woensdag 17 april 2019

Thessaloniki: van Balkanmetropool tot regionale hoofdstad


Ik herinner mij mijn eerste kennismaking met Thessaloniki, in oktober 1987. Ik arriveerde in een stad die ogenschijnlijk in voortdurende chaos verkeerde. Vooral door het razende verkeer, maar ook door de rommelige indruk die de straten maakten. Auto's die op de meest willekeurige wijze waren geparkeerd, waar mogelijk op de trottoirs, overal te pas en te onpas achtergelaten scooters en motoren, evenals te vaak uitpuilende vuilcontainers, alsof iemand ze er zomaar had neergesmeten, tussen grauwe, ontsierende hoogbouw. Naarmate ik de stad leerde kennen en vooral haar vriendelijker aspecten, bleek het allemaal wel mee te vallen en nu vind ik Thessaloniki overwegend een prettige stad om in te verblijven, maar zij leek in niets op wat ik ervan in afbeeldingen had gezien. Thessaloniki heeft in de twintigste eeuw een ware metamorfose ondergaan. In dit artikel probeer ik uit te leggen wat daarvan de oorzaken zijn.

Zoals het was

Er bestaat een prentbriefkaart uit 1917 van de Nikis-boulevard, waarop men een groepje heren, waarvan een in uniform, kalmpjes over de kade ziet kuieren. Er liggen wat kaïks, zeilschepen van bescheiden formaat, afgemeerd. Langs de neoklassieke villa’s, waarvan er geen enkele meer dan drie verdiepingen telt, glijdt een elektrische tram en van de andere kant komt welgeteld één auto aangereden. Alles ademt rust en vrede. Aan vrijwel niets, behalve misschien dat uniform, maar dat zou net zo goed van een postbode kunnen zijn, is te merken dat we midden in een wereldoorlog zitten, waarvan vooral de nasleep, in dit geval de Grieks-Turkse oorlog (1919-1923), voor de stad grote gevolgen zou hebben. De kuierende heren hebben uiteraard nog geen enkel vermoeden van de ramp die Thessaloniki later dat jaar zal treffen.
Een even vredige sfeer ademt een tekening van Edward Lear uit het midden van de 19e eeuw. Vanaf de hooggelegen citadel schetst hij een panoramisch beeld van een charmante, oosterse stad met koepels en minaretten, waartussen vele cipressen omhoog steken. Het blauwwazige bergmassief aan de overzijde van de baai is de Olympus, die op heldere dagen vanuit de stad te zien is als herinnering aan andere tijden.
Uiteraard zijn die plaatjes bedrieglijk. Lears verbeelding, die te vinden is in het in 2004 verschenen Salonica City of Ghosts, van de Engelsman Mark Mazower, is wel erg romantisch. In het boek staat ook een foto van de Nikis uit dezelfde tijd als bovengenoemde kaart. Daarop krioelt het van de mensen, die vooral samendrommen om een tentoongesteld Duits militair vliegtuig. Behalve de tram zien we ambulances en vrachtwagens van het leger. Wel staan de villa’s er hier ook nog ongeschonden bij en van enige hoogbouw is nog geen sprake.
Tot zover is er weinig bijzonders aan de hand. Dat steden onder invloed van de tijd van uiterlijk veranderen is even natuurlijk als bij de mens. Niemand van ons is op zijn vijftigste meer de fleurige jongeling die hij eens was. Het bijzondere van Thessaloniki is daarom niet dat het vrijwel onherkenbaar veranderde. Het bijzondere is de manier waarop dat in zijn werk ging.

Factoren

Minstens zes factoren hebben bijgedragen tot de metamorfose van Thessaloniki in de 20e eeuw:
- de verovering door de Grieken in de Balkanoorlogen (1912-1913)
- de grote stadsbrand van 1917
- de bevolkingsuitwisseling tussen Griekenland en Turkije (1923)
- de Duitse bezetting (1941-1944)
- de burgeroorlog (1946-1949)
- de economische ontwikkelingen vanaf 1960

Al deze factoren worden uitgebreid door Mazower behandeld, behalve de laatste, want zijn boek, waarvan ook een Nederlandse vertaling is uitgekomen, gaat niet verder dan 1950. Van de tragische geschiedenis van de Joden van Thessaloniki, die tot na de Eerste Wereldoorlog de grootste bevolkingsgroep vormden, kan men niet alleen kennisnemen bij Mazower. In het voorjaar van 2005 verscheen de bloemlezing Gioconda, de Joden van Thessaloniki in de Griekse literatuur. De stukken die samensteller Hero Hokwerda hier heeft verzameld geven een goed beeld van het Joodse leven en lijden in de stad en vooral van dat laatste.

De Balkanoorlogen

Thessaloniki werd tijdens de Eerste Balkanoorlog (1912) ingenomen door het Griekse leger, na een nek-aan-nek-race tegen de eveneens snel oprukkende Bulgaren. Tijdens de Tweede Balkanoorlog (1913) werd Bulgarije, dat van bondgenoot in vijand was veranderd, verslagen. Bij het Verdrag van Boekarest (1913) werd Grieks-Macedonië en daarmee Thessaloniki onderdeel van Griekenland waarmee een einde kwam aan bijna vijf eeuwen Osmaans bestuur. In Griekenland spreekt men van de 'bevrijding' van Thessaloniki, ten onrechte, omdat de stad nooit eerder deel uitmaakte van de moderne Griekse staat. De these van de historicus Konstantinos Paparrigopoulos (1815-1891), als zou er een continuïteit zijn vanaf de Oudheid, via Byzantium naar het moderne Griekenland is historisch aanvechtbaar, maar het gaat te ver hier te veel in detail te treden. De komst van de Grieken betekende het begin van de vergrieksing van de stad, of wellicht is hergrieksing een betere term. De Macedonische heerser Kassandros stichtte Thessaloniki in 315 v. Chr. en noemde de stad naar zijn vrouw, een halfzuster van Alexander de Grote. Zoals bekend spraken de Macedoniërs een Dorisch-Grieks dialect. Sindsdien is het Grieks nooit uit Thessaloniki verdwenen. Door de eeuwen heen hebben er Grieken gewoond, al vormden zij lange tijd een minderheid, als gevolg van de Osmaanse verovering (1430) en grootschalige immigratie van Joden uit Spanje en Portugal in de loop van de 15e eeuw. In 1912 bestond de bevolking voornamelijk uit Joden, Turken, Grieken en Bulgaren, met daarnaast nog een handvol minderheden van de Balkan. 
Griekse ambtenaren vervingen de Osmaanse bureaucratie en gingen de stad besturen. Op straat werd de orde gehandhaafd door de aanvankelijk vooral uit Kretenzers bestaande Griekse gendarmerie. Het Griekstalig onderwijs werd sterk uitgebreid, vooral met leerkrachten uit de Peloponnesus, want het Grieks werd de enige officiële taal. Zonder kennis van die taal werd het leven een stuk moeilijker. We zien dan ook dat anderstaligen zich gingen aanpassen.
Dat gold in de eerste plaats voor de Joodse gemeenschap. Deze sprak nog grotendeels een eigen Spaans-joods (Sefardisch) dialect, het zogenaamde Ladino. Nu begonnen de Joden zich ook voor het dagelijks gebruik van het Grieks te bedienen. Dat betekende een langzame achteruitgang van het Ladino, tot de taal vrijwel helemaal uit de stad verdween met de deportatie van het overgrote deel van de Joodse gemeenschap tijdens de Duitse bezetting. De 'vrijwillige' bevolkingsuitwisseling tussen Griekenland en Bulgarije, in 1919, had tot gevolg dat de Bulgaren vrijwel allen wegtrokken uit Thessaloniki. Het Verdrag van Lausanne (1923) betekende een verdere stap op weg naar demografische homogenisering, zoals we nog zullen zien.

De fatale brand

Op 18 augustus 1917 brak er brand uit in de Turkse wijk, de Ano Polis (bovenstad). Wat aanvankelijk een eenvoudig brandje leek, veranderde al snel in een verzengende vuurzee, na het opsteken van de Vardaris, de noordenwind die in normale gevallen 's zomers wat verkoeling brengt. De met volkomen ontoereikende middelen uitgeruste brandweer en de te hulp geschoten Geallieerde troepen (sinds 1915 nabij de stad gelegerd), konden slecht uit de voeten in de nauwe straten, die meer en meer verstopt raakten met vluchtende inwoners. Al snel bleek blussen een hopeloze zaak. Het feit dat veel huizen nog van hout waren of houten gevels hadden, droeg naast de Vardaris bij aan een snelle verbreiding van het vuur, dat bijna drie dagen brandde en ongeveer driekwart van de stad in de as legde. Slechts het zuidoostelijke deel bleef gespaard. Het inferno had grote gevolgen.
Allereerst was er de enorme materiële schade en raakten ongeveer 73.000 mensen dakloos. Toonaangevende panden en monumenten als de Agios Dimitrios, de Osmaanse Bank, het Belgische consulaat, alsmede een enorme reeks winkels, cafées, restaurants, hotels en het hoofdkwartier van de Britse troepen werden in de as gelegd. Met behulp van de Geallieerden werden de getroffenen voorlopig zo goed en zo kwaad als het ging in tenten ondergebracht. Een klein aantal vertrok om onderdak te zoeken bij familie in andere plaatsen. Voor een handvol, met name arme Joden, was de brand aanleiding om te emigreren, ondermeer naar de VS.
Zaak was de herbouw van de stad zo snel mogelijk ter hand te nemen. Het negentiende eeuwse karakter van Thessaloniki, met de sterk oriëntaalse inslag, ging voorgoed verloren. Eerste minister Venizelos vond de dichtbevolkte stad onhygiënisch en beschouwde de brand welhaast als een geschenk uit de hemel. Ook meende hij dat het Osmaanse karakter onwaardig was voor de moderne, progressieve staat, die hem voor ogen stond. De overheid wilde daarom de gelegenheid aangrijpen Thessaloniki als symbool van het Griekse modernisme te herbouwen.
Besloten werd het afgebrande gebied tijdelijk te onteigenen en opnieuw op te bouwen volgens een plan dat moest worden opgesteld door een commissie van Griekse en buitenlandse experts. Een dergelijke commissie werd al snel gevormd, aanvankelijk onder leiding van de Britse landschapsarchitect Thomas Mawson, die later werd vervangen door de Franse architect Ernst Hebrard. Al negen maanden later presenteerde de commissie haar plan, dat het aanzien van de stad grondig wilde veranderen. Het centrum zou vooral een bestuurlijk en zakelijk karakter krijgen en minder dat van een woonomgeving. Daarvoor waren de omliggende buurten en de buitenwijken bedoeld. Bij de haven zou een nieuwe, industriële zone moeten worden geschapen en buiten de oostelijke stadsmuur moest een universiteit verrijzen. Straten zouden worden verbreed en volgens een rechthoekig patroon aangelegd.
Het plan stuitte onmiddellijk op bezwaren, vooral vanuit de Joodse gemeenschap, waarvan de leiders vreesden dat het vooral bedoeld was om de Joden uit het stadscentrum, waar zij voor de brand voornamelijk woonden, te verdrijven. Dit werd nadrukkelijk door de Griekse regering ontkend. Ook was niet duidelijk hoe het verder moest met de dakloos geworden centrumbewoners, die voorlopig schadeloos werden gesteld met waardecertificaten waarmee zij konden bieden op kavels, als de herbouw zou starten. Het zag er in elk geval naar uit dat velen, vooral armere inwoners, niet in het centrum zouden terugkeren. Dat het plan, dat nooit in zijn originele vorm is uitgevoerd, geen anti-Joodse opzet had, bewijst het feit dat Joden die kapitaal in de nieuwe opzet van de stad wilden investeren niets in de weg werd gelegd. Veel rijkere Joden investeerden uiteindelijk in de herbouw, waaraan wij mede de markt van Modiano hebben te danken.
Al spoedig bleek het nogal ambitieuze plan niet te stroken met de realiteit en werd het keer op keer aangepast, als gevolg van druk op de regering door allerlei belanghebbenden, en vooral door beperkte financiële mogelijkheden. Daardoor vond de herbouw tenslotte plaats op grond van een sterk verwaterde versie van het oorspronkelijke plan, met als resultaat dat er gebouwd werd, in de woorden van Mark Mazower, 'in een verbijsterende variëteit van stijlen.' Wel werd het stratenpatroon in de benedenstad vrijwel volgens het originele plan aangelegd. Buiten het centrum was dat maar zeer gedeeltelijk het geval. Daardoor heeft de Ano Polis waarvan een deel onder de brandgrens ligt, haar originele stratenpatroon goeddeels behouden.
Onduidelijk is waar de ramp precies begon en hoe hij werd veroorzaakt. Men vermoed dat de brandhaard is ontstaan nabij de kruising tussen de Olympou en de Ion Dragoumi, in de buurt van de overdekte, Turkse markt. De oorzaak heeft men nooit kunnen achterhalen. Hoewel er kort na de brand allerlei geruchten gingen dat hij op diverse plaatsen zou zijn aangestoken, is daar nooit enig bewijs voor gevonden. Het vermoeden is dat het een ongeluk was met een petroleumstel, zulke ongelukken kwamen wel vaker voor, maar zekerheid daarover hebben we niet.

