woensdag 13 november 2019

De Dordtse letteren, 1572-2019



Vandaag is mijn boekje De Dordtse letteren, 1572-2019 verschenen als deel 38 in de serie Verhalen van Dordrecht. Ik ben er blij mee. De uitgave is mooi verzorgd en het resultaat mag er zijn, al is de weg daarheen niet helemaal effen geweest. Dat is een beetje mijn eigen schuld. Toen ik de opdracht van de Stichting Historisch Platform Dordrecht aanvaardde, heb ik niet gevraagd hoe omvangrijk de tekst mocht zijn. Ik bekeek enkele eerdere delen uit de reeks en schatte die op ongeveer tienduizend woorden. Toen ik een tekst van die omvang inleverde, vernam ik dat het maximaal zesduizend woorden mocht zijn.

Schrijven is schrappen, hoor je weleens. Dat was nu zeker het geval, maar door dat schrappen viel er wel erg veel vlees van de botten en aangezien ik geen vegetariër ben, ging mij dat wel een beetje ter harte. Het is gelukt, niet het minst door enkele nuttige suggesties van tekstredacteur Cees Esseboom. De andere redacteur, Herman van Duinen, heeft het eindresultaat in een puike vorm gegoten. De heren verdienen mijn dank daarvoor. Ik heb de oorspronkelijke tekst zorgvuldig opgeslagen. Wie weet wat voor aardigs ik daar in de toekomst nog eens mee kan doen, maar voorlopig hebben we dit boekje.

Je kunt het maar beter zelf vermelden, voordat een ander er triomfantelijk mee aan de haal gaat, maar helemaal foutloos is het eindresultaat niet. Door een onopgemerkte typefout is de dichter Job Degenaar ineens twee jaar ouder geworden, want zijn geboortejaar staat vermeld als 1950, terwijl dat 1952 moet zijn. Over dichter, romancier en kinderboekenschrijfster Marie Schmitz (1883-1972) meld ik dat ze, geboren in Haarlem, voor haar huwelijk met de kunstenaar Leen Verhoeven naar Dordrecht kwam. Het boekje lag al bij de drukker toen ik ontdekte dat dat al veel eerder was. Ze kwam namelijk als zeer jong kind mee met haar moeder, nadat die weduwe was geworden. Dank aan Saskia Lensink, van wiens hand binnenkort het boek Dochters van Dordrecht verschijnt, voor de nadere informatie. 

In de inleiding van de oorspronkelijke tekst, stelde ik mij de vraag: wanneer kun je iemand een Dordtse schrijver noemen? Is dat iemand die in de stad is geboren en getogen en daar altijd is blijven wonen? Is iemand die tijdelijk in de stad woonde en daar het een en ander schreef (Jacob Cats bijvoorbeeld) ook een Dordtse schrijver? Of iemand die in Dordrecht is geboren, maar daar al vroeg uit is vertrokken (Job Degenaar, Amarantha Groen, Jacques Perk)? Of een schrijver die van buiten Dordrecht naar de stad kwam? Een eenduidig antwoord heb ik niet kunnen vinden. Prima dus dat die inleiding door het schrappen moest vervallen. Met te nauwe definities zijn de letteren namelijk niet gediend, denk ik.


woensdag 6 november 2019

Romanticus en verslaafd


Opmerkelijk dat er dit jaar zomaar twee debuutromans zijn verschenen die grotendeels spelen in Dordrecht: Arend van Peter Punt, dat ik eerder besprak, en Van Steen van Frank van Dijl. Beiden journalist, beiden geboren en getogen in Dordrecht. Opmerkelijker nog: beiden generatiegenoten van mij die al in de jaren zeventig en tachtig publiceerden in literaire tijdschriften, waaronder de Dordtse bladen Letteriek, dat van 1973 tot 1981 bestond, en De Fonteijne, dat van 1981 tot 1986 verscheen. 

