zaterdag 8 februari 2020

Cyprus in het Historisch Nieuwsblad. Enkele kanttekeningen.



De grote Cyprus-tentoonstelling, die nog tot 15 maart 2020 te zien is in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, heeft mede als gevolg dat Cyprus, de meest oostelijke lidstaat van de EU, stevig in de belangstelling is gekomen. We kennen Cyprus vooral als vakantieland, maar het eiland is veel meer dan dat en kan bogen op een rijke en bijzondere geschiedenis. In het februarinummer van het Historisch Nieuwsblad wijdt Geertje Dekkers een artikel aan Cyprus onder de titel Turks of Grieks? De identiteitscrisis van Cyprus. Een artikel waarbij ik enkele kanttekeningen wil plaatsen.

In de eerste plaats de titel, die volgens mij niet helemaal recht doet aan de situatie op Cyprus. Inderdaad zijn er, in rechts-nationalistische kringen zowel onder de Turks-Cyprioten en Grieks-Cyprioten mensen te vinden die zichzelf allereerst als Turk of Griek beschouwen, maar in de zestig jaar na het onafhankelijk worden van Cyprus, is er aan beide zijden van de demarcatielijn wel degelijk ook een besef gegroeid van een eigen Cypriotische identiteit. Een idee waaraan allerlei intercommunale activiteiten en projecten gestalte proberen te geven. Ik noem als voorbeeld het werk van de Kostas en Rita Severis Stichting, die tot doel heeft, zoals dr. Rita Severis, de algemeen directeur, mij vertelde: 'Om via de studie van het multiculturele erfgoed van Cyprus het vreedzaam samenleven van de bevolkingsgroepen te bevorderen.' In het bestuur van de stichting, die het Centre of Visual Arts en Research beheert, waarin een museum en een wetenschappelijke bibliotheek zijn ondergebracht, hebben zowel Grieks als Turks-Cyprioten zitting. 
Een ander voorbeeld is de intercommunale samenwerking tussen Grieks en Turks-Cyprioten in het Technisch Comité van de Archeologische Dienst met als doel het zoveel mogelijk veilig stellen van antiquiteiten, ook in bezet gebied. 

Het is onjuist, zoals Dekkers doet, te spreken van een 'Grieks deel' en een 'Turks deel' van Cyprus. De soevereine EU-lidstaat Cyprus is sinds 1974 voor een deel bezet door Turkije. Na de Turkse invasie werden de Griekssprekende bewoners voor het overgrote deel gedwongen naar het zuiden te vertrekken. Onder sterke druk van rechts-nationalistische Turks-Cyprioten en Turkije, trokken de meeste Turkssprekende Cyprioten naar het noorden. Daardoor is de voertaal in het zuiden Grieks, in het noorden Turks, maar dat maakt die gebieden nog geen 'deel' van Griekenland of Turkije. Er is sprake van een internationaal erkende Republiek Cyprus, waarvan het noordelijk deel wordt bezet door Turkije, dat daar een door vrijwel niemand erkende republiek heeft uitgeroepen. Cyprus heeft overigens in geen enkele periode van haar geschiedenis deel uitgemaakt van de Griekse staat.

Dekkers meent dat de overwegend Griekse invloed op Cyprus vooral dateert uit de vierde eeuw voor Christus, toen na de dood van Alexander de Grote zijn generaal Ptolemaeus, heerser over Egypte, Cyprus veroverde. Inderdaad kwam het eiland daardoor sterk onder de invloed van het Hellenisme, dat werd gevoed vanuit Alexandrië. Daarvoor was de Griekse invloed op Cyprus ook al groot, ondanks dat, zoals Dekker juist beweert, het eiland etnisch nogal versnipperd was en een speelbal was van grotere machten in de omgeving. Dat laatste is een constante in de Cypriotische geschiedenis, die kort werd onderbroken tijdens de regeringsperiode van koning Peter I (1359-1369), toen het onafhankelijke koninkrijk Cyprus even een belangrijke rol speelde in de regio.
Juist de bijzonder interessante geschiedenis van Cyprus in de middeleeuwen wordt door Dekkers afgedaan met één zin, waarin Arabieren, Byzantijnen, kruisvaarders en Venetianen op een hoop worden gegooid. We lezen niets over de periode dat Arabieren en Byzantijnen gezamenlijk het eiland bestuurden, niets over de opkomst, bloei en verval in de tijd van het Huis de Lusignan, niets over de korte, maar niet onbelangrijke periode van de Venetianen, na de gedwongen abdicatie van de laatste vorstin, Catharina Cornaro in 1489.