De Grieks-Turkse oorlog

De belangrijkste drijfveer van de Griekse buitenlandse politiek gedurende de 19e en vroege 20e eeuw, was de Megali Idea. Deze gedachte hield kort gezegd het streven in om alle gebieden in de regio waar zich in het verleden Grieken hadden gevestigd, in te lijven bij een Groot-Griekenland, dat de reïncarnatie van het Byzantijnse rijk zou zijn. De hoofdstad van dit rijk moest het in 1453 aan de Osmanen verloren gegane Constantinopel worden.
In 1919 eiste Griekenland op de Parijse vredesconferentie officieel Smyrna en omstreken op, maar nog tijdens de vredesbesprekingen, bezetten Italiaanse troepen het gebied rond Antalya. Een eigenmachtig optreden dat niet alleen de Grieken verontrustte, maar bij de Engelsen, Fransen en Amerikanen in het verkeerde keelgat schoot. Zij gaven Athene daarom toestemming voorlopig een legermacht naar Smyrna te sturen.
De eerste Griekse troepen landden op 15 mei 1919. Zij werden enthousiast ontvangen door de christelijke (Griekse en Armeense) inwoners. De Turken waren minder blij met de komst van de Grieken. Vrijwel onmiddellijk braken er gevechten uit, waarbij zo'n 350 Turkse burgers het leven verloren. Daarmee was de toon gezet voor het drama dat zich in de daarop volgende drie jaar zou voltrekken.
In het binnenland van Anatolië was inmiddels onder leiding van de, in Thessaloniki geboren, officier Mustafa Kemal een krachtige nationalistische beweging gegroeid. Deze kreeg spoedig grote delen van het land in handen. Het was tegen deze nationalisten, die vastbesloten waren om een verdeling van Anatolië te voorkomen, dat de Grieken het moesten opnemen. Daarvoor was de steun van de Geallieerden nodig, maar deze lieten Griekenland een voor een in de steek, op Engeland na, zo dacht men in Athene.
Desondanks begonnen de Grieken in maart 1921 een groot offensief, dat hen tot op veertig kilometer van Ankara, Kemals hoofdkwartier, bracht. Daar liep het front vast. De Grieken hadden zich in een uiterst precaire situatie gemanoeuvreerd. De aanvoerlijnen waren veel te lang en kwetsbaar geworden en Engeland had hen inmiddels ook in de steek gelaten: alle mooie en bemoedigende woorden van de Britse premier Lloyd George ten spijt, verklaarde Londen zich, net als de andere Geallieerden, uiteindelijk strikt neutraal in het conflict.
Op 26 augustus 1922 begonnen de Turken aan een tegenoffensief. Het Griekse front stortte als een kaartenhuis ineen. Op de avond van 9 september braken in de Griekse en Armeense wijken van Smyrna branden uit. Van het Griekse leger was geen spoor meer te bekennen. Onder de neus van een werkeloos toekijkende geallieerde vloot werden zo'n 30.000 Grieken en Armeniërs door Turkse militairen afgeslacht. De Megali Idea ging letterlijk in rook op. Deze gebeurtenis staat in Griekenland bekend als de Grote Catastrofe.
De oorlog werd bezegeld met het verdrag van Lausanne. Daarin werd ondermeer bepaald dat alle Grieks-orthodoxen uit Turkije en alle islamieten uit Griekenland dienden te vertrekken. Er werden alleen uitzonderingen gemaakt voor de islamieten van West-Thracië en de Grieks-orthodoxen van Constantinopel, Tenedos en Imbroz. Naar schatting 1,2 miljoen Grieken kwamen daardoor naar Griekenland, terwijl een kleine 400.000 Turken in tegenovergestelde richting vertrokken. Uitgaande van het Osmaanse millet-systeem werden alle Grieks-orthodoxen als Grieken en alle moslims als Turken beschouwd. Dat had ondermeer tot gevolg dat de kleurrijke groep van de Dönmes, tot de islam bekeerde Joden, uit Thessaloniki moest vertrekken. Tegelijkertijd begon er vanuit de Joodse bevolkingsgroep een migratiebeweging op gang te komen, richting Palestina, Frankrijk en de VS.
Een aanzienlijk deel van de vluchtelingen werd in Thessaloniki, Grieks-Macedonië en Thracië gehuisvest, omdat het voor Athene van groot belang was het Griekse karakter van Noord-Griekenland te benadrukken. Voor de stad, nog niet bekomen van de grote brand, betekende de toevloed van mensen een enorm probleem. Er moest snel onderdak komen voor nog een grote groep ontheemden. Dat had tot gevolg dat de buitenwijken in rap tempo begonnen te groeien. Nieuwbouw daar vond echter zonder veel planning en overleg plaats.

Bezetting en burgeroorlog

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Griekenland bezet door Duitsland en zijn Italiaanse en Bulgaarse bondgenoten. De haven van Thessaloniki was voor de Duitsers te belangrijk om aan de bondgenoten over te laten. Voor de Joodse gemeenschap, die na 1912 van ongeveer 90.000 was teruggelopen tot bijna 50.000 mensen, was de bezetting een ramp. In 1943 werden vrijwel alle Joden naar Auschwitz gedeporteerd en daar vermoord. Slechts zo’n 5% wist, geholpen door Griekse stadgenoten, te ontkomen. Van de slachtoffers keerden slechts een kleine 2000 terug. Tijdens de oorlog waren nog eens tienduizenden vluchtelingen naar de stad gekomen, waarvan het grootste deel op de vlucht was geslagen voor het extreem harde bezettingsregiem van de Bulgaren in oostelijk Macedonië en West-Thracië.
Vanwege zijn bergachtige terrein leende Griekenland zich uitstekend voor gewapend verzet door middel van een guerrilla tegen de bezetters. Vele Grieken trokken 'naar de bergen', zoals het bij het verzet gaan, werd genoemd. Het Griekse verzet werd met wapens gesteund door de Geallieerden en met adviseurs, maar het probleem was dat er, net als in de Griekse samenleving, grote onderlinge verdeeldheid heerste. De leden van de veruit grootste verzetsbeweging, de links georiënteerde ELAS, met de EAM als haar gewapende arm, waren weliswaar niet allemaal communist, maar de communisten domineerden de beweging wel. Dat kwam omdat de Griekse communistische partij (KKE) al voor de oorlog werd verboden en daardoor al vanaf het begin beschikte over een ondergronds netwerk. De ELAS was vooral groot in het noorden van Griekenland. De andere verzetsbewegingen, waarvan EDES en EKKA de belangrijkste waren, hadden een rechtse signatuur. Zelden werkten de bewegingen samen, diverse malen kwam het tot een gewapend treffen onderling. Een uitzondering vormde de aanslag bij Gorgopotamos in november 1942, toen EAM en EDES onder zware druk van de Engelsen samenwerkten om het belangrijke spoorwegviaduct daar te vernietigen.
Na de aftocht van de Duitsers en de terugkeer van de Griekse regering uit haar ballingschap in Cairo, ontstonden conflicten over de ontwapening van de verzetsbewegingen en hun opname in het reguliere leger. In december 1944 raakten Engelse troepen in Athene slaags met leden van de EAM-ELAS, wat leidde tot een bloedbad, waarna de spanningen onderling tussen links en rechts almaar toenamen, ondanks een te Varkiza gesloten akkoord. Toen de regering, tegen de zin van de KKE een referendum organiseerde over de terugkeer van de koning, was dat de druppel die de emmer deed overlopen en trokken veel voormalige EAM strijders opnieuw de bergen van Noord-Griekenland in. Daar woedde vanaf 1946 tot 1949 een bloedige burgeroorlog, die eindigde met een nederlaag van het anti-royalistische en voornamelijk door communisten geleide DSE (Democratische Leger van Griekenland).
Door de burgeroorlog zou het vluchtelingenprobleem en daarmee de wildgroei in de buitenwijken nog groter worden. Hij veroorzaakte opnieuw een grote trek naar steden als Thessaloniki, dit keer van plattelandsbewoners die de strijd ontvluchtten. Een aanzienlijk deel van deze nieuwkomers zou niet meer weggaan. Gevolg was dat de stad langzamerhand als een olievlek over haar grenzen begon te vloeien.