Dordrecht figureert niet vaak in romans. Het speelt onder meer een rol in Pieter Bas van Godfried Bomans, maar iedere Dordtenaar die dat boek leest, merkt onmiddellijk dat het een Dordrecht is dat Bomans grotendeels uit de vertellersduim heeft gezogen. Die achtergrond geeft het lezen van Van Steen iets extra's mee, al geldt dat natuurlijk alleen voor Dordtenaren. Het verhaal had zich overigens in willekeurig welke stad kunnen afspelen.

De hoofdpersoon in de roman, Peter, een gesjeesd gymnasiast die via de plaatselijke krant opklimt in de landelijke journalistiek, beweegt zich in de jaren zestig en zeventig in de kunstzinnige, of verondersteld kunstzinnige, kringen van Dordrecht, dat in die periode kampte met een ruim verkrotte binnenstad waarin nogal wat verrotting en verval te bespeuren viel. (Het stadsherstel, dat in ieder geval een deel van de historische binnenstad van de stedenbouwkundige ramp die 'saneringsplan' heette zou redden, begon pas eind jaren zeventig. K.K.). Die kringen verzamelden zich op donderdagavonden in het legendarische café De Meyereische Kar (in 1978 gesloopt) en op zaterdagmiddagen in het nog legendarischer café Visser's Poffertjes, dat gelukkig nog steeds bestaat en nog steeds favoriet is bij kunstzinnig en literair Dordrecht. 
Waarom De Meyereische Kar wel als zodanig in het verhaal voorkomt en Visser als De Poffer is mij niet duidelijk. Ik begrijp ook niet zo goed waarom de bekende Dordtse band The Living Kick Formation in het boek Kick: The Living heet. In de zanger van die band, Theo Ungerer, of wel 'Kleine Theo' herkennen we moeiteloos de bekende Dordtse popster Leo Schellinger. Het maakt het voor een Dordtenaar allemaal des te aardiger, al benadruk ik nogmaals: als het verhaal in Delft of Delfzijl zou spelen, zou het niet minder interessant zijn.

Peter is een licht verlegen jongeman, die in de schaduw staat van zijn boezemvriend Pauw, een rokkenjager van heb ik jou daar. Peter valt op borsten, vooral grote borsten, en ook wel op een welgeschapen kont, maar zijn successen bij de meisjes zijn, vergeleken met de escapades van Pauw, bescheiden. Pauw krijgt uiteindelijk een gecompliceerde verhouding met een zekere Alice. Als die stukloopt besluit Alice, afkomstig uit het gat Sint Jansteen in Zeeuws-Vlaanderen, in te trekken bij Peter, die net bij zijn ouders uit huis is en een flat, ook weer heel herkenbaar voor Dordtenaren, bewoont in de buitenwijk Sterrenburg. 
Er ontspint zich een ingewikkeld verhaal over een verhouding, die eigenlijk geen verhouding is, tussen een bloedmooie, jonge vrouw met een dubieuze achtergrond en levenswandel en de daaruit volgende problemen, en een onervaren, romantisch ingestelde jongeman die verliefd of verslaafd aan haar zich wil opwerpen als haar redder. Het verhaal, dat door een aantal tijdwisselingen een extra dimensie krijgt, loopt op dramatische wijze af, of eigenlijk ook niet. Het is maar hoe je er tegenaan kijkt. Peter is als vijftiger in wezen nog steeds op zoek naar de verloren Alice, die hij in allerlei vrouwen en meisjes meent te herkennen.
Tot die ontknoping wordt de lezer meegesleept in een aantal spannende, filmisch geschreven verwikkelingen. Ze maakten het mij moeilijk het boek terzijde te leggen. Het cliché 'in één adem uit' dringt zich op, maar het is niet anders.
Twee boeiende, goed geschreven 'Dordtse' romans. Zomaar ineens! Het is een traktatie die mij bijzonder goed is bevallen.

