande smakeloosheid. Op winst beluste projectontwikkelaars sloopten en bouwden dat het een lieve lust was. In snel tempo rezen eenvormige, wanstaltige betonkolossen op, die de charmante Byzantijnse monumenten niet zelden letterlijk overschaduwden.

Blunder

Een van de grootste blunders van het stadsbestuur in de jaren zestig was het opbreken van de tramlijnen om deze vorm van openbaar vervoer te vervangen door busvervoer, waarvoor de OAST het monopolie kreeg. Ook de diverse bootverbindingen met de randgemeenten werden opgedoekt en vervangen door bussen. Hoewel het busvervoer nog steeds relatief goedkoop is, is het systeem door de snelle groei van de stadsbevolking en de altijd ontoereikende middelen tot onderhoud van het materiaal, al decennia lang inadequaat. Met name in de zomermaanden, als de temperaturen kunnen stijgen tot boven de veertig graden, is reizen in de vaak overvolle bussen een crime. In de meeste bussen is wel luchtkoeling ingebouwd, maar vrijwel altijd zijn er passagiers die gewoontegetrouw de ramen openzetten, waardoor de airco niet meer werkt. Het aantal inwoners van het sub-tropische Griekenland dat kennelijk niet op de hoogte is van hoe een luchtkoeling werkt, roept bij mij steeds weer verbijstering op. Persoonlijk geef ik dan ook de voorkeur aan een van de talloze taxi's, maar dat kan niet iedere inwoner zich veroorloven, zeker niet in de huidige crisistijd.

Verstikt door auto's

De toenemende welvaart bracht ook de automobiel de stad in, wat leidde tot een kolossaal parkeerprobleem, dat tot op heden niet is opgelost. Omdat er in het centrum evenveel gewoond als gewerkt wordt en meerdere auto’s per gezin normaal zijn, althans tot voor de economische crisis in 2009 uitbrak, is de binnenstad chronisch verstopt en verstikt door blik. Het parkeerprobleem wordt vaak nog verergerd door het onverbeterlijke parkeergedrag van de Grieken. Je zet je auto bij voorkeur niet neer waar het kan, maar zo dicht mogelijk bij waar je moet zijn. Er bestaat ook een voorkeur voor het parkeren op het trottoir of, als het voorhanden is, op een fietspad. De schaarse fietspaden, die in recente jaren zijn aangelegd, zijn daardoor voor een deel onbruikbaar geworden voor fietsers. Een gewone voetganger kan zich meestal nog wel langs het stilstaande blik wurmen, maar je moet niet afhankelijk zijn van een rolstoel of rollator, dan heb je domweg pech.

Metro

Om het openbaar vervoer te verbeteren en het gebruik van de particuliere auto te ontmoedigen (het dertiende werk van Herakles) werd besloten tot de aanleg van een metrolijn, voorlopig een stukje van 9 kilometer, door het centrum, van het spoorwegstation in oostelijke richting naar Nea Helvetia, die later moet worden doorgetrokken richting Kalamaria. Van een logische doortrekking naar het vliegveld, zoals in Athene, is nog geen sprake, laat staan van een lijn naar buitenwijken als Ano Toumba en Sykies. In 2006, zo'n twintig jaar na de eerste serieuze plannen, werd met de aanleg begonnen en sindsdien stapelt de ene vertraging zich op de andere. Bij het schrijven van dit artikel wordt gefluisterd dat de lijn in 2020 gereed moet zijn, maar de bouw is al zo vaak tijdelijk, maar langdurig, stilgelegd door de in Griekenland almachtige archeologische dienst, omdat men weer op, soms belangrijke, oudheden stuitte, dat er onder de bewoners van Thessaloniki nogal wat scepsis bestaat over de haalbaarheid van deze datum.