De komst van de Osmanen, die in 1570 Cyprus binnen vielen en het eiland in 1571 (niet 1573!) geheel veroverden na een beleg van Famagusta, dat bijna een jaar duurde, legde grotendeels de basis voor de huidige etnische situatie. Er ontstond een Turkssprekende minderheid, door migratie vanuit het vasteland, terwijl ook een klein deel van de Cyprioten zich tot de islam bekeerde en vervolgens, vanwege het millet-systeem, als Turk werd geboekstaafd. 
De Cypriotische bevolking bestond ten tijde van de Turkse invasie van 1974 voor ongeveer 18% uit Turks-Cyprioten, voor ongeveer 80% uit Grieks-Cyprioten en voor zo'n 2% uit andere etniciteiten als Maronieten en Armeniërs. Naar de bevolkingssamenstelling in het noorden is het momenteel gissen. Turken van het vasteland hebben zich, na de invasie, in strijd met het internationaal recht, in grote getale op Cyprus gevestigd, veel Turks-Cyprioten zijn om economische redenen of uit frustratie geëmigreerd, voornamelijk naar Groot-Brittannië, de voormalige koloniale machthebber. 

Als Dekkers de opkomst van het Griekse nationalisme op Cyprus beschrijft, besteedt ze geen aandacht aan de cruciale rol die vanuit het Griekse koninkrijk geïmporteerde onderwijzers daarbij speelden. Ook schenkt ze weinig aandacht aan het feit dat het Turkse nationalisme op Cyprus pas in een laat stadium opkwam, als reactie op de Grieks-Cypriotische wens tot enosis (aansluiting bij Griekenland) en doordat de Britten in de jaren vijftig de Turks-Cyprioten en Turkije doelbewust bij het conflict om enosis betrokken. Zij besteedt evenmin voldoende aandacht aan het feit dat enosis heden ten dage door vrijwel geen Grieks-Cyprioot meer wordt nagestreefd, met uitzondering van extreem rechts.
Dekkers schrijft dat na de door het Griekse kolonelsbewind geëntameerde staatsgreep in 1974 Cyprus 'een regering met marionetten van de Griekse junta (kreeg)'. Ze vertelt er niet bij dat dat bewind het slechts acht dagen volhield. Mede doordat president Makarios letterlijk via de achterdeur van zijn paleis wist te ontsnappen en naar Londen vluchtte, mislukte de staatsgreep al snel en was zelf uiteindelijk aanleiding tot de val van de Griekse junta. In reactie op de staatsgreep viel Turkije op 20 juli Cyprus binnen, waarmee de huidige, nog steeds voortdurende deling van het eiland begon.

Dordrecht, 8 februari 2020

Literatuur:

Alastos, Doros, Cyprus in History: A Survey of 5000 Years. Londen 1976.
Arbel, Benjamin, Cyprus, the Franks and Venice, 13th-16th Centuries. Aldershot/Burlington 2000.
Clogg, Richard, A Concise History of Greece. 2nd Edition. Cambridge 2002.
Dodd, Clement, The Cyprus Imbroglio. Huntingdon 1998.
Edbury, Peter W., The Kingdom of Cyprus and the Crusades, 1191 - 1374. Cambridge 1994 (1991).
Green, Pauline, Embracing Cyprus. The Path to Unity in the New Europe. Londen 2003.
Hadjidemetriou, Katia, A History of Cyprus. Nicosia 2002.
Hill, Sir George, A History of Cyprus. Vol. I, II, III, IV. Cambridge 1940-1952.
Hitchens, Christopher, Hostage to History. Cyprus from the Ottomans to Kissinger. London/New York 1999 (1984).
Joseph, Joseph S., Cyprus. Ethnic Conflict and International Politics. From Independence to the Threshold of the European Union. 2nd Edition. Londen/New York 1997.
Karageorghis, Vassos, Cyprus from the Stone Age to the Romans. Londen 1982.
Klok, C.A., Afrodite en Europa. Een beknopte geschiedenis van Cyprus van de pre-historie tot heden. Baarn 2014.
Koumoulides, J.T.A., Cyprus and the War of Greek Independence, 1821-1829. Londen 1971 (1971). 
Moustakis, Fotios, Greek-Turkish Relationship and Nato. Londen/Portland 2003.
Nicolet, Claude, United States Policy Towards Cyprus, 1954-1974: Removing the Greek-Turkish Bone of Contention. Mannheim en Möhnesee 2001.
Oberling, Pierre, The Road to Bellapais. The Turkish Exodus to Northern Cyprus. New York 1982.
Orr, C.W.J., Cyprus under British Rule. Londen 1972 (1918).
Özgür, Özdemir A., Cyprus in My Life. Testimony of a Turkish Cypriot Diplomat. Mannheim en Möhnesee 2001.
Packart, Martin, Getting it wrong. Fragments of a Cyprus Diary 1964. Bloomington 2008.
Palley, Claire, An International Relations Debacle. The UN Secretary-General's Mission of Good Offices in Cyprus 1999-2004. Oxford & Portland 2005.
Panteli, Stavros, A History of Cyprus. From Foreign Domination to Troubled Independence. Londen/Den Haag 2000.
Sonyel, Salahi, Cyprus. The Destruction of a Republic. British Documents 1960-65. Huntingdon 1997.
Scherer, John L., Blocking the Sun. The Cyprus Conflict. Minneapolis 1997.
Stephen, Michael , The Cyprus Question. Londen 1997.

Foto: auteur


woensdag 13 november 2019

De Dordtse letteren, 1572-2019



Vandaag is mijn boekje De Dordtse letteren, 1572-2019 verschenen als deel 38 in de serie Verhalen van Dordrecht. Ik ben er blij mee. De uitgave is mooi verzorgd en het resultaat mag er zijn, al is de weg daarheen niet helemaal effen geweest. Dat is een beetje mijn eigen schuld. Toen ik de opdracht van de Stichting Historisch Platform Dordrecht aanvaardde, heb ik niet gevraagd hoe omvangrijk de tekst mocht zijn. Ik bekeek enkele eerdere delen uit de reeks en schatte die op ongeveer tienduizend woorden. Toen ik een tekst van die omvang inleverde, vernam ik dat het maximaal zesduizend woorden mocht zijn.

Schrijven is schrappen, hoor je weleens. Dat was nu zeker het geval, maar door dat schrappen viel er wel erg veel vlees van de botten en aangezien ik geen vegetariër ben, ging mij dat wel een beetje ter harte. Het is gelukt, niet het minst door enkele nuttige suggesties van tekstredacteur Cees Esseboom. De andere redacteur, Herman van Duinen, heeft het eindresultaat in een puike vorm gegoten. De heren verdienen mijn dank daarvoor. Ik heb de oorspronkelijke tekst zorgvuldig opgeslagen. Wie weet wat voor aardigs ik daar in de toekomst nog eens mee kan doen, maar voorlopig hebben we dit boekje.

Je kunt het maar beter zelf vermelden, voordat een ander er triomfantelijk mee aan de haal gaat, maar helemaal foutloos is het eindresultaat niet. Door een onopgemerkte typefout is de dichter Job Degenaar ineens twee jaar ouder geworden, want zijn geboortejaar staat vermeld als 1950, terwijl dat 1952 moet zijn. Over dichter, romancier en kinderboekenschrijfster Marie Schmitz (1883-1972) meld ik dat ze, geboren in Haarlem, voor haar huwelijk met de kunstenaar Leen Verhoeven naar Dordrecht kwam. Het boekje lag al bij de drukker toen ik ontdekte dat dat al veel eerder was. Ze kwam namelijk als zeer jong kind mee met haar moeder, nadat die weduwe was geworden. Dank aan Saskia Lensink, van wiens hand binnenkort het boek Dochters van Dordrecht verschijnt, voor de nadere informatie. 