Frank van Dijl, Van Steen. Dijl's Uitgeverij, Rotterdam. ISBN 9789402189537.


donderdag 31 oktober 2019

Een laat maar sterk debuut



Het is een laat debuut, de roman Arend van oud-journalist in Peter Punt, maar het is een debuut dat alleszins de moeite waard is. In 225 pagina's schetst Punt een cruciale fase uit het leven van zijn hoofdpersoon, Arend Miltenburg, een puber die, niet ongewoon in die leeftijdsgroep, behoorlijk met zichzelf, en daardoor ook met zijn naaste omgeving, in de knoop zit. 

Het gezin van Arend, typerend voor de lagere middenstand in de jaren zestig van de vorige eeuw, is een beetje doorsnee, met een oudere broer die het in het onderwijs niet ver heeft gebracht en ouders die nog helemaal in de wederopbouwjaren leven met aanklevende, nogal benepen maatschappelijke opvattingen. Arend daarentegen komt in aanraking met een artistieke en hippie-achtige omgeving van mensen die vaak ouder zijn dan hij en waaraan hij zich tracht te spiegelen.

De geschiedenis, die door Punt met goed gedoseerde spanning in korte hoofdstukken wordt opgediend, speelt zich af in de geboortestad van de schrijver, Dordrecht, in de jaren zestig nog een prototype van een kleinsteedse samenleving. Het is toevallig ook mijn geboortestad, Peter Punt en ik zijn generatiegenoten. Ik ken de Vogelwijk, waarin hij zijn verhaal situeert, erger nog, ik woonde er zelf niet, maar mijn lagere school stond er wel. Een wijk met naoorlogse crisisbouw. Kleine, benauwde flats en miezerige, popperige rijtjeshuizen, grenzend aan de fraaie Indische buurt, met als scheidingsweg de Bankastraat, de straat waar schrijver Kees Buddingh', die een piepklein bijrolletje speelt in Arend, een groot deel van zijn leven woonde. In Buddingh's dagboeken valt te lezen dat hij zijn sigaren altijd kocht op het Vogelplein.

Peter Punt weet de sfeer van de buurt en de stad in de jaren zestig feilloos te treffen, zoals hij ook met precisie en soms wat aangename, bescheiden humor, het milieu schetst waartoe Arend zich aangetrokken voelt en waarin hij van lieverlee een bescheiden plekje verovert. Hij verkeert regelmatig in Het Teekengenootschap, dat model staat voor Teekengenootschap Pictura, het oudste nog bestaande van Nederland. Hij houdt zich op in de Wijnbar, waarvoor de Wijnbartiek op de Dordtse Voorstraat model staat, in die tijd een sensationele nieuwigheid in de plaatselijke horeca. Een milieu waar Arend zich niet altijd even verstandig gedraagt, zoals van een puber verwacht mag worden. Toch groeit met vallen en opstaan zijn persoon en hoewel drama aan het einde van het verhaal niet ontbreekt, in tegendeel, kunnen we toch vermoeden dat hij na zijn volwassenwording een betere tijd tegemoet gaat.

Arend is een sterk geschreven en geloofwaardig neergezette Bildungsroman, die de vraag oproept waarom de auteur, die in de vroege jaren zeventig al begon te publiceren in literaire tijdschriften, zolang heeft gewacht met dit boek. Misschien omdat pas het verlaten van de journalistiek voldoende rust voor het schrijven bood? 

Er kleeft slechts één gebrek aan Arend en dat is het opvallend aantal zetfouten (dubbele woorden, woorden die zijn weggevallen, verschrijvingen en typografische eigenaardigheden). Nu is een foutloos boek nauwelijks te vinden, in Hotel Europa van Ilja Leonard Pfeiffer ontdekte ik ook een enkel dubbel woordje dat is blijven hangen en in mijn eigen boek En vooral: de gordijnen dicht prijkt een stel oplaatbare batterijen. Zo is dat nu eenmaal, maar als het wemelt van dat soort dingen, denk je toch dat er op de uitgeverij wel erg slordig met de tekst is omgegaan. Aan de kracht van het verhaal doet dat niets af. Arend is een veelbelovend debuut. Ik hoop nog veel van Peter Punt te mogen lezen.