Yannis Boutaris

In 2010 leek een frisse, progressieve wind over Thessaloniki te gaan waaien, toen voormalig wijnmaker Yannis Boutaris tot burgemeester werd gekozen. In 2014 volgde zijn herverkiezing. Hij kwam met een flink aantal ambitieuze plannen om van Thessaloniki een leefbaardere stad te maken. In zijn verkiezingscampagne stelde Boutaris ondermeer dat hij het toerisme wilde bevorderen en dan bij voorkeur het eco-toerisme. Ook de geschiedenis van de stad, tweede in het Osmaanse rijk, moet een rol gaan spelen bij het aantrekken van toeristen. Dat betekent aandacht voor het behoud en de restauratie van de Osmaanse monumenten, iets waarmee onder zijn voorgangers al is begonnen. De vriendschapsbanden met Constantinopel werden aangehaald met als resultaat dat Turkish Airlines al een aantal jaren een vliegverbinding tussen Constantinopel en Thessaloniki onderhoudt.
Wat het aantrekken van Israëlische toeristen betreft speelt de historische relatie tussen Thessaloniki en het jodendom een rol. Israël was een van de eerste landen die Boutaris samen met een van zijn loco-burgemeesters, Hasdai Kapon, niet toevallig van Joodse afkomst, in zijn nieuwe functie bezocht. Het streven meer toeristen uit Turkije en Israel te trekken lijkt vruchten af te werpen. Zo worden het Joods Museum in de Agiou Mina, op een steenworp van de markt van Modiano, en het geboortehuis van Ataturk in de Apostolou Pavlou aantoonbaar door meer groepen toeristen bezocht dan voor het aantreden van Boutaris.

Busbanen en waterbussen

Voor zijn aantreden kondigde Boutaris aan het verkeersprobleem betrekkelijk goedkoop te willen aanpakken door de bestaande negen kilometer busbaan uit te breiden tot honderd, door het transport over water in ere te herstellen en door de herintroductie van de tram, waarvoor binnen twee jaar zo'n vijfentwintig kilometer rails zouden moeten worden aangelegd. Een en ander zou zijn beslag moeten krijgen door partnerships tussen overheid en bedrijfsleven. Een deel van de energie voor de nieuwe transportmiddelen zou moeten komen uit zonne-energie, wat op den duur tot een forse kostenbesparing kan leiden. Het plan tot herintroduceren van de waterverbindingen is overigens niet nieuw. Toen Thessaloniki culturele hoofdstad van Europa was, in 1997, werd een soortgelijk voorstel gedaan, compleet met het ontwerp van een aantal aanlegsteigers. Dit ontwerp werd ondermeer tentoongesteld in het Nederlands Architectuurinstituut te Rotterdam, waarna er niets meer van werd vernomen. Dat geld mutatis mutandis ook voor de andere plannen tot verbetering van het openbaar vervoer. Er is nog niet veel van terechtgekomen. Behalve aan verzet uit de hoek van gevestigde belangen, zoals OAST en het taxi-wezen, is dat ook te wijten aan de in 2009 uitgebroken economische crisis, waardoor het gebrek aan financiën dat de speelruimte van Boutaris ernstig beperkt, nog nijpender is geworden. Het handelen van het gemeentebestuur zelf wordt ook beperkt door de hoge mate van centralisatie in Griekenland en de daardoor relatief geringe autonomie van het lokaal bestuur. Zo vallen bijvoorbeeld verschillende delen van de stad niet onder beheer van de gemeente, maar onder diverse ministeries: zoals de haven onder het ministerie van transport en de zeeboulevard voor een groot deel onder dat van defensie.