Ontwikkelingen vanaf de jaren zestig

Het aantrekken van de economie vanaf de jaren zestig betekende nogmaals een krachtige bevolkingsgroei. Met name aan de westzijde van de stad was sprake van een aanzienlijke industrialisatie, terwijl de haven profiteerde van de sterk verbeterende relaties met Joegoslavië. De toetreding van Griekenland tot de EU, toen nog Europese Economische Gemeenschap geheten, in 1981, zeven jaar na het bizarre intermezzo van het fascistische kolonelsregime, versterkte de positie van Thessaloniki als toegangspoort tot de Balkan. Dat alles had een aanzuigende werking. In snel tempo veranderde daardoor ook het beeld van de stad. De nieuwbouw vanaf die jaren kenmerkt zich door vergaande smakeloosheid. Op winst beluste projectontwikkelaars sloopten en bouwden dat het een lieve lust was. In snel tempo rezen eenvormige, wanstaltige betonkolossen op, die de charmante Byzantijnse monumenten niet zelden letterlijk overschaduwden.

Blunder

Een van de grootste blunders van het stadsbestuur in de jaren zestig was het opbreken van de tramlijnen om deze vorm van openbaar vervoer te vervangen door busvervoer, waarvoor de OAST het monopolie kreeg. Ook de diverse bootverbindingen met de randgemeenten werden opgedoekt en vervangen door bussen. Hoewel het busvervoer nog steeds relatief goedkoop is, is het systeem door de snelle groei van de stadsbevolking en de altijd ontoereikende middelen tot onderhoud van het materiaal, al decennia lang inadequaat. Met name in de zomermaanden, als de temperaturen kunnen stijgen tot boven de veertig graden, is reizen in de vaak overvolle bussen een crime. In de meeste bussen is wel luchtkoeling ingebouwd, maar vrijwel altijd zijn er passagiers die gewoontegetrouw de ramen openzetten, waardoor de airco niet meer werkt. Het aantal inwoners van het sub-tropische Griekenland dat kennelijk niet op de hoogte is van hoe een luchtkoeling werkt, roept bij mij steeds weer verbijstering op. Persoonlijk geef ik dan ook de voorkeur aan een van de talloze taxi's, maar dat kan niet iedere inwoner zich veroorloven, zeker niet in de huidige crisistijd.

Verstikt door auto's

De toenemende welvaart bracht ook de automobiel de stad in, wat leidde tot een kolossaal parkeerprobleem, dat tot op heden niet is opgelost. Omdat er in het centrum evenveel gewoond als gewerkt wordt en meerdere auto’s per gezin normaal zijn, althans tot voor de economische crisis in 2009 uitbrak, is de binnenstad chronisch verstopt en verstikt door blik. Het parkeerprobleem wordt vaak nog verergerd door het onverbeterlijke parkeergedrag van de Grieken. Je zet je auto bij voorkeur niet neer waar het kan, maar zo dicht mogelijk bij waar je moet zijn. Er bestaat ook een voorkeur voor het parkeren op het trottoir of, als het voorhanden is, op een fietspad. De schaarse fietspaden, die in recente jaren zijn aangelegd, zijn daardoor voor een deel onbruikbaar geworden voor fietsers. Een gewone voetganger kan zich meestal nog wel langs het stilstaande blik wurmen, maar je moet niet afhankelijk zijn van een rolstoel of rollator, dan heb je domweg pech.

Metro

Om het openbaar vervoer te verbeteren en het gebruik van de particuliere auto te ontmoedigen (het dertiende werk van Herakles) werd besloten tot de aanleg van een metrolijn, voorlopig een stukje van 9 kilometer, door het centrum, van het spoorwegstation in oostelijke richting naar Nea Helvetia, die later moet worden doorgetrokken richting Kalamaria. Van een logische doortrekking naar het vliegveld, zoals in Athene, is nog geen sprake, laat staan van een lijn naar buitenwijken als Ano Toumba en Sykies. In 2006, zo'n twintig jaar na de eerste serieuze plannen, werd met de aanleg begonnen en sindsdien stapelt de ene vertraging zich op de andere. Bij het schrijven van dit artikel wordt gefluisterd dat de lijn in 2020 gereed moet zijn, maar de bouw is al zo vaak tijdelijk, maar langdurig, stilgelegd door de in Griekenland almachtige archeologische dienst, omdat men weer op, soms belangrijke, oudheden stuitte, dat er onder de bewoners van Thessaloniki nogal wat scepsis bestaat over de haalbaarheid van deze datum.

Yannis Boutaris

In 2010 leek een frisse, progressieve wind over Thessaloniki te gaan waaien, toen voormalig wijnmaker Yannis Boutaris tot burgemeester werd gekozen. In 2014 volgde zijn herverkiezing. Hij kwam met een flink aantal ambitieuze plannen om van Thessaloniki een leefbaardere stad te maken. In zijn verkiezingscampagne stelde Boutaris ondermeer dat hij het toerisme wilde bevorderen en dan bij voorkeur het eco-toerisme. Ook de geschiedenis van de stad, tweede in het Osmaanse rijk, moet een rol gaan spelen bij het aantrekken van toeristen. Dat betekent aandacht voor het behoud en de restauratie van de Osmaanse monumenten, iets waarmee onder zijn voorgangers al is begonnen. De vriendschapsbanden met Constantinopel werden aangehaald met als resultaat dat Turkish Airlines al een aantal jaren een vliegverbinding tussen Constantinopel en Thessaloniki onderhoudt.
Wat het aantrekken van Israëlische toeristen betreft speelt de historische relatie tussen Thessaloniki en het jodendom een rol. Israël was een van de eerste landen die Boutaris samen met een van zijn loco-burgemeesters, Hasdai Kapon, niet toevallig van Joodse afkomst, in zijn nieuwe functie bezocht. Het streven meer toeristen uit Turkije en Israel te trekken lijkt vruchten af te werpen. Zo worden het Joods Museum in de Agiou Mina, op een steenworp van de markt van Modiano, en het geboortehuis van Ataturk in de Apostolou Pavlou aantoonbaar door meer groepen toeristen bezocht dan voor het aantreden van Boutaris.

Busbanen en waterbussen

Voor zijn aantreden kondigde Boutaris aan het verkeersprobleem betrekkelijk goedkoop te willen aanpakken door de bestaande negen kilometer busbaan uit te breiden tot honderd, door het transport over water in ere te herstellen en door de herintroductie van de tram, waarvoor binnen twee jaar zo'n vijfentwintig kilometer rails zouden moeten worden aangelegd. Een en ander zou zijn beslag moeten krijgen door partnerships tussen overheid en bedrijfsleven. Een deel van de energie voor de nieuwe transportmiddelen zou moeten komen uit zonne-energie, wat op den duur tot een forse kostenbesparing kan leiden. Het plan tot herintroduceren van de waterverbindingen is overigens niet nieuw. Toen Thessaloniki culturele hoofdstad van Europa was, in 1997, werd een soortgelijk voorstel gedaan, compleet met het ontwerp van een aantal aanlegsteigers. Dit ontwerp werd ondermeer tentoongesteld in het Nederlands Architectuurinstituut te Rotterdam, waarna er niets meer van werd vernomen. Dat geld mutatis mutandis ook voor de andere plannen tot verbetering van het openbaar vervoer. Er is nog niet veel van terechtgekomen. Behalve aan verzet uit de hoek van gevestigde belangen, zoals OAST en het taxi-wezen, is dat ook te wijten aan de in 2009 uitgebroken economische crisis, waardoor het gebrek aan financiën dat de speelruimte van Boutaris ernstig beperkt, nog nijpender is geworden. Het handelen van het gemeentebestuur zelf wordt ook beperkt door de hoge mate van centralisatie in Griekenland en de daardoor relatief geringe autonomie van het lokaal bestuur. Zo vallen bijvoorbeeld verschillende delen van de stad niet onder beheer van de gemeente, maar onder diverse ministeries: zoals de haven onder het ministerie van transport en de zeeboulevard voor een groot deel onder dat van defensie.

Tot besluit

Is Thessaloniki door alle problemen een chaotische, onleefbare stad? Chaotisch enigszins, maar onleefbaar zeker niet. Overal schemert nog het oude Thessaloniki door. In de, dankzij zijn geaccidenteerd terrein grotendeels ongeschonden gebleven bovenstad bijvoorbeeld, maar ook op drukke, hoewel rustieke plaatsen als de markt van Modiano en in de buurten daar omheen. Tegen de tijd dat Thessaloniki culturele hoofdstad van Europa werd kreeg men veel meer oog voor behoud van het oude en schilderachtige dan daarvoor. Dat resulteerde in uitgebreide restauraties in de havenbuurt en het centrum rond de monumentale Aristotelesstraat. Bovendien heeft men zelfs op het hoogtepunt van de bouwwoede nog wel enig oog gehad voor het groen in de stad. Veel straten zijn voorzien van bomen en alom vindt men parkjes en plantsoentjes. Dat geeft in mijn ogen een aangenamer sfeer dan in het nog veel meer uit zijn krachten gegroeide Athene, dat grotendeels in een betonwoestijn is veranderd. De aanwezigheid van twee universiteiten (waarvan de Aristotelesuniversiteit de grootste van het land is) en een hogeschool, en dus tienduizenden studenten, zorgt niet alleen voor veel levendigheid, maar eveneens voor een bruisend uitgaansleven. De aanwezigheid van tientallen theaters, bioscopen en concertzalen, alsmede de gunstige ligging aan zee, waardoor een verstikkende luchtvervuiling zoals in Athene niet voorkomt, zijn zaken die ertoe bijdragen dat men zich er bij tijd en wijle buitengewoon prettig kan voelen. Bovendien zijn er in het laatste anderhalve decennium nogal wat immigranten vanuit de Balkan en de voormalige Sovjet-Unie naar de stad gekomen, die daardoor weer een beetje haar kosmopolitische karakter van weleer heeft teruggekregen.
Zoals op de oude afbeeldingen zal het nooit meer worden, maar daarvan hadden we reeds vastgesteld dat ze ook niet echt de realiteit van die dagen weergaven. Het blijft daarom ook oppassen met de nostalgie naar oude tijden die ze soms bij ons oproepen.