In de inleiding van de oorspronkelijke tekst, stelde ik mij de vraag: wanneer kun je iemand een Dordtse schrijver noemen? Is dat iemand die in de stad is geboren en getogen en daar altijd is blijven wonen? Is iemand die tijdelijk in de stad woonde en daar het een en ander schreef (Jacob Cats bijvoorbeeld) ook een Dordtse schrijver? Of iemand die in Dordrecht is geboren, maar daar al vroeg uit is vertrokken (Job Degenaar, Amarantha Groen, Jacques Perk)? Of een schrijver die van buiten Dordrecht naar de stad kwam? Een eenduidig antwoord heb ik niet kunnen vinden. Prima dus dat die inleiding door het schrappen moest vervallen. Met te nauwe definities zijn de letteren namelijk niet gediend, denk ik.


woensdag 6 november 2019

Romanticus en verslaafd


Opmerkelijk dat er dit jaar zomaar twee debuutromans zijn verschenen die grotendeels spelen in Dordrecht: Arend van Peter Punt, dat ik eerder besprak, en Van Steen van Frank van Dijl. Beiden journalist, beiden geboren en getogen in Dordrecht. Opmerkelijker nog: beiden generatiegenoten van mij die al in de jaren zeventig en tachtig publiceerden in literaire tijdschriften, waaronder de Dordtse bladen Letteriek, dat van 1973 tot 1981 bestond, en De Fonteijne, dat van 1981 tot 1986 verscheen. 

Dordrecht figureert niet vaak in romans. Het speelt onder meer een rol in Pieter Bas van Godfried Bomans, maar iedere Dordtenaar die dat boek leest, merkt onmiddellijk dat het een Dordrecht is dat Bomans grotendeels uit de vertellersduim heeft gezogen. Die achtergrond geeft het lezen van Van Steen iets extra's mee, al geldt dat natuurlijk alleen voor Dordtenaren. Het verhaal had zich overigens in willekeurig welke stad kunnen afspelen.

De hoofdpersoon in de roman, Peter, een gesjeesd gymnasiast die via de plaatselijke krant opklimt in de landelijke journalistiek, beweegt zich in de jaren zestig en zeventig in de kunstzinnige, of verondersteld kunstzinnige, kringen van Dordrecht, dat in die periode kampte met een ruim verkrotte binnenstad waarin nogal wat verrotting en verval te bespeuren viel. (Het stadsherstel, dat in ieder geval een deel van de historische binnenstad van de stedenbouwkundige ramp die 'saneringsplan' heette zou redden, begon pas eind jaren zeventig. K.K.). Die kringen verzamelden zich op donderdagavonden in het legendarische café De Meyereische Kar (in 1978 gesloopt) en op zaterdagmiddagen in het nog legendarischer café Visser's Poffertjes, dat gelukkig nog steeds bestaat en nog steeds favoriet is bij kunstzinnig en literair Dordrecht. 
Waarom De Meyereische Kar wel als zodanig in het verhaal voorkomt en Visser als De Poffer is mij niet duidelijk. Ik begrijp ook niet zo goed waarom de bekende Dordtse band The Living Kick Formation in het boek Kick: The Living heet. In de zanger van die band, Theo Ungerer, of wel 'Kleine Theo' herkennen we moeiteloos de bekende Dordtse popster Leo Schellinger. Het maakt het voor een Dordtenaar allemaal des te aardiger, al benadruk ik nogmaals: als het verhaal in Delft of Delfzijl zou spelen, zou het niet minder interessant zijn.