Tot besluit

Is Thessaloniki door alle problemen een chaotische, onleefbare stad? Chaotisch enigszins, maar onleefbaar zeker niet. Overal schemert nog het oude Thessaloniki door. In de, dankzij zijn geaccidenteerd terrein grotendeels ongeschonden gebleven bovenstad bijvoorbeeld, maar ook op drukke, hoewel rustieke plaatsen als de markt van Modiano en in de buurten daar omheen. Tegen de tijd dat Thessaloniki culturele hoofdstad van Europa werd kreeg men veel meer oog voor behoud van het oude en schilderachtige dan daarvoor. Dat resulteerde in uitgebreide restauraties in de havenbuurt en het centrum rond de monumentale Aristotelesstraat. Bovendien heeft men zelfs op het hoogtepunt van de bouwwoede nog wel enig oog gehad voor het groen in de stad. Veel straten zijn voorzien van bomen en alom vindt men parkjes en plantsoentjes. Dat geeft in mijn ogen een aangenamer sfeer dan in het nog veel meer uit zijn krachten gegroeide Athene, dat grotendeels in een betonwoestijn is veranderd. De aanwezigheid van twee universiteiten (waarvan de Aristotelesuniversiteit de grootste van het land is) en een hogeschool, en dus tienduizenden studenten, zorgt niet alleen voor veel levendigheid, maar eveneens voor een bruisend uitgaansleven. De aanwezigheid van tientallen theaters, bioscopen en concertzalen, alsmede de gunstige ligging aan zee, waardoor een verstikkende luchtvervuiling zoals in Athene niet voorkomt, zijn zaken die ertoe bijdragen dat men zich er bij tijd en wijle buitengewoon prettig kan voelen. Bovendien zijn er in het laatste anderhalve decennium nogal wat immigranten vanuit de Balkan en de voormalige Sovjet-Unie naar de stad gekomen, die daardoor weer een beetje haar kosmopolitische karakter van weleer heeft teruggekregen.
Zoals op de oude afbeeldingen zal het nooit meer worden, maar daarvan hadden we reeds vastgesteld dat ze ook niet echt de realiteit van die dagen weergaven. Het blijft daarom ook oppassen met de nostalgie naar oude tijden die ze soms bij ons oproepen.

Bibliografie

Bogaert, L. van, 1989 "Thessaloniki, een vrouw met een verleden" In: Lychnari, nr. 1, St. Adamantios Koraïs, Amsterdam.
Hatzisavvidis, S., Klok, K. & Timonidou, S. (eds.) 1992, Kruispunt 146. Themanummer over de literatuur en geschiedenis van Thessaloniki. vzw Kruispunt, Brugge.
Hasiotis, I.K. (ed.), 1997, Queen of the Worthy. Thessaloniki, History and Culture. Paratiritis, Thessaloniki.
Hokwerda, H. (ed.), 2005, Gioconda, de Joden van Thessaloniki in de Griekse literatuur. Ta Grammatta, Groningen 2005.
Klok, K. 2012, "Eén jaar Yannis Boutaris: een nieuwe wind over Thessaloniki?' In:Lychnari, nr. 1, p. 26/27 St. Adamantios Koraïs, Amsterdam.
Klok, K., 2013, "De metamorfose van Thessaloniki" In: Balancerend op de rand van Europa. Aspecten van de moderne Griekse geschiedenis en actualiteit. Liverse, Dordrecht.
Mazower, M., 2004, Salonica City of Ghosts. Christians, Muslims and Jews, 1430-1950. HarperCollins, Londen.
Papagianopoulos A. 1982, History of Thessaloniki. John Rekos & Co, Thessaloniki.

------------------------
This article deals with the process in which Salonica (Thessaloniki) changed from a Balkan metropolis and important city of the Ottoman Empire into a Greek city of regional importance from 1912 until the present day. A proces that was directed by the conquest of Salonica by the Greeks (1912), the great fire of 1917, the exchange of peoples after the Treaty of Lausanne (1923), the German occupation (1941-1944), the civil war (1946-1949) and the economic and demographic developments after 1960.

In licht gewijzigde vorm gepubliceerd in Tetradio 27 (jaarboek 2018 van het Griekenlandcentrum, Universiteit Gent).

Foto: auteur



zondag 10 maart 2019

The Dutch Conquest of the Banda Islands (1599-1621)



At the end of the sixteenth century the Dutch set out in search of the sea route around Africa to the East Indies. One of the reasons they did so was to obtain spices which were produced in the Moluccas and Banda Islands. The latter were particularly famous for its cloves and mace. When the Dutch arrived in the Bandas, situated to the south of the island of Ceram, it seemed that contacts between them and the Bandanese were to develop cordially. However, this soon changed when mutual violence occurred. In this text we are dealing with the question how Dutch-Bandanese relations developed between 1599 and 1621 and how they were influenced by the role played by competitors in the archipelago, particularly the English.