Bibliografie

Bogaert, L. van, 1989 "Thessaloniki, een vrouw met een verleden" In: Lychnari, nr. 1, St. Adamantios Koraïs, Amsterdam.
Hatzisavvidis, S., Klok, K. & Timonidou, S. (eds.) 1992, Kruispunt 146. Themanummer over de literatuur en geschiedenis van Thessaloniki. vzw Kruispunt, Brugge.
Hasiotis, I.K. (ed.), 1997, Queen of the Worthy. Thessaloniki, History and Culture. Paratiritis, Thessaloniki.
Hokwerda, H. (ed.), 2005, Gioconda, de Joden van Thessaloniki in de Griekse literatuur. Ta Grammatta, Groningen 2005.
Klok, K. 2012, "Eén jaar Yannis Boutaris: een nieuwe wind over Thessaloniki?' In:Lychnari, nr. 1, p. 26/27 St. Adamantios Koraïs, Amsterdam.
Klok, K., 2013, "De metamorfose van Thessaloniki" In: Balancerend op de rand van Europa. Aspecten van de moderne Griekse geschiedenis en actualiteit. Liverse, Dordrecht.
Mazower, M., 2004, Salonica City of Ghosts. Christians, Muslims and Jews, 1430-1950. HarperCollins, Londen.
Papagianopoulos A. 1982, History of Thessaloniki. John Rekos & Co, Thessaloniki.

------------------------
This article deals with the process in which Salonica (Thessaloniki) changed from a Balkan metropolis and important city of the Ottoman Empire into a Greek city of regional importance from 1912 until the present day. A proces that was directed by the conquest of Salonica by the Greeks (1912), the great fire of 1917, the exchange of peoples after the Treaty of Lausanne (1923), the German occupation (1941-1944), the civil war (1946-1949) and the economic and demographic developments after 1960.

In licht gewijzigde vorm gepubliceerd in Tetradio 27 (jaarboek 2018 van het Griekenlandcentrum, Universiteit Gent).

Foto: auteur



zondag 10 maart 2019

The Dutch Conquest of the Banda Islands (1599-1621)



At the end of the sixteenth century the Dutch set out in search of the sea route around Africa to the East Indies. One of the reasons they did so was to obtain spices which were produced in the Moluccas and Banda Islands. The latter were particularly famous for its cloves and mace. When the Dutch arrived in the Bandas, situated to the south of the island of Ceram, it seemed that contacts between them and the Bandanese were to develop cordially. However, this soon changed when mutual violence occurred. In this text we are dealing with the question how Dutch-Bandanese relations developed between 1599 and 1621 and how they were influenced by the role played by competitors in the archipelago, particularly the English.

In Search of Cloves and Mace

The Dutch had political, strategic as well as economic reasons for opening their own direct trade route to the East Indies. The first two had to do with the Eighty Years War fought between the Dutch and the Habsburg rulers of the Netherlands which finally resulted in the official recognition of the independence of the Dutch Republic (1648). The economic reason was to share in the lucrative spice trade between the East and Europe. However, as soon as the Dutch arrived in the Indonesian archipelago they realised that competition, particularly by the Portuguese and the English, could be a threat to the profits of trade, which made them decide to establish a monopoly even if this meant having to use force (Hall p. 321). As it soon became evident that the power of the Portuguese was already in decline by the time the Dutch arrived, many of them began to perceive the English as their main competitors in the East.
When the first Dutch expedition under van Heemskerk arrived (1599), it was well received and a right to trade with the Bandas was agreed upon. However, soon attempts to establish a monopoly by forcing the islanders to trade solely with the Dutch were to meet with great disapproval by the Bandanese. As spices were in great demand, prices tended to rise making it worth while for the inhabitants of Banda to play off one competitor against the other. This soon soured relations with the demanding Dutch.

Dutch, English, Bandanese

Though the Dutch presence in the Moluccas was considerably stronger than the English due to better organisation, better equipment and greater financial backing (Ricklefs, p. 23), the latter were perceived as the greatest threat to the profits of the VOC. As a result of this the company tried to exclude the English from trading whenever possible even to the extend of not or very reluctantly carrying out the agreement made by England and the Dutch Republic concerning eastern trade. As the end of the so-called Twelve Year's Truce with Spain (1609-1621) was approaching and a renewal of the hostilities was likely, the States-General of the Dutch Republic thought to come to some sort of understanding with the English. The agreement, concluded in 1619, contained provisions for sharing the spice monopoly. A third of the trade was for the English, two thirds for the Dutch. Long before the agreement there had been incidents between Dutch and English traders in the archipelago and the treaty, news of which only reached the Indies in April of the following year, largely remained a dead letter, mainly due to open obstruction of it by Jan Pieterszoon Coen, governor-general of the VOC from 1617-1623 and again from 1627-1629. Coen was determined to do whatever lay in his power to enforce the Dutch monopoly even to the extend of using force.
Problems in the Bandas started when in 1602 five Dutch traders on the islands, part of a group that had stayed behind in expectation of the next trading fleet, were murdered while the remaining ten were forced to leave. Apparently a quarrel about a Dutch loan to the Bandanese lay at the bottom of this incident (Van Goor, p. 85). Despite this the 1602 trade agreement was renewed in 1605, but again the Bandanese continued their trade with the English and other competitors of the VOC.
In 1609 a large Dutch fleet under admiral Verhoeff arrived in the Bandas. Though reluctantly the inhabitants of Banda Neira offered Verhoeff the right to build a fortress and they somehow managed to convince the admiral and his company to come ashore without bringing a guard. He was ambushed and murdered together with forty-six others. The fortress however was established by his successor vice-admiral Hoen and a new trade agreement signed, which was again from time to time ignored by the Bandanese. Though the Dutch managed to strengthen their position in the Bandas and the Moluccas, incidents with the English who persisted in their efforts to trade continued. These efforts, though greatly irritating the Dutch, had only limited success, mainly because the English were not powerful enough to offer the natives sufficient support in the event of Dutch retaliation (Hall, p. 325). The VOC on the other hand showed a growing determination to have its own way.

John Jourdain and Jan Pietersz. Coen

In 1613 the Englishman John Jourdain founded a factory at Macassar. Soon he became the leading figure in the struggle against the Dutch, particularly when he became president of the English settlement at Bantam on Java. Jourdain thought a show of determination would constrain the Dutch, but he underestimated Jan Pieterszoon Coen. When the English seized a Dutch ship, the Zwarte Leeuw, off Bantam in December 1618, to use as a security against VOC actions, Coen attacked the English factory at Jacatra and destroyed it. Leaving a garrison to defend the VOC position at Jacatra he sailed to the Moluccas for reinforcements and returned in May to relieve the Dutch and drive the English and the forces of the sultan of Bantam out. Jacatra rose out of the ashes to which it was reduced by Coen as Batavia, which would become the administrative centre of the VOC and later on the capital of the Dutch East Indies until 1949.
When the English under George Ball arrived at Banda Neira in March 1615, they were met by a strong Dutch force. Ball therefore decided to divert his ships to Ay in order to get cargo. The Dutch however attacked the island, but were driven off by the natives with English help. This was only a temporary success. The Dutch were by now determined to establish their monopoly by force (Hall, p. 326). Even though the English sent a small fleet to the Bandas again in 1616, which could not do much to assist the natives in the face of overwhelming Dutch power, the latter overran Ay in December. The English thereupon sent two ships to the isle of Rhun offering it protection, but they were seized by the Dutch. VOC admiral and predecessor of Coen as governor-general, Laurens Reaal offered the English a deal: if they agreed to allow the Dutch to treat the islands as they saw fit, their ships would be returned. The English refused. However brave this refusal looked, it did not help the natives much, as the English could do little more than offering encouragement. In November 1617 Reaal demanded the English evacuation of Rhun. The English refused to do so and for the time being the situation remained as it was, though through English instigation there were several attacks by locals on the Dutch on Banda Neira (Fort Nassau) throughout 1618 and 1619. After the destruction of Jacatra Coen decided it was time to strike in the Bandas. The final act of the drama however was delayed by the arrival in the archipelago in April 1620 of the news of the Anglo-Dutch treaty, news that must have certainly displeased the governor-general.

Final Act

In the nineteenth century Jan Pietersz. Coen became one of the popular great men in Dutch history and he remained so until well into the twentieth century. Few Dutch historians however would now agree with the words of admiration once used to describe the establishment of VOC power in the archipelago: 'Daar werd iets groots verricht' (Something great was achieved out there). No doubt Coen did establish the VOC monopoly in the Bandas and generally put Dutch power in the archipelago on a strong footing, but the way he did so was even in his own days not wholly uncriticised.
Though officially the English were to have their third share in the spice trade of the Moluccas and the Bandas, Coen took his time to act according to the Anglo-Dutch treaty, to such an extend that some historians accuse him of openly sabotaging it (Hall, p. 331). The treaty implied that the instructions Coen received from Holland in 1618 to use force if necessary to expel all foreigners from the archipelago did not apply to the English. However, Coen decided that this should but remain a dead letter. He insisted on the need to occupy the islands as the only way of establishing the VOC monopoly.
Using the pretext that the Bandas traded with the Spanish enemy on Tidore, a VOC squadron under Coen attacked Lonthor (Banda Besar) in January 1621. Though the islanders resisted fiercely they were forced to surrender in March. Fearing a Dutch attack the inhabitants of Rhun made their submission too. The Bandanese were convinced that they were betrayed by the English who did not offer any help because they lacked the power to do so and also felt bound to the Anglo-Dutch treaty (Hall, p. 332). Soon after their official surrender the people of Lonthor (Banda Besar) started a serious revolt. This came to Coen as a present from heaven, because it gave him the excuse to carry out his plan to solve the problem of the Bandas once and for all. This meant removing all the original inhabitants from the islands and repopulating them with settlers from elsewhere that would be fully loyal to the VOC. This plan was ruthlessly carried out after first having treated and executed the headmen accused of leading the revolt. Even in Coen's own days servants of the VOC who were witnesses on the scene were shocked and disgusted by the violence used (Van Goor, p. 82/ Hall, p. 333).
The conquest of the Bandas and the subsequent clearances of the islands meant that the Anglo-Dutch cooperation as provided for in the treaty of 1618 had completely broken down even though in name it still existed. The final blow came on the island of Amboina (Ambon) in 1623, when eighteen English traders were arrested by the Dutch. They were accused of conspiring against the Dutch fortress and thereupon tried and executed.