Peter is een licht verlegen jongeman, die in de schaduw staat van zijn boezemvriend Pauw, een rokkenjager van heb ik jou daar. Peter valt op borsten, vooral grote borsten, en ook wel op een welgeschapen kont, maar zijn successen bij de meisjes zijn, vergeleken met de escapades van Pauw, bescheiden. Pauw krijgt uiteindelijk een gecompliceerde verhouding met een zekere Alice. Als die stukloopt besluit Alice, afkomstig uit het gat Sint Jansteen in Zeeuws-Vlaanderen, in te trekken bij Peter, die net bij zijn ouders uit huis is en een flat, ook weer heel herkenbaar voor Dordtenaren, bewoont in de buitenwijk Sterrenburg. 
Er ontspint zich een ingewikkeld verhaal over een verhouding, die eigenlijk geen verhouding is, tussen een bloedmooie, jonge vrouw met een dubieuze achtergrond en levenswandel en de daaruit volgende problemen, en een onervaren, romantisch ingestelde jongeman die verliefd of verslaafd aan haar zich wil opwerpen als haar redder. Het verhaal, dat door een aantal tijdwisselingen een extra dimensie krijgt, loopt op dramatische wijze af, of eigenlijk ook niet. Het is maar hoe je er tegenaan kijkt. Peter is als vijftiger in wezen nog steeds op zoek naar de verloren Alice, die hij in allerlei vrouwen en meisjes meent te herkennen.
Tot die ontknoping wordt de lezer meegesleept in een aantal spannende, filmisch geschreven verwikkelingen. Ze maakten het mij moeilijk het boek terzijde te leggen. Het cliché 'in één adem uit' dringt zich op, maar het is niet anders.
Twee boeiende, goed geschreven 'Dordtse' romans. Zomaar ineens! Het is een traktatie die mij bijzonder goed is bevallen.

Frank van Dijl, Van Steen. Dijl's Uitgeverij, Rotterdam. ISBN 9789402189537.


donderdag 31 oktober 2019

Een laat maar sterk debuut



Het is een laat debuut, de roman Arend van oud-journalist in Peter Punt, maar het is een debuut dat alleszins de moeite waard is. In 225 pagina's schetst Punt een cruciale fase uit het leven van zijn hoofdpersoon, Arend Miltenburg, een puber die, niet ongewoon in die leeftijdsgroep, behoorlijk met zichzelf, en daardoor ook met zijn naaste omgeving, in de knoop zit. 

Het gezin van Arend, typerend voor de lagere middenstand in de jaren zestig van de vorige eeuw, is een beetje doorsnee, met een oudere broer die het in het onderwijs niet ver heeft gebracht en ouders die nog helemaal in de wederopbouwjaren leven met aanklevende, nogal benepen maatschappelijke opvattingen. Arend daarentegen komt in aanraking met een artistieke en hippie-achtige omgeving van mensen die vaak ouder zijn dan hij en waaraan hij zich tracht te spiegelen.

De geschiedenis, die door Punt met goed gedoseerde spanning in korte hoofdstukken wordt opgediend, speelt zich af in de geboortestad van de schrijver, Dordrecht, in de jaren zestig nog een prototype van een kleinsteedse samenleving. Het is toevallig ook mijn geboortestad, Peter Punt en ik zijn generatiegenoten. Ik ken de Vogelwijk, waarin hij zijn verhaal situeert, erger nog, ik woonde er zelf niet, maar mijn lagere school stond er wel. Een wijk met naoorlogse crisisbouw. Kleine, benauwde flats en miezerige, popperige rijtjeshuizen, grenzend aan de fraaie Indische buurt, met als scheidingsweg de Bankastraat, de straat waar schrijver Kees Buddingh', die een piepklein bijrolletje speelt in Arend, een groot deel van zijn leven woonde. In Buddingh's dagboeken valt te lezen dat hij zijn sigaren altijd kocht op het Vogelplein.

Peter Punt weet de sfeer van de buurt en de stad in de jaren zestig feilloos te treffen, zoals hij ook met precisie en soms wat aangename, bescheiden humor, het milieu schetst waartoe Arend zich aangetrokken voelt en waarin hij van lieverlee een bescheiden plekje verovert. Hij verkeert regelmatig in Het Teekengenootschap, dat model staat voor Teekengenootschap Pictura, het oudste nog bestaande van Nederland. Hij houdt zich op in de Wijnbar, waarvoor de Wijnbartiek op de Dordtse Voorstraat model staat, in die tijd een sensationele nieuwigheid in de plaatselijke horeca. Een milieu waar Arend zich niet altijd even verstandig gedraagt, zoals van een puber verwacht mag worden. Toch groeit met vallen en opstaan zijn persoon en hoewel drama aan het einde van het verhaal niet ontbreekt, in tegendeel, kunnen we toch vermoeden dat hij na zijn volwassenwording een betere tijd tegemoet gaat.