In Search of Cloves and Mace

The Dutch had political, strategic as well as economic reasons for opening their own direct trade route to the East Indies. The first two had to do with the Eighty Years War fought between the Dutch and the Habsburg rulers of the Netherlands which finally resulted in the official recognition of the independence of the Dutch Republic (1648). The economic reason was to share in the lucrative spice trade between the East and Europe. However, as soon as the Dutch arrived in the Indonesian archipelago they realised that competition, particularly by the Portuguese and the English, could be a threat to the profits of trade, which made them decide to establish a monopoly even if this meant having to use force (Hall p. 321). As it soon became evident that the power of the Portuguese was already in decline by the time the Dutch arrived, many of them began to perceive the English as their main competitors in the East.
When the first Dutch expedition under van Heemskerk arrived (1599), it was well received and a right to trade with the Bandas was agreed upon. However, soon attempts to establish a monopoly by forcing the islanders to trade solely with the Dutch were to meet with great disapproval by the Bandanese. As spices were in great demand, prices tended to rise making it worth while for the inhabitants of Banda to play off one competitor against the other. This soon soured relations with the demanding Dutch.

Dutch, English, Bandanese

Though the Dutch presence in the Moluccas was considerably stronger than the English due to better organisation, better equipment and greater financial backing (Ricklefs, p. 23), the latter were perceived as the greatest threat to the profits of the VOC. As a result of this the company tried to exclude the English from trading whenever possible even to the extend of not or very reluctantly carrying out the agreement made by England and the Dutch Republic concerning eastern trade. As the end of the so-called Twelve Year's Truce with Spain (1609-1621) was approaching and a renewal of the hostilities was likely, the States-General of the Dutch Republic thought to come to some sort of understanding with the English. The agreement, concluded in 1619, contained provisions for sharing the spice monopoly. A third of the trade was for the English, two thirds for the Dutch. Long before the agreement there had been incidents between Dutch and English traders in the archipelago and the treaty, news of which only reached the Indies in April of the following year, largely remained a dead letter, mainly due to open obstruction of it by Jan Pieterszoon Coen, governor-general of the VOC from 1617-1623 and again from 1627-1629. Coen was determined to do whatever lay in his power to enforce the Dutch monopoly even to the extend of using force.
Problems in the Bandas started when in 1602 five Dutch traders on the islands, part of a group that had stayed behind in expectation of the next trading fleet, were murdered while the remaining ten were forced to leave. Apparently a quarrel about a Dutch loan to the Bandanese lay at the bottom of this incident (Van Goor, p. 85). Despite this the 1602 trade agreement was renewed in 1605, but again the Bandanese continued their trade with the English and other competitors of the VOC.
In 1609 a large Dutch fleet under admiral Verhoeff arrived in the Bandas. Though reluctantly the inhabitants of Banda Neira offered Verhoeff the right to build a fortress and they somehow managed to convince the admiral and his company to come ashore without bringing a guard. He was ambushed and murdered together with forty-six others. The fortress however was established by his successor vice-admiral Hoen and a new trade agreement signed, which was again from time to time ignored by the Bandanese. Though the Dutch managed to strengthen their position in the Bandas and the Moluccas, incidents with the English who persisted in their efforts to trade continued. These efforts, though greatly irritating the Dutch, had only limited success, mainly because the English were not powerful enough to offer the natives sufficient support in the event of Dutch retaliation (Hall, p. 325). The VOC on the other hand showed a growing determination to have its own way.