Peter Punt, Arend. Een zoektocht naar rust en ordening. Boekscout 2019. ISBN 9789463895767

zondag 6 oktober 2019

CATHARINA CORNARO, de laatste koningin van Cyprus


     Portret van Catharino Cornaro door Titiaan.

Om te begrijpen hoe een jong Venetiaans meisje het tot de laatste koningin van Cyprus kon brengen, moeten we terug naar het jaar 1548. Toen kort na elkaar koningin Helena en haar echtgenoot Jan II kwamen te overlijden, ontstond een opvolgingsprobleem. De troonopvolgster, Charlotte, was een vrouw en haar opvolging was niet naar de zin van haar halfbroer Jacobus, de (rooms-katholieke) aartsbisschop van Cyprus. Deze kwam zelf, als bastaardzoon van Jan II, niet voor de opvolging in aanmerking. Hij besloot zijn halfzus desnoods met geweld de pas af te snijden. 

In eerste instantie had Charlotte, die in datzelfde jaar trouwde met Lodewijk van Savoye, de bovenhand. Na een mislukt complot moest Jacobus vluchten.*

Hij trok naar Egypte, toen het domein van de Mamelukse sultans, die sinds de slag bij Khirokitia (1426) formeel de soevereiniteit over Cyprus bezaten. Daar wist hij de sultan zover te krijgen dat hij, inmiddels aartsbisschop af, erkend werd als koning van Cyprus. Hij kreeg een aantal huurlingen ter beschikking om zijn zaken ter plekke te gaan regelen.

Hij veroverde Famagusta, waarmee een einde kwam aan het Genuese bestuur, en sloeg het beleg voor Kyreneia. De Mamelukse troepen lieten hem al snel in de steek en Kyreneia bood taai verzet. Het lukte Jacobus pas na vier jaar om de stad te veroveren. Hoewel Charlotte in een groot deel van Europa als koningin van Cyprus erkend bleef, besteeg haar halfbroer in 1464 de troon als koning Jacobus II. Van Charlotte werd weinig meer vernomen, al zou het Huis Savoye zich nog lange tijd, tevergeefs, als erfgenaam van de Cypriotische kroon presenteren. Om zijn bewind te handhaven steunde Jacobus vooral op de Venetianen, wie het goed uitkwam dat hij hun aartsrivalen voorgoed uit Famagusta had verdreven.

De Venetianen wisten Jacobus nog sterker in hun greep te krijgen door een huwelijk te arrangeren tussen hem en een dochter uit een van de belangrijkste Venetiaanse geslachten, het huis Cornaro, dat omvangrijke belangen op het eiland had. De achttienjarige Catharina was de gelukkige. In 1472 trouwde ze met Jacobus, een jaar later was zij echter al weduwe, een status die de Venetianen met lede ogen aanzagen, want Catharina was niet alleen jong en aantrekkelijk, waardoor via een nieuw huwelijk Cyprus hen wel eens zou kunnen ontglippen, maar ook brak er op het eiland een factiestrijd uit die haar positie bedreigde.

Daarom oefende de republiek via haar naaste familieleden zware druk uit op Catharina, om het koninkrijk aan Venetië te schenken in ruil voor een uiterst gerieflijk bestaan in haar geboortestad. In 1489 zwichtte Catharina voor deze druk en keerde zij terug naar Venetië (...) Met de aftocht van Catherina kwam er een einde aan het bestuur van de Lusignans, al verbleven er tot in de Ottomaanse tijd nog nazaten van de familie op het eiland. 

In Italië sleet de weduwe De Lusignan haar dagen in grote luxe en inspireerde zij de schilder Titiaan tot een wereldberoemd portret. Toen zij stierf werd ze in haar geboorteland begraven. Ook de verdreven koningin Charlotte vond in Italië haar laatste rustplaats. In de catacomben van het Vaticaan ligt zij vlakbij de plaats waar paus Johannes Paulus II werd bijgezet. Een late vorm van historische genoegdoening misschien?