The Use of Violence

Violence was not an uncommon way for powerful traders in the archipelago to set things right in case they felt wronged. In many ports violence was not, or not yet, a monopoly of the state. The situation varied from place to place, but particularly in those areas where states were either small and weak or not yet fully developed, trading companies like the VOC and the EIC tended to fend for themselves. Already the first voyage of the Dutch (1595-97), under Cornelis de Houtman, was marked by violence (Van Goor, p. 82/83). It was not constricted to the Europeans either, although their influence and power, both financial as well as military, played an important role in the continuously flaring up of conflicts between the myriad of competing smaller and bigger states in the archipelago.
When it was founded the VOC was not only granted a trade monopoly with the East by the States General of the Dutch Republic, but it specifically obtained the right to maintain men of war as well as to raise an army not only in order to establish and defend its monopoly, but also to wage war on the enemies of the Republic, the Spanish and Portuguese. Once in the east the Dutch soon began to see the English, who followed in their trail, as the largest threat to their monopoly. At first this quite surprised the English, who sympathised with the Dutch in their struggle against the king of Spain and who tended to see them as their natural allies in Europe (Hall, p. 321). As Hall implies, the English no doubt reacted indignantly towards the aggression by the Dutch, which probably made them more determined to get their share of trade without giving in to demands they thought profoundly unreasonable. This reaction however may have been regarded by the Dutch as proof of the soundness of their suspicions against the English and therefore encouraged them to drive the enemy out, if needed by force.
No doubt the violence used by Coen was excessive and recognised as such at the time. Yet Coen was never condemned nor reproved by the Heeren XVII (the board of governors of the VOC). Dutch violence was probably encouraged by three factors. First of all irritation about English insistence on trading with the Bandas and fear that this would finally lead to a failure in maintaining the VOC's valuable trade monopoly and secondly the behaviour of the Bandanese themselves who were constantly breaking their agreements with the Dutch not seldom using violence and murder as well, as we saw in the case of admiral Verhoeff and his company. Thirdly the person of Coen himself, a man who was to carry out his mission with whatever means possible in the most determined way. 

Conclusion

At first it looked like relations between the Dutch and the Bandanese would develop peacefully, but they were soon at loggerheads with each other. The Dutch insisted on establishing a trade monopoly, but the Bandanese thought to profit from the continuously rising price of cloves and mace and therefore carried on their trade with the competitors of the VOC, particularly the English. The Dutch, who became more and more suspicious of the English and who feared the monopoly would finally be lost, decided that the only way of maintaining it was to conquer the islands. The actual conquest was only slightly delayed by the Anglo-Dutch treaty, which was almost certainly wilfully ignored by Jan Pietersz. Coen. That he could do so shows how powerful the VOC had become as a 'state in the state.' Even though there was some criticism of the excessive violence Coen used in the Bandas, his actions were finally approved by his superiors and the States-General and until far into the twentieth century looked upon as a token of Dutch enterprise and heroism in the east.

Literature

J.H.C. Blom & E. Lamberts (ed.), Geschiedenis van de Nederlanden. Amsterdam 1994.
C.R. Boxer, The Dutch Seaborne Empire. Harmondsworth 1973 (1965).
D.W. Davies, A Primer of Dutch Seventeenth Century Overseas Trade. The Hague 1961.
Holden Furber, Rival Empires of Trade in the Orient, 1600-1800. Minneapolis 1976.
Femme S. Gaastra, De Geschiedenis van de VOC. Zutphen 19912 .
J. van Goor, De Nederlandse Koloniën. Geschiedenis van de Nederlandse expansie, 1600-1975. The Hague 1994.
D.G.E. Hall, A History of South-East Asia. 4th Edition. London 1981.
Jonathan Israel, Dutch Primacy in World Trade, 1585-1740. Oxford 1989.
M.C. Ricklefs, A History of Modern Indonesia. London 1988.
Jan & Annie Romein, Erflaters van onze beschaving. Nederlandse gestalten uit zes eeuwen. Amsterdam 19719 (On J.P. Coen).

First published in Anistoriton, Athens 2000.


maandag 4 maart 2019

De verrassende geschiedenis van een huis



In het najaar van 2018 verscheen Dijkbewaking, het jongste deel in de serie literaire dagboeken die ik bij uitgeverij Liverse publiceerde. Daarin maak ik op maandag 5 januari 1981 melding van het feit dat mijn vrienden Ton & Nelly van Dalen en Gerard Bouma een huis hebben gekocht in de Wijnstraat te Dordrecht: "Het schijnt een groot pand te zijn, gekocht van een zonderling, waar veel aan verbouwd moet worden." Toen ik er niet veel later een kijkje ging nemen, schrok ik van de enorme berg werk die zou moeten worden verzet om het pand bewoonbaar te maken. 

We zijn inmiddels 38 jaar verder en het huis, dat toen het aanzien van een ruïne had, is beetje bij beetje getransformeerd tot een prachtig gerestaureerd herenhuis. Mijn vrienden wonen er nog steeds en ik hoop dat dat nog lang zo zal blijven. Dat het huis een buitengewoon verrassende geschiedenis blijkt te bezitten, wist niemand nog in 1981. Wel was duidelijk dat het om een pand van indrukwekkende leeftijd ging, waarin sporen waren te zien die teruggingen tot de zestiende eeuw. Hoe indrukwekkend en verrassend de geschiedenis van Vin de Vent, zoals de nieuwe bewoners het noemden, is, blijkt uit het boek Verborgen in Vin de Vent, geschreven door Angenetha Balm, Rosa Paasse en Jan Willem Boezeman, onderzoekers verbonden aan het Historisch Documentatie- en Kenniscentrum Augustijnenhof te Dordrecht.

Het boek is een fascinerende reis door de tijd, waarin we kennismaken met illustere bewoners als Cornelis Pietersz. van Beveren, de eerste gereformeerde burgemeester van Dordrecht, en zijn, voor de omwenteling van 1572 verboden, protestantse bijbel. Zo'n geschrift na de komst van Alva (1567) naar de Nederlanden in bezit hebben, was levensgevaarlijk, zeker in een stad als Dordrecht, waar de schout, Johan van Drenckwaert, nogal fanatiek jacht maakte op ketters. Die liepen groot risico te worden terechtgesteld. Dat een aantal van hen de dans ontsprong is mede te danken aan Cornelis van Beveren en zijn gezin. Het bezit van die bijbel moest zorgvuldig geheim worden gehouden. Als het moest, kon hij worden verstopt in een met lood bekleed kistje, dat in de rookkast in de schoorsteen kon worden verborgen. Na een eeuwenlange omzwerving langs talloze erfgenamen van de Van Beverens, is de bijbel, dankzij het noeste speurwerk van de onderzoekers van het Augustijnenhof, teruggevonden. Resten van de rookkast zijn, na afbraak van de schoorsteen, door de huidige bewoners bewaard. Beiden zijn op het ogenblik te zien in het Dordrechts Museum op de tentoonstelling Werk, bid en bewonder, die nog tot eind mei duurt.

Andere illustere bewoners zijn ondermeer enkele leden van de familie Diodoti, waarvan er één afgevaardigde namens Genève was op de Synode van Dordrecht (1618/19), een theoloog die zich achter de geruchtmakende executie van Johan van Oldenbarnevelt (1619) schaarde en waarvan een nazaat het legaat beschikbaar stelde waaruit het schitterende, gouden avondmaalservies in de Grote Kerk werd bekostigd. Een legaat dat zo ruim was, dat er ook nog twee zilveren serviezen af konden, voor respectievelijk de Augustijnenkerk en de Nieuwkerk. In de 19e eeuw woonde het liberale lid der Tweede Kamer J.P. Bredius enige tijd in het huis. Ook minder illustere bewoners spelen een interessante rol in de geschiedenis van Vin de Vent.

Het boek is bijzonder fraai geïllustreerd, de bouwgeschiedenis van het pand is minutieus onderzocht en gedocumenteerd. Enkele uitgebreide boedelbeschrijvingen zijn voor de leek misschien wat droog om door te nemen, maar trakteren de historicus op een gedetailleerde blik op de maatschappelijke status van de betrokkenen. Niet alleen de illustraties verlevendigen Gevonden in Vin de Vent, dat doen ook de talloze citaten uit koopakten en testamenten. 

Voor mij persoonlijk bevat het boek een kleine, maar ontroerende verrassing, toen ik op een foto op bladzijde 72 prominent mijn in 2007 overleden geliefde Stella tegenkwam. Eerlijk gezegd baal ik een beetje van het feit dat mijn eigen huis slechts van 1914 dateert, dus een geschiedenis van niks heeft, want je zou maar het geluk hebben dat er zo'n verrassend verhaal over je woning boven water komt.


Angenetha Balm, Rosa Paasse, Jan Willem Boezeman - Verborgen in Vin de Vent. ISBN 9789463867535. Euro 19,95.


vrijdag 25 januari 2019

Bevindelijken op zijn Grieks



De meeste inwoners van Lamia zullen in oktober 2016 vreemd hebben opgekeken. Tijdens een processie droegen monniken het lichaam van de overleden bisschop Kallinikos door de straten, gebalsemd en in vol ornaat gezeten op zijn bisschoppelijke troon. Daarna volgde de begrafenis in het klooster van Agios Athanasios. 

Hoewel het gebruikelijk is in Griekenland om iemand in een open kist te begraven en deze pas op het laatste ogenblik te sluiten, is het ronddragen van een overleden geestelijke op zijn zetel dat allerminst. Het gaat hier dan ook niet om een bisschop van de Grieks-orthodoxe kerk, de staatskerk, maar om de zogenaamde oud-kalendristen, een sekte die zich afscheidde toen Griekenland van de juliaanse tijdrekening overging op de gregoriaanse. Het verschil tussen beide tijdrekeningen bedraagt op het ogenblik 13 dagen, zodat de oud-kalendristen pas Kerst vieren op 7 januari. 

De juliaanse tijdrekening dankt zijn naam aan Julius Caesar, tijdens wiens bewind hij in het Romeinse rijk werd ingevoerd. De gregoriaanse tijdrekening werd in de zestiende eeuw vastgesteld door het Concilie van Trente en in 1582 ingevoerd in Spanje, Portugal en Polen, waarna hij geleidelijk door de rest van Europa werd aanvaard. De Griekse staat ging pas laat, in 1923, over op de 'nieuwe' tijdrekening. Een jaar later volgde de Grieks-orthodoxe kerk, maar wel met de bepaling dat de berekening van de Paasdatum onveranderd zou blijven. Daardoor wordt Pasen in de Grieks-orthodoxe wereld maar één maal in de vier jaar op dezelfde datum gevierd als bij de rooms-katholieken en protestanten.