John Jourdain and Jan Pietersz. Coen

In 1613 the Englishman John Jourdain founded a factory at Macassar. Soon he became the leading figure in the struggle against the Dutch, particularly when he became president of the English settlement at Bantam on Java. Jourdain thought a show of determination would constrain the Dutch, but he underestimated Jan Pieterszoon Coen. When the English seized a Dutch ship, the Zwarte Leeuw, off Bantam in December 1618, to use as a security against VOC actions, Coen attacked the English factory at Jacatra and destroyed it. Leaving a garrison to defend the VOC position at Jacatra he sailed to the Moluccas for reinforcements and returned in May to relieve the Dutch and drive the English and the forces of the sultan of Bantam out. Jacatra rose out of the ashes to which it was reduced by Coen as Batavia, which would become the administrative centre of the VOC and later on the capital of the Dutch East Indies until 1949.
When the English under George Ball arrived at Banda Neira in March 1615, they were met by a strong Dutch force. Ball therefore decided to divert his ships to Ay in order to get cargo. The Dutch however attacked the island, but were driven off by the natives with English help. This was only a temporary success. The Dutch were by now determined to establish their monopoly by force (Hall, p. 326). Even though the English sent a small fleet to the Bandas again in 1616, which could not do much to assist the natives in the face of overwhelming Dutch power, the latter overran Ay in December. The English thereupon sent two ships to the isle of Rhun offering it protection, but they were seized by the Dutch. VOC admiral and predecessor of Coen as governor-general, Laurens Reaal offered the English a deal: if they agreed to allow the Dutch to treat the islands as they saw fit, their ships would be returned. The English refused. However brave this refusal looked, it did not help the natives much, as the English could do little more than offering encouragement. In November 1617 Reaal demanded the English evacuation of Rhun. The English refused to do so and for the time being the situation remained as it was, though through English instigation there were several attacks by locals on the Dutch on Banda Neira (Fort Nassau) throughout 1618 and 1619. After the destruction of Jacatra Coen decided it was time to strike in the Bandas. The final act of the drama however was delayed by the arrival in the archipelago in April 1620 of the news of the Anglo-Dutch treaty, news that must have certainly displeased the governor-general.

Final Act

In the nineteenth century Jan Pietersz. Coen became one of the popular great men in Dutch history and he remained so until well into the twentieth century. Few Dutch historians however would now agree with the words of admiration once used to describe the establishment of VOC power in the archipelago: 'Daar werd iets groots verricht' (Something great was achieved out there). No doubt Coen did establish the VOC monopoly in the Bandas and generally put Dutch power in the archipelago on a strong footing, but the way he did so was even in his own days not wholly uncriticised.
Though officially the English were to have their third share in the spice trade of the Moluccas and the Bandas, Coen took his time to act according to the Anglo-Dutch treaty, to such an extend that some historians accuse him of openly sabotaging it (Hall, p. 331). The treaty implied that the instructions Coen received from Holland in 1618 to use force if necessary to expel all foreigners from the archipelago did not apply to the English. However, Coen decided that this should but remain a dead letter. He insisted on the need to occupy the islands as the only way of establishing the VOC monopoly.
Using the pretext that the Bandas traded with the Spanish enemy on Tidore, a VOC squadron under Coen attacked Lonthor (Banda Besar) in January 1621. Though the islanders resisted fiercely they were forced to surrender in March. Fearing a Dutch attack the inhabitants of Rhun made their submission too. The Bandanese were convinced that they were betrayed by the English who did not offer any help because they lacked the power to do so and also felt bound to the Anglo-Dutch treaty (Hall, p. 332). Soon after their official surrender the people of Lonthor (Banda Besar) started a serious revolt. This came to Coen as a present from heaven, because it gave him the excuse to carry out his plan to solve the problem of the Bandas once and for all. This meant removing all the original inhabitants from the islands and repopulating them with settlers from elsewhere that would be fully loyal to the VOC. This plan was ruthlessly carried out after first having treated and executed the headmen accused of leading the revolt. Even in Coen's own days servants of the VOC who were witnesses on the scene were shocked and disgusted by the violence used (Van Goor, p. 82/ Hall, p. 333).
The conquest of the Bandas and the subsequent clearances of the islands meant that the Anglo-Dutch cooperation as provided for in the treaty of 1618 had completely broken down even though in name it still existed. The final blow came on the island of Amboina (Ambon) in 1623, when eighteen English traders were arrested by the Dutch. They were accused of conspiring against the Dutch fortress and thereupon tried and executed.