*De citaten zijn afkomstig uit: C.A. Klok, Afrodite en Europa. Een beknopte geschiedenis van Cyprus van de prehistorie tot heden. Soest 2014.

maandag 23 september 2019

Birds without Wings



Birds without Wings (in het Nederlands verschenen als Vogels zonder vleugels) is een historische roman van Louis de Bernières, die eerder naam maakte met Kapitein Corelli’s Mandoline. Het verhaal speelt zich af in het eerste kwart van de 20e eeuw en gaat over de neergang van het Osmaanse Rijk. Dat werd in vijf opeenvolgende oorlogen, tussen 1911 en 1923, uiteengerukt, waarna de moderne Turkse republiek oprees uit een deel van de rokende puinhopen.

De bewoners van het Osmaanse plaatsje Eskibahçe, nabij Fethiye (toen nog Telmessos) in zuidwest Anatolië, leven in hun eigen microkosmos van christenen, moslims en Armeniërs, onder het vaderlijk gezag van Rustem Bey, de plaatselijke aga, en twee gendarmes die zich voornamelijk bezighouden met tavli (backgammon) spelen op het dorpsplein. Telmessos is enkele dagreizen verwijderd, Smyrna ligt al veel verderaf en Constantinopel is voor de meeste inwoners een vaag begrip achter de horizon. Dat geldt ook voor Griekenland en de landen van de Franken, daarachter, waarvan er vele soorten blijken te zijn, zoals men zal ervaren. Iedereen spreekt Turks, alleen de dorpspriester bedient zich tijdens de mis van een soort liturgisch Grieks, een taal die verder alleen wordt beheerst door Daskalos (onderwijzer) Leonidas. Daskalos Leonidas is een romantische, nationalistische fanaat uit Smyrna, die de christelijke jeugd probeert bij te brengen dat ze Grieken zijn die een Groot-Griekenland verdienen. Veel verder dan hen Turks te leren schrijven met Griekse letters komt deze verzuurde, onbegrepen eenling niet.

Op indringende en visuele wijze, waarbij ijzingwekkende details niet worden geschuwd, beschrijft de Bernières hoe de verwikkelingen in de grote, verre wereld uiteindelijk ingrijpen in het leven van de bewoners van Eskibahçe, waarvan sommigen zich nog de oude naam Paleoperivoli herinneren, zonder zich overigens van hun eigen oorsprong bewust te zijn. De persoonlijke levens van de hoofdrolspelers worden in een knap geconstrueerd web van dooreenlopende geschiedenissen, vol terug- en vooruitblikken, verknoopt met de grote gebeurtenissen van die tijd. Een opzet die bij menig kleiner talent tot een onleesbare warboel zou leiden. De Bernières tovert de lezer zijn verhalen echter voor als een film die, dankzij de gezonde afwisseling van humor, tragiek, oog voor het menselijk detail en nu en dan een dosis wreedheid, van begin tot einde blijft fascineren. Het reilen en zeilen van de bewoners van een idyllisch, maar onbetekenend gat aan de kust van Lycië, wordt zo een paradigma voor de drama’s die zich in die tijd hebben voltrokken en voor de ellende die Grieken, Turken, Armeniërs en Koerden elkaar hebben aangedaan.

Birds without Wings is geen boek voor fanatieke nationalisten en chauvinisten, waarvan er ook in die hoek van het Middellandse Zeegebied nog maar al te veel rondlopen. Het is vooral een waarschuwing tegen het dodelijke mengsel van nationalisme, utopisme en godsdienstige geestdrijverij. Een waarschuwing tegen de werking van dit gif dat leidt tot ontmenselijking, tot moord en doodslag, tot een onherstelbare sociale en culturele verwoesting. Wat de gemeenschap van Eskibahçe is overkomen gaat je als lezer niet in de koude kleren zitten, want ook al is deze geschiedenis in de eerste plaats superieure fictie, zij staat wel model voor een tragische werkelijkheid.