Arend is een sterk geschreven en geloofwaardig neergezette Bildungsroman, die de vraag oproept waarom de auteur, die in de vroege jaren zeventig al begon te publiceren in literaire tijdschriften, zolang heeft gewacht met dit boek. Misschien omdat pas het verlaten van de journalistiek voldoende rust voor het schrijven bood? 

Er kleeft slechts één gebrek aan Arend en dat is het opvallend aantal zetfouten (dubbele woorden, woorden die zijn weggevallen, verschrijvingen en typografische eigenaardigheden). Nu is een foutloos boek nauwelijks te vinden, in Hotel Europa van Ilja Leonard Pfeiffer ontdekte ik ook een enkel dubbel woordje dat is blijven hangen en in mijn eigen boek En vooral: de gordijnen dicht prijkt een stel oplaatbare batterijen. Zo is dat nu eenmaal, maar als het wemelt van dat soort dingen, denk je toch dat er op de uitgeverij wel erg slordig met de tekst is omgegaan. Aan de kracht van het verhaal doet dat niets af. Arend is een veelbelovend debuut. Ik hoop nog veel van Peter Punt te mogen lezen.

Peter Punt, Arend. Een zoektocht naar rust en ordening. Boekscout 2019. ISBN 9789463895767

zondag 6 oktober 2019

CATHARINA CORNARO, de laatste koningin van Cyprus


     Portret van Catharino Cornaro door Titiaan.

Om te begrijpen hoe een jong Venetiaans meisje het tot de laatste koningin van Cyprus kon brengen, moeten we terug naar het jaar 1548. Toen kort na elkaar koningin Helena en haar echtgenoot Jan II kwamen te overlijden, ontstond een opvolgingsprobleem. De troonopvolgster, Charlotte, was een vrouw en haar opvolging was niet naar de zin van haar halfbroer Jacobus, de (rooms-katholieke) aartsbisschop van Cyprus. Deze kwam zelf, als bastaardzoon van Jan II, niet voor de opvolging in aanmerking. Hij besloot zijn halfzus desnoods met geweld de pas af te snijden. 

In eerste instantie had Charlotte, die in datzelfde jaar trouwde met Lodewijk van Savoye, de bovenhand. Na een mislukt complot moest Jacobus vluchten.*

Hij trok naar Egypte, toen het domein van de Mamelukse sultans, die sinds de slag bij Khirokitia (1426) formeel de soevereiniteit over Cyprus bezaten. Daar wist hij de sultan zover te krijgen dat hij, inmiddels aartsbisschop af, erkend werd als koning van Cyprus. Hij kreeg een aantal huurlingen ter beschikking om zijn zaken ter plekke te gaan regelen.

Hij veroverde Famagusta, waarmee een einde kwam aan het Genuese bestuur, en sloeg het beleg voor Kyreneia. De Mamelukse troepen lieten hem al snel in de steek en Kyreneia bood taai verzet. Het lukte Jacobus pas na vier jaar om de stad te veroveren. Hoewel Charlotte in een groot deel van Europa als koningin van Cyprus erkend bleef, besteeg haar halfbroer in 1464 de troon als koning Jacobus II. Van Charlotte werd weinig meer vernomen, al zou het Huis Savoye zich nog lange tijd, tevergeefs, als erfgenaam van de Cypriotische kroon presenteren. Om zijn bewind te handhaven steunde Jacobus vooral op de Venetianen, wie het goed uitkwam dat hij hun aartsrivalen voorgoed uit Famagusta had verdreven.

De Venetianen wisten Jacobus nog sterker in hun greep te krijgen door een huwelijk te arrangeren tussen hem en een dochter uit een van de belangrijkste Venetiaanse geslachten, het huis Cornaro, dat omvangrijke belangen op het eiland had. De achttienjarige Catharina was de gelukkige. In 1472 trouwde ze met Jacobus, een jaar later was zij echter al weduwe, een status die de Venetianen met lede ogen aanzagen, want Catharina was niet alleen jong en aantrekkelijk, waardoor via een nieuw huwelijk Cyprus hen wel eens zou kunnen ontglippen, maar ook brak er op het eiland een factiestrijd uit die haar positie bedreigde.