Naar schatting zo'n 95% van de Grieken behoort tot de staatskerk. Bewegingen als de oud-kalendristen zijn klein en van weinig invloed. Toch baren zij nu en dan opzien, zoals met de processie in Lamia. In de autonome monnikenrepubliek Athos is het klooster Ephigmenou sinds 1974 in handen van de oud-kalendristen en 'in opstand' tegen het Patriarchaat van Constantinopel, dat het geestelijk toezicht op de kloostergemeenschap uitoefent. Sinds de afscheiding van de oud-kalendristen kwam het een aantal malen tot conflicten met de Grieks-orthodoxe kerk, die door de afgescheidenen wordt beticht van 'heulen met de Paus'. Die wordt in deze aartsconservatieve kringen nog steeds gezien als de grote vijand van de kerk. Dat ging in 1974 zo ver dat de monniken van Ephigmenou dreigden zichzelf levend te verbranden als de verbanning van hun abt en zes medemonniken door de Patriarch van Constantinopel niet ongedaan werd gemaakt. Die dreiging werd niet uitgevoerd, maar het klooster bekleedt nog steeds een uitzonderingspositie op Athos. Nog in 1998 maakte de Grieks-orthodoxe kerk zich, met medewerking van de autoriteiten, meester van de kerk van St. Savvas in de Atheense buitenwijk Galatsi, die werd gebouwd en gebruikt door de oud-kalendristen. Onderling zijn er trouwens ook weer groepjes van de oud-kalendristen afgesplitst, waardoor de sekte in een aantal elkaar beconcurrerende splinters uiteen is gevallen. De meeste Grieken zullen er niet van wakker liggen, maar de processie in Lamia was wel een afleiding van de dagelijkse misère door de voortgaande economische crisis. Dat was te zien aan de explosie van gefotoshopte afbeeldingen in de sociale media, waarin Kallinikos ondermeer te zien was op een stoere motor en slapend tussen een aantal Kamerleden in het Griekse parlement.

Eerder gepublicieerd in: Griekenland Magazine, lente 2017.

Foto: auteur


dinsdag 25 december 2018

Verdwenen boekenparadijzen in Thessaloniki



Molcho, Barbounakis, Rayas, Loxias, het waren klinkende namen voor boek- en cultuurminnend Thessaloniki. Namen die om diverse redenen tot het verleden behoren, zoals een megalomane investering, het gebrek aan een opvolger, de gevolgen van de crisis of een gebrek aan zakelijk inzicht. In 1987, toen ik voor het eerst in Thessaloniki kwam, was je voor het nieuws uit Nederland nog aangewezen op de krant. Soms vond ik een (meestal Engelse) krant bij een enkele kiosk in het centrum, waar weleens een toerist rondliep, al lieten veel toeristen de stad in die tijd nog links liggen. 'Maar waarom ga je dan niet naar Molcho?' zei Stella, toen ik mijn beklag deed na een vergeefse zoektocht naar nieuws. 

Ik had nog nooit van Molcho gehoord, ook al was het een van de bekendste boekwinkels van de stad. Voortaan als ik in Thessaloniki verbleef, en dat was na mijn huwelijk met Stella zo'n beetje tijdens alle schoolvakanties, haalde ik dagelijks bij Molcho een krant, maar dat niet alleen. Graag ging ik er ook op zoek naar boeken, aanvankelijk Engelse, later ook Griekse. Het was een heerlijk rommelige zaak, gevestigd in de Tsimiskistraat, niet ver van de Ladadika, het toen nog vervallen, maar tegenwoordig aardig opgeknapte uitgaanswijkje niet ver van de haven. De ruimte, verdeeld over twee verdiepingen, was wat klein voor de hoeveelheid boeken en tijdschriften, zodat een deel van de koopwaar, met name de Engelse, Duitse, Franse en Italiaanse boeken, langs de trap was uitgestald, op smalle planken, maar ook wel op de treden zelf, meen ik mij te herinneren. Ik kan het niet meer controleren. Al een paar jaar voor het uitbreken van de crisis besloten Molcho en een andere boekhandel, Promitheas, de krachten te bundelen. De winkel werd grondig en voor heel veel geld verbouwd, ging Molcho-Promitheas heten en bestond daarna uit veel marmer en glanzend koper, maar uit weinig sfeer. De boeken stonden met militaire precisie in het gelid. Een jaar later ging de zaak failliet. 

Stella kocht haar boeken weleens bij Molcho, maar zij ging ook graag naar enkele andere fameuze zaken, Barbounakis in de Aristotelesstraat en Rayas in de Ermou. Beiden waren gevestigd in een souterrain. Je moest een trap af en kwam dan in een kelder vol boeken en tijdschriften. Daartussen bewogen zich de klanten en het personeel, dat desgevraagd advies gaf en vaak op zoek moest naar een schier onvindbaar boek, omdat ook deze zaken prettig rommelig waren en de indeling van de boeken niet altijd logisch was. Althans, zo herinner ik mij dat. Barbounakis sloot een paar jaar geleden de deuren. De zoon van Manolis Barbounakis, de voorlaatste eigenaar, die ook dichter was (hij nam, druk of niet, altijd de tijd om met Stella langdurig over poëzie te praten), had, naar ik mij heb laten vertellen, geen opvolger. Ik sluit niet uit dat ook de gevolgen van de crisis een rol hebben gespeeld. Toen meneer Rayas, een vriendelijke, kleine, wat kalende man die meestal spontaan korting gaf, overleed, probeerden zijn dochters de zaak voort te zetten, maar tijdens de crisis konden ze het niet meer bolwerken. Het souterrain heeft lang leeggestaan.

Literaire tijdschriften kochten we meestal bij Rayas. Dat het wemelde van de letterkundige periodieken is misschien wat sterk uitgedrukt, maar het waren er wel veel. Landelijke, degelijk uitgevoerde bladen als To Dentro en Nea Estia tot en met door plaatselijke, literaire clubjes gefotokopieerde vodjes. De Chronika, de chique 'schoolkrant' van de Experimentele School van de Aristotelesuniversiteit, waar Stella doceerde toen ik haar leerde kennen, naast allerlei studentenblaadjes. Midden in de zaak stond een tafel met vier fauteuils, waar we met enige regelmaat de wat excentrieke dichter Dinos Christianopoulos troffen, die een speciale band met de zaak had. Toen Stella en ik werkten aan een vertaling van zijn gedichten ontving hij ons altijd daar. Had je post of een bericht voor Christianopoulos, dan bereikte je hem via Rayas. 

Toen Ioannis Kyprianidis eind jaren tachtig Loxias begon, in de Isavron, een straatje in de buurt van het Navarinoplein, was het aanvankelijk alleen een boekwinkel. In die winkel plaatste hij een zitje en serveerde hij koffie of een glaasje wijn. Na enkele jaren verhuisde hij van nummer zeven naar nummer vijf, waar in het souterrain de boekhandel werd gevestigd, terwijl op de verdieping daarboven een goed met boeken gevuld kafeneion werd ingericht. Dat kafeneion werd een trefpunt voor kunstenaars en intellectuelen. Er werden muziekavonden, boekpresentaties (Loxias was ook een bescheiden uitgeverij), literaire avonden en lezingen georganiseerd. Na het overlijden van Stella werd Loxias mijn stamcafé, een sfeervol ingerichte, warme plek waar ik mij kon verschuilen, met uitzicht op de ruïne van het paleis van Galerius. Ik maakte er vrienden en ontmoette er mensen als de helaas jong overleden filoloog Sofronis Hatzisavvidis, decaan van de Pedagogische faculteit, en professor Hans Eideneider en zijn vrouw Nikki, een goede bekende van Stella, maar dit terzijde. Had ik een bijzonder boek nodig, voor mijzelf of een bekende uit de Nieuwgriekse wereld in Nederland, dan wist Ioannis dat meestal wel ergens op de kop te tikken. Hij was een vraagbaak voor docenten en hoogleraren op zoek naar boeken die alleen nog antiquarisch te krijgen waren.

Het kafeneion, dat steeds meer het karakter van een bistro kreeg, ging de boekhandel echter overheersen. De winkel was uiteindelijk meer gesloten dan open, omdat Ioannis erop vertrouwde dat klanten wel boven naar boeken zouden vragen. Daar werkten een kok en een aantal mensen in de bediening, de prijzen van de consumpties lagen flink boven het gemiddelde niveau, maar je kon er dan ook heel bijzondere maaltijden en mezedákia krijgen en er was een keur aan buitenlandse, vooral Belgische bieren. Dat ging goed tot de crisis uitbrak. De klandizie liep terug, maar Ioannis weigerde de prijzen te verlagen. Dat zou ook de status van de zaak verlagen. Er moest eigenlijk personeel uit, maar dat gebeurde niet. Ioannis zei desgevraagd: 'Ik ben boekhandelaar, geen restaurateur.' Hij was in de zaak altijd in druk gesprek met de klanten, maar hij nam nooit werk over van zijn personeel. Door de teruglopende klandizie, de dalende omzet en de omhoog schietende belastingen raakte Loxias van lieverlee in de rode cijfers. Twee jaar geleden gooide hij, inmiddels negenenzestig, de handdoek in de ring. Ik mis de zaak nog steeds, ook al zijn er alternatieven voorhanden in Thessaloniki. Gelukkig hebben de meeste stamgasten elkaar teruggevonden dankzij de sociale media. Soms komen we ergens bijeen om wat nostalgisch te mijmeren over de mooie tijden in Loxias.

Cultureel Thessaloniki is door het verdwijnen van Molcho, Barbounakis, Rayas en Loxias een stukje armer, maar je kunt er desondanks nog goed terecht als je op zoek bent naar boeken. Je hebt er de grote zaken van Malliaris Pedia (in een voormalige bioscoop aan de Gounarisstraat, met ook en filiaal in de Ermou) en Ioanos in de Aristotelesstraat en tal van kleinere boekwinkels die zich vooral richten op de vele studenten in de stad, zoals het bekende To Kentri in de Gounarisstraat. Sinds 1 september 2018 is er in het souterrain van Rayas weer een, naar mijn smaak te modern ogende, boekwinkel gevestigd, onder de naam Bookbox. Wie weet herrijst er ooit weer een soort Loxias uit de as van de economische crisis, al ben ik bang dat we daar nog lang op moeten wachten.

In licht gewijzigde vorm gepubliceerd in Lychnari 2018, nr. 4.

Foto: auteur


zondag 16 december 2018

Langs of over het randje? Negentiende eeuwse schrijvers en hun buitenechtelijk nageslacht



De negentiende eeuw staat bekend als een eeuw van benauwende zeden en extreme preutsheid, vaak samengevat onder de term Victoriaanse moraal. Een moraal die, naarmate de eeuw vorderde en overging in de vroege twintigste, de periode voor de Eerste Wereldoorlog, steeds verstikkender leek te worden. Heren die flauwvielen bij het aanschouwen van een damesenkel, u kent die anekdote wel. Een schrijver als Thomas Hardy had het daar zo moeilijk mee, dat hij die moraal op de korrel nam in zijn romans Tess of the d'Urbervilles en Jude the Obscure, waarvan de laatste zoveel schandaal veroorzaakte, dat hij het schrijven van proza er verder aan gaf en zich uitsluitend nog op de dichtkunst richtte. Thomas Hardy had, voor zover ik weet, geen buitenechtelijke kinderen en hoort daarom in dit verhaal niet thuis. 