The Use of Violence

Violence was not an uncommon way for powerful traders in the archipelago to set things right in case they felt wronged. In many ports violence was not, or not yet, a monopoly of the state. The situation varied from place to place, but particularly in those areas where states were either small and weak or not yet fully developed, trading companies like the VOC and the EIC tended to fend for themselves. Already the first voyage of the Dutch (1595-97), under Cornelis de Houtman, was marked by violence (Van Goor, p. 82/83). It was not constricted to the Europeans either, although their influence and power, both financial as well as military, played an important role in the continuously flaring up of conflicts between the myriad of competing smaller and bigger states in the archipelago.
When it was founded the VOC was not only granted a trade monopoly with the East by the States General of the Dutch Republic, but it specifically obtained the right to maintain men of war as well as to raise an army not only in order to establish and defend its monopoly, but also to wage war on the enemies of the Republic, the Spanish and Portuguese. Once in the east the Dutch soon began to see the English, who followed in their trail, as the largest threat to their monopoly. At first this quite surprised the English, who sympathised with the Dutch in their struggle against the king of Spain and who tended to see them as their natural allies in Europe (Hall, p. 321). As Hall implies, the English no doubt reacted indignantly towards the aggression by the Dutch, which probably made them more determined to get their share of trade without giving in to demands they thought profoundly unreasonable. This reaction however may have been regarded by the Dutch as proof of the soundness of their suspicions against the English and therefore encouraged them to drive the enemy out, if needed by force.
No doubt the violence used by Coen was excessive and recognised as such at the time. Yet Coen was never condemned nor reproved by the Heeren XVII (the board of governors of the VOC). Dutch violence was probably encouraged by three factors. First of all irritation about English insistence on trading with the Bandas and fear that this would finally lead to a failure in maintaining the VOC's valuable trade monopoly and secondly the behaviour of the Bandanese themselves who were constantly breaking their agreements with the Dutch not seldom using violence and murder as well, as we saw in the case of admiral Verhoeff and his company. Thirdly the person of Coen himself, a man who was to carry out his mission with whatever means possible in the most determined way. 

Conclusion

At first it looked like relations between the Dutch and the Bandanese would develop peacefully, but they were soon at loggerheads with each other. The Dutch insisted on establishing a trade monopoly, but the Bandanese thought to profit from the continuously rising price of cloves and mace and therefore carried on their trade with the competitors of the VOC, particularly the English. The Dutch, who became more and more suspicious of the English and who feared the monopoly would finally be lost, decided that the only way of maintaining it was to conquer the islands. The actual conquest was only slightly delayed by the Anglo-Dutch treaty, which was almost certainly wilfully ignored by Jan Pietersz. Coen. That he could do so shows how powerful the VOC had become as a 'state in the state.' Even though there was some criticism of the excessive violence Coen used in the Bandas, his actions were finally approved by his superiors and the States-General and until far into the twentieth century looked upon as a token of Dutch enterprise and heroism in the east.

Literature

J.H.C. Blom & E. Lamberts (ed.), Geschiedenis van de Nederlanden. Amsterdam 1994.
C.R. Boxer, The Dutch Seaborne Empire. Harmondsworth 1973 (1965).
D.W. Davies, A Primer of Dutch Seventeenth Century Overseas Trade. The Hague 1961.
Holden Furber, Rival Empires of Trade in the Orient, 1600-1800. Minneapolis 1976.
Femme S. Gaastra, De Geschiedenis van de VOC. Zutphen 19912 .
J. van Goor, De Nederlandse Koloniën. Geschiedenis van de Nederlandse expansie, 1600-1975. The Hague 1994.
D.G.E. Hall, A History of South-East Asia. 4th Edition. London 1981.
Jonathan Israel, Dutch Primacy in World Trade, 1585-1740. Oxford 1989.
M.C. Ricklefs, A History of Modern Indonesia. London 1988.
Jan & Annie Romein, Erflaters van onze beschaving. Nederlandse gestalten uit zes eeuwen. Amsterdam 19719 (On J.P. Coen).

First published in Anistoriton, Athens 2000.


maandag 4 maart 2019

De verrassende geschiedenis van een huis



In het najaar van 2018 verscheen Dijkbewaking, het jongste deel in de serie literaire dagboeken die ik bij uitgeverij Liverse publiceerde. Daarin maak ik op maandag 5 januari 1981 melding van het feit dat mijn vrienden Ton & Nelly van Dalen en Gerard Bouma een huis hebben gekocht in de Wijnstraat te Dordrecht: "Het schijnt een groot pand te zijn, gekocht van een zonderling, waar veel aan verbouwd moet worden." Toen ik er niet veel later een kijkje ging nemen, schrok ik van de enorme berg werk die zou moeten worden verzet om het pand bewoonbaar te maken. 