Louis de Bernières, Birds without Wings. (London 2004)


zaterdag 17 augustus 2019

Donkere tijden



In The Darkening Age beschrijft Catherine Nixey de verwoestende werking van het zich verbreidende christendom op de antieke wereld. Ze begint haar boek in Palmyra, met de vernietiging van de tempel van de godin Athene, door een horde zeloten. Dat gebeurde in het jaar 385. Aanvallen op 'heidense' heiligdommen door fanatieke christenen vonden regelmatig plaats in de vierde, vijfde en zesde eeuw. Dat onze musea van oudheden voornamelijk beelden tentoon kunnen stellen met afgebroken ledematen, hoofden en geslachtsdelen, hebben we voor een belangrijk deel te danken aan deze haatchristenen. 

Natuurlijk, aardbevingen, oorlogsgeweld en menselijke onachtzaamheid eisten ook hun tol, maar de kans is groot dat de overgeleverde literatuur uit de oudheid veel rijker zou zijn, als christelijke fanaten niet als een brandschattende plaag door het Romeinse Rijk waren getrokken. Monniken in middeleeuwse kloosters (die in deze periode ontstonden, maar dit terzijde) hebben, zo leerden wij op school, veel antieke geschriften gered van de ondergang door ze te kopiëren en voor het nageslacht te bewaren. Dat klopt, zegt Nixey, maar het is wel een fractie van wat in talloze boekverbrandingen is vernietigd.

Wat wij op school ook leerden, was de geschiedenis van de christenvervolgingen. Het verhaal dat zowat alle Romeinse keizers sinds Nero, tot Constantijn de Grote zich bekeerde tot het christendom, zich op bloeddorstige wijze bezighielden met het vervolgen van christenen, die doorgaans zingend en biddend de marteldood tegemoet gingen. Het leverde vele martelaren op, 'het zaad der kerk', volgens onze schoolboeken. Volgens Nixey is het een grote leugen, nepnieuws dat een enorme vlucht nam. Zij stelt dat waarschijnlijk niet meer dan tien van de honderden verhalen over de christenvervolgingen op historische feiten gebaseerd zijn en dat de vervolgingen zich beperkten tot drie, relatief korte perioden in de Romeinse geschiedenis. 

Er worden nog meer mythen door Nixey doorgeprikt. Daarbij is haar toon soms nogal ironisch, misschien omdat ze de dochter is van een uitgetreden monnik en een uitgetreden non. Dat wekt onnodig de schijn dat zij wil afrekenen met het geloof. In sommige christelijke kringen sprong men door The Darkening Age dan ook als een bok op de haverkist. In orthodoxe kring werd het direct beschouwd als een aanval op kerk en christendom. Dat is het niet. Het christendom heeft een geschiedenis van vele eeuwen en in die eeuwen is een waaier van richtingen ontstaan. Van de gekrookte rieters die nog steeds iedere letter van de bijbel voor waar aannemen, tot de remonstranten die een lichtend voorbeeld van vrijzinnigheid en verdraagzaamheid zijn. Je kunt het hedendaagse christendom, aanzienlijk gematigder dan in den beginne, op wat fanatieke rafelranden na, niet vergelijken met dat uit de late oudheid. Toen dachten sommigen dat hun god ermee gediend was als ze hun leven sleten op een metershoge zuil, of op handen en voeten rondgingen, terwijl ze zich voedden met gras. Het boek van Nixey is een tegenwicht tegen de in de late oudheid begonnen mythologisering van het verleden en daar is de geschiedeniswetenschap, volgens historicus Pieter Geyl 'een discussie zonder eind', uiteraard mee gediend.