De keuze van dit voor negentiende eeuwse begrippen gewaagde onderwerp komt voort uit het reilen en zeilen van Lady Dedlock uit ons book of study Bleak House, die de moeder blijkt te zijn van Esther Summerson, een van de vertelsters uit het boek en die, aangezien Lady D. van Esther beviel alvorens zij in het huwelijk trad, dus een buitenechtelijk kind was. Misschien wat ver gezocht om dit feit als aanleiding voor mijn betoog te nemen, ware het niet dat over de schepper van Bleak House het gerucht gaat dat het weleens zou kunnen zijn dat hij bij zijn geheime minnares een kind zou hebben verwekt dat in Frankrijk al dan niet jong is overleden of wellicht ergens zou zijn ondergebracht. Een gerucht waarvan wij nimmer zullen weten of het waar is of niet, omdat eenvoudigweg de bewijzen ontbreken. Wij kunnen het slechts geloven of niet geloven, maar wij doen hier niet aan theologie, dus laat ik het bij de constatering dat wel vaststaat dat Dickens iets had met Ellen Ternan, dat die verhouding, vrijwel zeker om schandaal te voorkomen, altijd met diep zwijgen omgeven bleef en dat we verder geen idee hebben of er ooit een kind is geweest. Waarom Dickens zijn bijzit zo hardnekkig verzweeg, terwijl heren van stand, ondanks de Victoriaanse moraal, over 'het hebben van' vaak niet zo moeilijk deden, vermits het maar geen bijzit uit de eigen stand betrof, is iets waarover een uwer zich wellicht in de toekomst eens het hoofd kan breken.

Mijn betoog gaat over vier schrijvers met buitenechtelijke kinderen. Min of meer willekeurig gekozen, al moesten ze geheel of gedeeltelijk in de negentiende eeuw leven. Toevallig las ik nog niet zo lang geleden de biografie die Claire Tomalin schreef over Mary Wollstonecraft, verscheen een paar maanden geleden de prachtige biografie van Jacob van Lennep, Een bezielde schavuit, door Maria Matthijssen, publiceerden Rick Honings en Peter van Zonneveld in 2016 De gefnuikte arend, het levensverhaal van Willem Bilderdijk en had ik het in 2013 gepubliceerde boek Ellendige levens, door Rick Honings en Olf Praamstra in de kast staan, dat gaat over de levens van een aantal Nederlandse schrijvers in de negentiende eeuw. Een boek dat geen van u zou mogen missen, al zijn sommige van die levens minder ellendig dan vermoed, zij het wel altijd zeer opmerkelijk.

Mary Wollstonecraft, Willem Bilderdijk, Jacob van Lennep en Gerrit van der Linde, beter bekend als De Schoolmeester, daar gaat het om.

Mary Wollstonecraft (1759-1797) hoort strikt genomen nog tot de achttiende eeuw, maar gezien haar voor die tijd moderne opvattingen, meen ik toch dat zij in dit rijtje auteurs thuishoort. Zij is de geschiedenis ingegaan als de eerste feministe avant la lettre, een getalenteerde schrijfster die opkwam voor de rechten van de vrouw. Dat zij haar tijd wat dat betreft zeer vooruit was, bewijst het feit dat het, althans in Nederland, tot na de Tweede Wereldoorlog moest duren voordat de bepaling uit de wet werd geschrapt dat vrouwen bij hun huwelijk handelsonbekwaam werden. Na een moeilijke jeugd in een gezin met vijf kinderen, waarvan zij op een na de oudste was, met een vader die almaar herenboer wilde zijn, terwijl dat steeds maar mislukte, en een oudere broer die door haar moeder en grootvader zeer werd voorgetrokken, verliet zij op haar negentiende het ouderlijk huis om een weinig succesvolle carrière te volgen als achtereenvolgens gezelschapsdame, oprichtster van een school in Newington Green en gouvernante in het gezin van lady Kingsborough, afgewisseld door perioden van persoonlijk drama, zoals het overlijden van haar geliefde vriendin Fanny Blood. In 1787 keerde het tij toen zij van de progressieve Londense uitgever Joseph Johnson de kans kreeg voor zijn tijdschrift Analytical Review te gaan werken als redactie-assistente. Al snel begon ze ook voor het blad te schrijven en boeken te bespreken. In de kring rond Johnson kreeg zij de kans haar talenten en gedachten te ontwikkelen. 

Dat resulteerde ondermeer in haar twee polemische werken Vindication of the Rights of Men (1790) en Vindication of the Rights of Woman (1792). Zij werd ondertussen hevig verliefd op de gehuwde schilder en filosoof Henry Fuseli, een liefde die onbeantwoord bleef. Toen haar gevoelens haar te veel dreigden te worden, vertrok ze naar Frankrijk om daar de revolutie te steunen, maar wel op een ongelukkig moment, de Terreur stond op uitbreken. Mary vergat Fuseli en werd verliefd op een Amerikaanse speculant en auteur, Gilbert Imlay, een man met liberale opvattingen. Het uitbreken van oorlog tussen Frankrijk en Engeland noodzaakte Mary zich uit te geven voor de echtgenote van Imlay, hoewel er nooit een huwelijk zou volgen. In 1794 wordt hun dochter Francis (Fanny) geboren. Imlay vertrekt naar naar Londen, Mary volgt enkele maanden later, in 1795. Het stuklopen van de verhouding met Imlay was de oorzaak van een halfslachtige en dus mislukte zelfmoordpoging (zij nam een grote hoeveelheid laudanum tot zich, maar niet voldoende). Imlay vroeg haar daarop een reis naar Scandinavië te maken om orde te brengen in zijn financiële zaken daar, waar Mary wonderwel mee instemde. Die reis resulteerde in haar boek Letters from Sweden, een werk dat zeer werd bewonderd door de filosoof William Godwin. Toen inmiddels duidelijk was dat de liefdesrelatie met Imlay voorgoed over was, ondernam zij een tweede zelfmoordpoging, die ze in een brief aan haar gewezen geliefde aankondigde. Op een oktoberavond sprong zij van Putney Bridge, maar de sprong werd gezien en wederom werd ze tijdig gered.

Enkele maanden daarop leerde zij William Godwin kennen. Al snel werden zij goede vrienden en ontstond een liefdesrelatie. Spoedig bleek Mary zwanger. Om ophef te voorkomen als zou blijken dat zij twee buitenechtelijke kinderen had, haalde ze Godwin, eigenlijk een tegenstander van het huwelijk, over om met haar te trouwen. Het huwelijksgeluk duurde niet lang. Begin september beviel Mary van een dochter, ook Mary genoemd. Na de geboorte ontstonden complicaties, die tien dagen later leidden tot haar dood, op 38-jarige leeftijd. Godwin bleef achter met de twee meisjes. Fanny zou in 1816 een einde aan haar leven maken. Mary erfde het literare talent van haar ouders. Zij trouwde op 17-jarige leeftijd met de dichter Percy Bysshe Shelley en schreef twee jaar later haar beroemde roman Frankenstein. Mary stierf in 1851 in Londen aan een hersentumor.

Willem Bilderdijk (1756-1831) was wellicht de grootste hypochonder uit de Nederlandse letteren. Hij tobde in zijn jonge jaren zo'n tien jaar met een beenvliesontsteking, die hem al die tijd veroordeelde om binnen de muren van het ouderlijk huis te verblijven. Begenadigd met een buitengewone intelligentie, tegenwoordig zouden we spreken van hoogbegaafd, resulteerde zijn jeugd in een zeer belezen Willem, die eveneens zeer bedreven was met de pen, maar ook in een in hoge mate wereldvreemd persoon. Hij studeerde rechten in Leiden, waarna hij zich vestigde als advocaat in Den Haag. Willem had de pech, behalve een religieus fanaat, ook een vurig oranjeklant te zijn. Toen prins Willem V in 1795 het land uit werd gejaagd en de Patriotten de macht overnamen, weigerde hij de als advocaat verplichte eed op de rechten van de mens en de burger af te leggen. Daardoor kon hij zijn praktijk niet meer uitoefenen.

Bilderdijk had in 1784 kennis gekregen aan Catharina Rebecca Woesthoven, een jonge vrouw die in de ban van zijn poëzie was geraakt en die hij binnen een half jaar wist te bezwangeren, niet tegenstaande een ietwat duister gebleven affaire in diezelfde tijd met een Leidse uitgeversdochter, Anne Luzac. Willem en Catharina trouwden en hoewel alles in het begin koek en ei leek, bleek van lieverlee dat het karakter van Catharina niet goed paste bij de zwaarmoedige, prikkelbare en hypochondrische aard van Willem. Dat verhinderde het echtpaar niet om vijf kinderen te verwekken, waarvan slechts een dochter, Louise, en een zoontje, Elius, in leven bleven, iets wat Willem veel leed bezorgde. Bilderdijk had een groot literair talent, maar met geld kon hij niet omgaan, terwijl zijn huwelijk steeds slechter werd. Dit en zijn uitzichtloze financiële situatie leidden in 1795 tot een vlucht, zonder zijn gezin, naar het buitenland. Via Hamburg kwam hij tenslotte in Londen terecht, waar hij zich met moeite in leven hield door privélessen te geven in diverse vakken.

In Londen wordt Willem verliefd op een 19-jarige leerlinge aan wie hij Italiaanse les gaf. Het meisje, Katharina Wilhelmina Schweickhardt, beantwoordde de liefde en volgde Willem in 1787 naar Brunswijk, waar hij privaatlessen ging geven. Er kon echter geen sprake zijn van samenwonen, Willem was immers nog gehuwd. Katharina vestigde zich, na in Berlijn te zijn bevallen van een buitenechtelijke zoon van Willem, in Hildesheim, 'slechts' acht uren gaans van Brunswijk. Dat stond de voortgang van de liefde evenwel niet in de weg en die resulteerde uiteindelijk in acht kinderen, waarvan slechts twee niet jong stierven, een feit dat niet bijdroeg aan het verlichten van Bilderdijks zwaarmoedigheid. Dat alles stond zijn dichterlijke productie geenszins in de weg, maar dit terzijde.