Daarom oefende de republiek via haar naaste familieleden zware druk uit op Catharina, om het koninkrijk aan Venetië te schenken in ruil voor een uiterst gerieflijk bestaan in haar geboortestad. In 1489 zwichtte Catharina voor deze druk en keerde zij terug naar Venetië (...) Met de aftocht van Catherina kwam er een einde aan het bestuur van de Lusignans, al verbleven er tot in de Ottomaanse tijd nog nazaten van de familie op het eiland. 

In Italië sleet de weduwe De Lusignan haar dagen in grote luxe en inspireerde zij de schilder Titiaan tot een wereldberoemd portret. Toen zij stierf werd ze in haar geboorteland begraven. Ook de verdreven koningin Charlotte vond in Italië haar laatste rustplaats. In de catacomben van het Vaticaan ligt zij vlakbij de plaats waar paus Johannes Paulus II werd bijgezet. Een late vorm van historische genoegdoening misschien?



*De citaten zijn afkomstig uit: C.A. Klok, Afrodite en Europa. Een beknopte geschiedenis van Cyprus van de prehistorie tot heden. Soest 2014.

maandag 23 september 2019

Birds without Wings



Birds without Wings (in het Nederlands verschenen als Vogels zonder vleugels) is een historische roman van Louis de Bernières, die eerder naam maakte met Kapitein Corelli’s Mandoline. Het verhaal speelt zich af in het eerste kwart van de 20e eeuw en gaat over de neergang van het Osmaanse Rijk. Dat werd in vijf opeenvolgende oorlogen, tussen 1911 en 1923, uiteengerukt, waarna de moderne Turkse republiek oprees uit een deel van de rokende puinhopen.

De bewoners van het Osmaanse plaatsje Eskibahçe, nabij Fethiye (toen nog Telmessos) in zuidwest Anatolië, leven in hun eigen microkosmos van christenen, moslims en Armeniërs, onder het vaderlijk gezag van Rustem Bey, de plaatselijke aga, en twee gendarmes die zich voornamelijk bezighouden met tavli (backgammon) spelen op het dorpsplein. Telmessos is enkele dagreizen verwijderd, Smyrna ligt al veel verderaf en Constantinopel is voor de meeste inwoners een vaag begrip achter de horizon. Dat geldt ook voor Griekenland en de landen van de Franken, daarachter, waarvan er vele soorten blijken te zijn, zoals men zal ervaren. Iedereen spreekt Turks, alleen de dorpspriester bedient zich tijdens de mis van een soort liturgisch Grieks, een taal die verder alleen wordt beheerst door Daskalos (onderwijzer) Leonidas. Daskalos Leonidas is een romantische, nationalistische fanaat uit Smyrna, die de christelijke jeugd probeert bij te brengen dat ze Grieken zijn die een Groot-Griekenland verdienen. Veel verder dan hen Turks te leren schrijven met Griekse letters komt deze verzuurde, onbegrepen eenling niet.

Op indringende en visuele wijze, waarbij ijzingwekkende details niet worden geschuwd, beschrijft de Bernières hoe de verwikkelingen in de grote, verre wereld uiteindelijk ingrijpen in het leven van de bewoners van Eskibahçe, waarvan sommigen zich nog de oude naam Paleoperivoli herinneren, zonder zich overigens van hun eigen oorsprong bewust te zijn. De persoonlijke levens van de hoofdrolspelers worden in een knap geconstrueerd web van dooreenlopende geschiedenissen, vol terug- en vooruitblikken, verknoopt met de grote gebeurtenissen van die tijd. Een opzet die bij menig kleiner talent tot een onleesbare warboel zou leiden. De Bernières tovert de lezer zijn verhalen echter voor als een film die, dankzij de gezonde afwisseling van humor, tragiek, oog voor het menselijk detail en nu en dan een dosis wreedheid, van begin tot einde blijft fascineren. Het reilen en zeilen van de bewoners van een idyllisch, maar onbetekenend gat aan de kust van Lycië, wordt zo een paradigma voor de drama’s die zich in die tijd hebben voltrokken en voor de ellende die Grieken, Turken, Armeniërs en Koerden elkaar hebben aangedaan.