Catherine Nixey, The Darkening Age. The Christian Destruction of the Classical World (London 2017).

maandag 5 augustus 2019

Iedereen academicus


   Experimentele School van de Aristotelesuniversiteit, Thessaloniki

Omdat mijn vrouw lange tijd werkzaam was in het Griekse voortgezet onderwijs, als lerares Engels in Thessaloniki, heb ik een aardig kijkje kunnen nemen achter de schooldeuren. Een aantal dingen heeft mij altijd verbaasd, zoals het geringe aantal lesuren dat een Griekse docent geeft in verhouding met het grote aantal uren dat leerlingen maken, het relatief lage niveau van het onderwijs, het feit dat niet de docenten beslissen over de lesmethodes, maar het ministerie van onderwijs en geloofszaken, en de slechte staat van veel schoolgebouwen. Een uitzondering op de veelal getraliede kazernes vormt het fraaie gebouw van de Experimentele School van de Aristotelesuniversteit van Thessaloniki, in de Agia Sofiastraat, een ontwerp van architect Dimitris Pikionis. Deze school vormt ook qua niveau een uitzondering en behoort tot de topscholen van Griekenland.

Wat in mijn Nederlandse ogen ook verbazing wekt, is het verplicht meelopen van scholieren in de parades ter ere van de nationale feestdagen op 25 maart en 28 oktober. Op het plein van mijn buurtschool in Thessaloniki zag ik eens een onderwijzer die probeerde, als een sergeant-majoor, een groep tien- en elfjarigen op militaire wijze te laten marcheren. Een potsierlijke vertoning die aan dictatoriale tijden deed denken. Die scholierenparades stammen dan ook uit de dictatuur van Ioannes Metaxas (1936-1940).

Griekse leraren maken heel wat minder uren dan hun Nederlandse collega's, zeker als het voor- en nawerk wordt meegerekend. Zij verdienen ook veel minder. Dat schamele loon vullen veel docenten aan door na schooltijd te werken aan een bijlesinstituut, een frontestirio. Griekse ouders willen, zoals bijna alle ouders ter wereld, het beste voor hun kinderen. Vrijwel iedereen is het erover eens dat dat een universitaire opleiding betekent, niet meer en niet minder. Daar valt niet over te discussiëren. Tot nu toe moet je toelatingsexamen doen voor de universiteit. Het einddiploma van de middelbare school, het lykeio, is niet voldoende. Gezien het tekortschietende niveau van het reguliere onderwijs, voelen ouders zich verplicht hun kinderen naar, uit eigen zak te betalen, bijlesinstituten te sturen, waarvan er, vooral in de steden, een overvloed is. Over deze gang van zaken heerst al heel lang onvrede en een verandering van het systeem is in de maak, maar tot op heden nog niet doorgevoerd.

Het gevolg is dat ouders nodeloos veel geld kwijt zijn en dat de kinderen zelf chronisch overbelast worden door het vele werk dat van hen wordt geeist. Is de felbegeerde plaats aan de universiteit eenmaal veroverd en na een aantal jaren een graad behaald, dan wacht veel afgestudeerden de werkloosheid. Wie het staatsonderwijs in wil, moet jaren wachten voor hij of zij een betrekking krijgt toegewezen. Ook het bedrijfsleven biedt in deze crisisperiode vooralsnog onvoldoende perspectief. Als scholier leerde ik bij geschiedenis over het verschijnsel van 'de ingenieur op de tram,' tijdens de crisis van de jaren dertig. In Thessaloniki is dat onmogelijk. In de jaren zestig heeft men de tram de deur uit gedaan, waardoor de stad het al decennia lang moet doen met een volstrekt inadequaat systeem van openbaar busvervoer. Hier is de ingenieur pizzakoerier, afwasser in de horeca, veegt hij of zij voor de gemeente de straat en prijst zich gelukkig in ieder geval nog werk te hebben. Het verbaast niet dat sinds het begin van de economische crisis al zo'n zeshonderdduizend jongeren, voor het merendeel hoog opgeleiden, naar het buitenland zijn vertrokken. Op grond van recente onderzoeken naar de toekomstverwachtingen van deze migranten moeten we vrezen dat een overgrote meerderheid voorgoed voor Griekenland is verloren. Dat belooft voor de sociaal-economische ontwikkelingen op lange termijn niet veel goeds.

Foto: auteur

Eerder gepubliceerd in Griekenland Magazine, hersft 2018.