We zijn inmiddels 38 jaar verder en het huis, dat toen het aanzien van een ruïne had, is beetje bij beetje getransformeerd tot een prachtig gerestaureerd herenhuis. Mijn vrienden wonen er nog steeds en ik hoop dat dat nog lang zo zal blijven. Dat het huis een buitengewoon verrassende geschiedenis blijkt te bezitten, wist niemand nog in 1981. Wel was duidelijk dat het om een pand van indrukwekkende leeftijd ging, waarin sporen waren te zien die teruggingen tot de zestiende eeuw. Hoe indrukwekkend en verrassend de geschiedenis van Vin de Vent, zoals de nieuwe bewoners het noemden, is, blijkt uit het boek Verborgen in Vin de Vent, geschreven door Angenetha Balm, Rosa Paasse en Jan Willem Boezeman, onderzoekers verbonden aan het Historisch Documentatie- en Kenniscentrum Augustijnenhof te Dordrecht.

Het boek is een fascinerende reis door de tijd, waarin we kennismaken met illustere bewoners als Cornelis Pietersz. van Beveren, de eerste gereformeerde burgemeester van Dordrecht, en zijn, voor de omwenteling van 1572 verboden, protestantse bijbel. Zo'n geschrift na de komst van Alva (1567) naar de Nederlanden in bezit hebben, was levensgevaarlijk, zeker in een stad als Dordrecht, waar de schout, Johan van Drenckwaert, nogal fanatiek jacht maakte op ketters. Die liepen groot risico te worden terechtgesteld. Dat een aantal van hen de dans ontsprong is mede te danken aan Cornelis van Beveren en zijn gezin. Het bezit van die bijbel moest zorgvuldig geheim worden gehouden. Als het moest, kon hij worden verstopt in een met lood bekleed kistje, dat in de rookkast in de schoorsteen kon worden verborgen. Na een eeuwenlange omzwerving langs talloze erfgenamen van de Van Beverens, is de bijbel, dankzij het noeste speurwerk van de onderzoekers van het Augustijnenhof, teruggevonden. Resten van de rookkast zijn, na afbraak van de schoorsteen, door de huidige bewoners bewaard. Beiden zijn op het ogenblik te zien in het Dordrechts Museum op de tentoonstelling Werk, bid en bewonder, die nog tot eind mei duurt.

Andere illustere bewoners zijn ondermeer enkele leden van de familie Diodoti, waarvan er één afgevaardigde namens Genève was op de Synode van Dordrecht (1618/19), een theoloog die zich achter de geruchtmakende executie van Johan van Oldenbarnevelt (1619) schaarde en waarvan een nazaat het legaat beschikbaar stelde waaruit het schitterende, gouden avondmaalservies in de Grote Kerk werd bekostigd. Een legaat dat zo ruim was, dat er ook nog twee zilveren serviezen af konden, voor respectievelijk de Augustijnenkerk en de Nieuwkerk. In de 19e eeuw woonde het liberale lid der Tweede Kamer J.P. Bredius enige tijd in het huis. Ook minder illustere bewoners spelen een interessante rol in de geschiedenis van Vin de Vent.

Het boek is bijzonder fraai geïllustreerd, de bouwgeschiedenis van het pand is minutieus onderzocht en gedocumenteerd. Enkele uitgebreide boedelbeschrijvingen zijn voor de leek misschien wat droog om door te nemen, maar trakteren de historicus op een gedetailleerde blik op de maatschappelijke status van de betrokkenen. Niet alleen de illustraties verlevendigen Gevonden in Vin de Vent, dat doen ook de talloze citaten uit koopakten en testamenten. 

Voor mij persoonlijk bevat het boek een kleine, maar ontroerende verrassing, toen ik op een foto op bladzijde 72 prominent mijn in 2007 overleden geliefde Stella tegenkwam. Eerlijk gezegd baal ik een beetje van het feit dat mijn eigen huis slechts van 1914 dateert, dus een geschiedenis van niks heeft, want je zou maar het geluk hebben dat er zo'n verrassend verhaal over je woning boven water komt.


Angenetha Balm, Rosa Paasse, Jan Willem Boezeman - Verborgen in Vin de Vent. ISBN 9789463867535. Euro 19,95.