Birds without Wings is geen boek voor fanatieke nationalisten en chauvinisten, waarvan er ook in die hoek van het Middellandse Zeegebied nog maar al te veel rondlopen. Het is vooral een waarschuwing tegen het dodelijke mengsel van nationalisme, utopisme en godsdienstige geestdrijverij. Een waarschuwing tegen de werking van dit gif dat leidt tot ontmenselijking, tot moord en doodslag, tot een onherstelbare sociale en culturele verwoesting. Wat de gemeenschap van Eskibahçe is overkomen gaat je als lezer niet in de koude kleren zitten, want ook al is deze geschiedenis in de eerste plaats superieure fictie, zij staat wel model voor een tragische werkelijkheid.

Louis de Bernières, Birds without Wings. (London 2004)


zaterdag 17 augustus 2019

Donkere tijden



In The Darkening Age beschrijft Catherine Nixey de verwoestende werking van het zich verbreidende christendom op de antieke wereld. Ze begint haar boek in Palmyra, met de vernietiging van de tempel van de godin Athene, door een horde zeloten. Dat gebeurde in het jaar 385. Aanvallen op 'heidense' heiligdommen door fanatieke christenen vonden regelmatig plaats in de vierde, vijfde en zesde eeuw. Dat onze musea van oudheden voornamelijk beelden tentoon kunnen stellen met afgebroken ledematen, hoofden en geslachtsdelen, hebben we voor een belangrijk deel te danken aan deze haatchristenen. 

Natuurlijk, aardbevingen, oorlogsgeweld en menselijke onachtzaamheid eisten ook hun tol, maar de kans is groot dat de overgeleverde literatuur uit de oudheid veel rijker zou zijn, als christelijke fanaten niet als een brandschattende plaag door het Romeinse Rijk waren getrokken. Monniken in middeleeuwse kloosters (die in deze periode ontstonden, maar dit terzijde) hebben, zo leerden wij op school, veel antieke geschriften gered van de ondergang door ze te kopiëren en voor het nageslacht te bewaren. Dat klopt, zegt Nixey, maar het is wel een fractie van wat in talloze boekverbrandingen is vernietigd.

Wat wij op school ook leerden, was de geschiedenis van de christenvervolgingen. Het verhaal dat zowat alle Romeinse keizers sinds Nero, tot Constantijn de Grote zich bekeerde tot het christendom, zich op bloeddorstige wijze bezighielden met het vervolgen van christenen, die doorgaans zingend en biddend de marteldood tegemoet gingen. Het leverde vele martelaren op, 'het zaad der kerk', volgens onze schoolboeken. Volgens Nixey is het een grote leugen, nepnieuws dat een enorme vlucht nam. Zij stelt dat waarschijnlijk niet meer dan tien van de honderden verhalen over de christenvervolgingen op historische feiten gebaseerd zijn en dat de vervolgingen zich beperkten tot drie, relatief korte perioden in de Romeinse geschiedenis. 

Er worden nog meer mythen door Nixey doorgeprikt. Daarbij is haar toon soms nogal ironisch, misschien omdat ze de dochter is van een uitgetreden monnik en een uitgetreden non. Dat wekt onnodig de schijn dat zij wil afrekenen met het geloof. In sommige christelijke kringen sprong men door The Darkening Age dan ook als een bok op de haverkist. In orthodoxe kring werd het direct beschouwd als een aanval op kerk en christendom. Dat is het niet. Het christendom heeft een geschiedenis van vele eeuwen en in die eeuwen is een waaier van richtingen ontstaan. Van de gekrookte rieters die nog steeds iedere letter van de bijbel voor waar aannemen, tot de remonstranten die een lichtend voorbeeld van vrijzinnigheid en verdraagzaamheid zijn. Je kunt het hedendaagse christendom, aanzienlijk gematigder dan in den beginne, op wat fanatieke rafelranden na, niet vergelijken met dat uit de late oudheid. Toen dachten sommigen dat hun god ermee gediend was als ze hun leven sleten op een metershoge zuil, of op handen en voeten rondgingen, terwijl ze zich voedden met gras. Het boek van Nixey is een tegenwicht tegen de in de late oudheid begonnen mythologisering van het verleden en daar is de geschiedeniswetenschap, volgens historicus Pieter Geyl 'een discussie zonder eind', uiteraard mee gediend.

Catherine Nixey, The Darkening Age. The Christian Destruction of the Classical World (London 2017).