Bilderdijk aanbad zijn geliefde, ondanks de heimwee, het geldgebrek, het opiumgebruik en het denken aan ziekte en dood, die het leven van de dichter kenmerkten. Na een paar jaar vestigde Katharina zich dichterbij, in Peine, dat nog maar op vier uur gaans afstand lag. Ondertussen had de wettelijke mevrouw Bilderdijk lucht gekregen van de affaire en hoewel echtscheiding in die tijd allerminst gebruikelijk was, liet zij die in 1802 uitspreken, waarna Bilderdijk zich bij zijn geliefde voegde. In 1806, bij het aantreden van koning Lodewijk Napoleon, kreeg Bilderdijk de gelegenheid met zijn gezin terug te keren naar Nederland, waar hij hoopte op een professoraat in de letteren in Leiden. Dat ging niet door, het werd een baantje bij de Maatschappij der Nederlandse Letteren. Ook in Nederland wachtte onze hypochonder, die steeds reactionairder ideeën kreeg, weinig geluk. Zijn Leidse woning werd verwoest bij de ontploffing van het kruitschip (januari 1807), waarna hij zich eerst in Den Haag en daarna in Amsterdam vestigde. In 1817 keerde het gezin terug in Leiden, maar nog steeds zat er geen professoraat in, slechts een privaatdocentschap en een jaargeld van koning Willem I. Tien jaar later vestigde hij zich in Haarlem, waar in 1830 zijn geliefde overleed, een jaar later gevolgd door Willem zelf, die ondanks een ellendig leven een indrukwekkend literair oeuvre achterliet. Hij werd begraven in de Haarlemse St. Bavo.

Jacob van Lennep (1802-1868) wordt door Marita Matthijsen 'een bezielde schavuit' genoemd. Enerzijds was hij bijzonder intelligent, ondernemend met een ongekende werkkracht, literair begaafd en maatschappelijk betrokken, anderzijds was hij ook wat we eufemistisch maar 'een beetje ondeugend' zullen noemen. Voordat hij trouwde met een tien jaar oudere freule, was hij al vader geworden van een meisje dat hij pas drieëndertig jaar later officieel als zijn dochter zou erkennen, hoewel hij al eerder financieel zorg voor haar droeg. De moeder van deze Geertruijda Elisabeth Tulle is tot op heden onbekend. Verschillende dames uit de hoogste kringen, waartoe ook Van Lennep behoorde, komen voor de eer in aanmerking, Cootje Elout, aan wie Van Lennep in 1820 de liefde verklaart, Martha Amersfoordt, de zuster van zijn vriend Jan Amersfoordt, waarvoor Jacob grote affectie had, of wellicht barones Henriette van Asbeck, die Jacob kende van haar verblijf op het Manpad, het buitenhuis van de familie Van Lennep in de buurt van Haarlem, voordat zij in het huwelijk trad met baron Hendrik Rengers, betaalmeester van Leeuwarden. Hoe dan ook, het meisje werd uitbesteed en moest ruim drie decennia wachten om tot de familie van Van Lennep te worden toegelaten.

Volgens Marita Matthijssen waren vijf vrouwen van groot belang in het leven van Van Lennep: zijn moeder, die hij op jonge leeftijd verloor, de onbekende geliefde die Betje Tulle baarde, jonkvrouw Henriette Röell, met wie hij in 1824 trouwde, Doortje Ringeling, met wie hij er in 1834 vandoor wilde gaan en Zwaantje Cornelia van Ockenburg, een Haagse bakkersvrouw bij wie hij tussen 1853 en 1865 vier kinderen verwekte.

Opvallend is dat het huwelijk van Jacob van Lennep, ondanks zijn escapades, altijd goed is gebleven en dat hij Henriette, in de woorden van Marita Matthijssen, altijd op handen heeft gedragen. Hoewel Henriette niet zal hebben staan juichen toen Jacob berouwvol van zijn mislukte ontsnapping met Doortje terugkeerde, lijkt de affaire geen blijvende schade teweeg te hebben gebracht, evenals Jacobs omgang met Zwaantje. Opmerkelijk is wel dat Zwaantje uit een lagere stand afkomstig was en dat daardoor Jacobs 'vreemdgaan' hem niet al te hard werd aangerekend. Hij moest tenslotte wat toen hij in 1853 lid van de Tweede Kamer werd en hij regelmatig in Den Haag verbleef. Dat heren uit de hoogste kringen nu en dan hun heil zochten bij dienstmeisjes, bakkersvrouwen of andere bereidwillige dames uit de lagere standen, werd kennelijk meer als een soort recht beschouwd dan als een schande, al moest je het niet van de daken schreeuwen. Van Lennep heeft financieel altijd gezorgd voor de kinderen die hij bij Zwaantje verwekte en die na haar overlijden werden opgenomen in het gezin van haar broer. Na het overlijden van Van Lennep zette zijn zoon Maurits die geldelijke steun voort.

Een affaire met een vrouw uit de eigen stand lag veel gevoeliger. Dat verklaart de diepe stilte en geheimzinnigheid waarmee de geboorte van Betje Tulle werd omringd en de moeite die vader Van Lennep deed om zijn zoon tijdig terug te halen nadat duidelijk werd dat hij er vandoor was met Doortje, een meisje uit de eigen stand, dochter van een buurvrouw van Jacobs buitenhuis Woestduin bij Haarlem. Jacob en Doortje werden aangetroffen in een herberg te Rotterdam. Hun bagage was al aan boord van de boot naar Engeland, maar kennelijk was de overredingskracht van vader Van Lennep zo groot, dat de schrijver en landsadvocaat met hangende pootjes bij pa in de koets stapte, terwijl een zwager zich over Doortje ontfermde, die haar leven lang ongehuwd zou blijven. Het is aannemelijk dat de premaritale affaire met de geheime liefde en moeder van Betje, hoogstwaarschijnlijk iemand uit de eigen stand, de oorzaak was dat Jacob van Lennep nooit een fel door hem begeerd professoraat zou krijgen.

Gerrit van der Linde (1808-1858) werd geboren te Rotterdam als zoon van een commissionair. Al voor hij in 1825 theologie ging studeren in Leiden, schreef hij gedichten. In Leiden raakte hij bevriend met de gebroeders Aart en Willem Veder, die eveneens afkomstig waren uit Rotterdam, en Jacob van Lennep. Hij zou tot zijn dood met Van Lennep bevriend blijven. Deze steunde hem ook toen Van der Linde in grote problemen raakte. Van der Linde was een goede student en onder medestudenten en professoren zeer gezien. In 1832 slaagde hij cum laude voor zijn kandidaatsexamen. De verwachting was dat hij, na het behalen van zijn proponentsexamen met gemak een positie als dominee zou verwerven en daarmee een goed inkomen. Geldschieters leenden daarom gemakkelijk geld aan Van der Linde ondanks zijn precaire financiele situatie. Die kwam enerzijds voort uit het feit dat zijn vader zijn studie niet meer kon betalen en hij maar een beperkte beurs wist te verwerven, anderzijds hield hij er een studentikoze levenswandel op na, waarbij hij zich nogal gevoelig toonde voor de charmes van het andere geslacht. In 1833 bezwangerde hij het Leidse dienstmeisje Leentje Jasperse, die een zoon, Gérard, van hem kreeg. Iets waar niet zwaar aan werd getild, zolang het maar in beperkte kring bekend bleef.

Was het bij dit buitenechtelijk kind gebleven, dan had Van der Linde zich hoogstwaarschijnlijk geschaard in het legioen dominee-dichters dat in de negentiende eeuw door de vaderlandse letteren marcheerde. Kort na de geboorte van Gérard barstte echter de bom. Gerrit was bevriend met het professor A.H. van der Boom-Mesch en zijn echtgenote. Met de echtgenote, Jeanne Mobachius Quet, ging de vriendschap echter uitzonderlijk ver. Zij biechtte haar man op dat zij geregeld het bed deelde met Van der Linde. De woedende professor deed zijn beklag bij collega Van Hengel, hoofd van de theologische faculteit, die hem bezwoer dat Van der Linde nooit en te nimmer tot het domineesambt zou worden toegelaten. Zodra dat nieuws bekend werd, kwamen Gerrits schuldeisers in het geweer. Uit vrees voor de gevolgen dook de aspirant dominee onder, tot hij in januari 1834 kans zag met een schip naar Engeland te vluchten. Daar kwam hij berooid en zonder enige kennis van het Engels aan. De bedelstaf lag in het vooruitzicht, maar Jacob van Lennep liet hem niet in de steek en met behulp van de filantroop Henry Philip Hope, wist hij zelfs in 1835 een school in Islington over te nemen. Gerrit bleek allerminst een Mr. Sqeers. Hij voerde allerlei moderniseringen door in het lespakket, waardoor de school in aanzien steeg en een succes werd. In 1837 trouwde hij met Marie Eve Caroline Monteuuis, wiens vader een kostschool uitbaatte in Boulogne-sur-Mer, een plaats die bij Charles Dickens favoriet was, al vermelden de annalen niet of Gerrit en Charles elkaar ooit hebben ontmoet. Van der Linde steeg, evenals Dickens, op de maatschappelijke ladder en kon tenslotte een school overnemen in het deftige Cromwell House in Highgate. Wel duurde het tot 1848 voor hij weer voet op Nederlandse bodem zette. Daarna bleef hij het vaderland met enige regelmaat bezoeken. Bekendheid kreeg Van der Linde onder het pseudoniem De Schoolmeester, nadat hij op verzoek van Jacob van Lennep vanaf 1850 ging meewerken aan de door hem geredigeerde almanak Holland. In januari 1858 overleed De Schoolmeester, naar alle waarschijnlijkheid aan de gevolgen van een longontsteking.

Welke conclusie kunnen wij uit het voorgaande trekken? In ieder geval dat genoemde letterkundigen niets menselijks vreemd was en dat, om een treffend cliché te gebruiken, het bloed kruipt waar het niet kan gaan. Ophef in geval van een affaire moest worden voorkomen, zeker als het ging om iemand uit de eigen stand. Die kon leiden tot een gemist professoraat of een vergane kans op een positie als predikant. Wie schulden had deed er ook maar beter het zwijgen toe. Daarom werden affaires zo goed en zo kwaad als het kon geheim gehouden of werd aan een verhouding een schijn van wettelijkheid gegeven, zoals in het geval van Mary Wollstonecraft & Gilbert Imlay en Willem Bilderdijk & Katharina Schweickhardt. Een verhouding met iemand uit de lagere standen werd iemand minder, soms vrijwel niet, aangerekend. Wel gedroeg Jacob van Lennep zich als een heer, door financieel voor de kinderen uit zijn affaires te zorgen, al verbaast het dat hij Betje pas na meer dan drie decennia officieel erkende. Dat had wellicht te maken met de afkomst van haar moeder en de angst dat diens naam bekend zou worden. Het einde van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw wordt weleens gezien als een periode van braafheid, uitgedrukt in de opvoedende verzen van Hieronymus van Alphen (1745-1803). Met die braafheid valt het geloof ik wel mee.

In: The Dutch Dickensian, Vol. XXXVIII nr. 92, Haarlem 2018.
Foto: auteur